Werelderfgoed Kinderdijk krabbelt op

Dorpje in de wereld

De negentien molens draaien nog steeds, maar wel op vrijwilligers. De scheepswerf is een hightech onderneming geworden. Hoe het Zuid-Hollandse dorp – en werelderfgoed – Kinderdijk zichzelf opnieuw uitvindt.

Medium kinderdijk

Op de dijk wordt een gezette Amerikaanse toerist voortgeduwd door haar dochter. ‘Sorry, sorry!’ roept ze als er twee fietsers passeren. Een week geleden ging het tweetal in Basel aan boord van het riviercruiseschip. Keulen, Koblenz en Straatsburg hebben ze al gezien, morgen staat Amsterdam op het programma, en vandaag dus Kinderdijk. Peter Paul Klapwijk van Stichting Werelderfgoed Kinderdijk (swek) hangt over zijn fiets en kijkt het duo grijnzend na. ‘We hebben dit jaar dertigduizend extra bezoekers gekregen, voor tweederde passagiers van cruises.’

In 1997 werden de negentien molens van Kinderdijk opgenomen op de Werelderfgoedlijst van Unesco, als symbool van de Hollandse strijd tegen het water. Een moment van trots voor het kleine dorpje in de noordwestelijke punt van de Alblasserwaard, waar de Lek en de Noord samenkomen. Bijna vijftig jaar eerder, in 1951, stonden de klassieke molens nog op de nominatie om gesloopt te worden. Door de invoering van moderne gemalen hadden ze hun functie verloren en het onderhoud was duur. ‘Maar na een bezoek van koningin Juliana waren de sloopplannen ineens van tafel’, vertelt Cees van der Vlist, directeur van de swek. ‘Het is nooit officieel bekend geworden, maar het vermoeden is wel dat Juliana hier een belangrijke rol in heeft gespeeld.’

Van der Vlist zit aan de koffie in het kantoor van zijn stichting. Een oud huisje naast het oude Wisboomgemaal, midden tussen de molens, met versleten jaren-zeventiginterieur. Bruine vloerbedekking, lambrisering en een oud keukentje. Het interieur past bij het ingetogen karakter van de regio. Harde werkers met een rotsvast vertrouwen in de Heer en weinig behoefte aan opsmuk. ‘Mensen houden hier niet zo van commercie. We willen niet dat het dorp vol komt te staan met vlaggen van Ola. En dat is misschien ook juist wel de reden dat de stichting onder het vorige bestuur bijna failliet is gegaan.’

Het zijn roerige tijden voor Kinderdijk. Het Zuid-Hollandse dorp dat dreef op negentien molens en twee grote scheepswerven heeft zich opnieuw moeten uitvinden. Oude tradities gingen aan de kant, efficiëntie werd noodzaak. In zowel het toerisme als de scheepsbouw, waar nu bijna niemand uit het dorp nog werkt, moest men nieuwe wegen inslaan.

Ook de overheid paste zich aan. In januari 2013 ging de gemeente Nieuw-Lekkerland, waar Kinderdijk deel van uitmaakte, op in de nieuwe gemeente Molenwaard. Na zeven jaar discussie, twijfels en voorbereiding werd een paar maanden eerder ingestemd met een fusie met de buren van Liesveld en Graafstroom. ‘We zijn de eerste gemeente geweest die zelf heeft aangegeven te willen herindelen’, blikt wethouder Fatih Özdere van de pvda terug. ‘Het ontbrak ons aan bestuurskracht, we moesten vaak expertise extern inhuren.’ Oude tradities en verschillende culturen werden onder één bestuur geplaatst.

Vraag een gemiddelde Kinderdijker zijn dorp te omschrijven en hij zal niet beginnen over de molens, maar vertellen over de familie Smit, die begon met de scheepsbouw. In de Molenstraat, tegenover café De Klok en op honderd meter van de werf, woont Cees van den Heuvel, smeerder van beroep en sinds 2003 in dienst bij scheepsbouwer IHC Merwede. Behalve secretaris van de bewonersvereniging is hij oprichter en eigenaar van een privé-museum over zijn dorp. ‘Ik heb het hele college van b. en w. hier al op bezoek gehad’, vertelt Van den Heuvel trots. Hij zit aan een tafel in het souterrain, te midden van boekenkasten vol mappen, foto’s, memorabilia en boeken als De oude werf en Van baggerbeugel tot sleepzuiger.

Van den Heuvel werd in 1954 geboren, niet in Kinderdijk, biecht hij schoorvoetend op, maar in Nieuw-Lekkerland. ‘Daar praat ik liever niet over. Mijn vader, een echte Kinderdijker, werkte daar tijdelijk omdat hij een paar dubbeltjes meer kon krijgen.’ Zes jaar later verhuisde het gezin terug naar het ouderlijk dorp. ‘Mijn vader ging weer bij L. Smit werken. Hoewel hij het een rotbedrijf vond.’

‘Fop Smit wilde een lift in zijn huis. Daardoor was Kinderdijk het eerste dorp in Nederland met een elektriciteitscentrale’

In oktober 1777 werd in Alblasserdam, op een steenworp afstand van Kinderdijk, Fop Smit geboren. Net als zijn vader en broers legde hij zich toe op de bouw van schepen. Onder de naam L. Smit bouwde hij een werf in Kinderdijk, toen niet veel meer dan een lap grond en een verzameling molens, aan de oevers van de rivier de Noord. Het eerste schip van zijn hand, een Oost-Indiëvaarder, gleed in 1838 van de helling en daarna ging het hard. Hij richtte een sleepdienst op, bouwde het eerste ijzeren zeilschip van Nederland en later de eerste ijzeren klipper, de California, die zijn eerste reis onder leiding van kapitein Jaski naar het Australische Port Adelaide maakte. Van den Heuvel pakt er een knipselmap bij. Na wat bladeren slaat hij hem open bij een foto van de California. ‘Gebouwd voor de rederij van Louis Bienfait Zn.’, zegt hij. ‘Een prachtig schip.’

Een paar honderd meter verderop, aan de voet van de molens, doet ook Van der Vlist een duit in het zakje. ‘Wist je dat hier tegenover de werf de eerste elektriciteitscentrale van Nederland stond? Fop Smit was slecht ter been, dus wilde hij een lift in zijn huis. Daar had hij elektriciteit voor nodig en daardoor was Kinderdijk het eerste dorp van Nederland met elektrische straatverlichting.’ Smit was een hele grote, vindt Van der Vlist. ‘Hij reisde de wereld rond om te kijken wat er gebeurde en bezocht mensen als James Watt en Thomas Edison. De kennis die hij opdeed, gebruikte hij om zich te blijven ontwikkelen als scheepsbouwer en reder.’ In zijn kielzog ontstond een ecosysteem van bedrijven die qua kennis en innovatie voorliepen op hun concurrenten. ‘Hier is ook de eerste molenroede van metaal gemaakt. En de familie Pot maakte de eerste geklonken roede.’

Fop Smit droeg zijn bedrijf over aan zijn zoons Jan en Leendert. Terwijl zij het werk van hun vader voortzetten, bundelden twee andere broers, Jan en Kees, de krachten en begonnen scheepsbouwbedrijf J. en K. Smit. In het souterrain van zijn museum bladert Cees van den Heuvel opnieuw door een van de mappen. Hij laat een foto zien van de werf halverwege de negentiende eeuw. Op honderd meter afstand van de ouderlijke werf staan de gebouwen van Jan en Kees. ‘Maar die gingen echt niet bij elkaar op de koffie hoor’, lacht Van den Heuvel. Hij weet waar hij over praat. Zijn grootvader aan vaders kant werkte namelijk voor L. Smit, terwijl zijn grootvader aan moeders kant bij J. en K. werkte. ‘Mijn ouders zijn stilletjes met zijn tweeën naar het gemeentehuis gegaan om te trouwen. Geen feestje, niks. Ze hebben hun ouders ongeveer een jaar niet gesproken. Het is nooit meer helemaal goed gekomen.’

Medium kinderdijk2

Kinderdijk telt 822 inwoners en slechts een paar honderd woningen. Ongeveer de helft daarvan zijn arbeiderswoningen die werden gebouwd door de verschillende telgen van de familie Smit, de andere helft is gestaag bijgebouwd in loop van de twintigste eeuw. Peter Paul Klapwijk, zelf Rotterdammer van geboorte, woont inmiddels tien jaar in Kinderdijk, het geboortedorp van zijn vrouw, dochter van een molenaar. ‘Ze vond het in het begin vreselijk dat ik hierheen wilde verhuizen omdat zij het dorp juist was ontvlucht. Maar ik was helemaal in de ban geraakt van het molenaarsbestaan.’ Binnenkort betrekt het gezin de molen waar zijn vrouw opgroeide. ‘Haar vader is vorig jaar gestopt als molenaar en ik neem het over. We zijn aan het verbouwen.’ Molenaars bungelden vroeger onder aan de sociale ladder en verdienden nauwelijks genoeg om hun gezin te onderhouden. Nu is het een vrijwilligersbaan. Klapwijk: ‘Alle molenaars hier hebben er een andere baan naast, of zijn gepensioneerd. De molens draaien nu ook in de zomer. Voor de toeristen en om ze in goede staat te houden.’

Hard werken, eigen initiatief, goed burgerschap. Dat zijn de eigenschappen waar Kinderdijkers zich op laten voorstaan. Nietsdoen is geen optie. Dat komt voort uit het geloof, en uit de strijd tegen het water. De Alblasserwaard is een badkuip te midden van drie rivieren, die zonder goede afwatering in een moeras verandert. ‘Mensen vergeten tegenwoordig dat als we twee of drie maanden niet zouden pompen, het westen van Nederland, tot Amersfoort aan toe, onder water loopt.’ Cees van der Vlist staat inmiddels in de machinekamer van het oude Wisboomgemaal. Bezoekers kunnen zich vergapen aan drie oude gemalen in de ruimte. Een stoomgemaal, een dieselgemaal en een gemaal dat elektrisch werd aangedreven. Tegenwoordig zijn ze buiten gebruik. ‘Maar dit is de bakermat van het watermanagement.’ Hij opent een kastje, zet een knop om en bedient een touchscreen. Zes beeldschermen die verspreid over de ruimte hangen, springen aan. Het gebouw doet sinds kort dienst als bezoekerscentrum en daar hoort een voorlichtingsfilm bij. In een verrassend samenspel van beelden en acteurs in verschillende functies, wordt het verhaal van Kinderdijk verteld. Over de vele overstromingen die het gebied in de loop der eeuwen troffen, graaf Floris V die in de dertiende eeuw opdracht gaf om waterschappen op te richten, het systeem van de hoge en de lage boezem, de malende molens en de sluis bij Kinderdijk die het water doorlaat naar de Lek. ‘De meeste mensen komen hier omdat het zo’n mooi plaatje is, maar wij vertellen juist graag het verhaal achter de molens. Over het wonder dat hier is geschied in de strijd tegen het water.’

‘Kinderdijk is een Nederlands icoon’, weet Hans Renes, hoogleraar historische geografie aan de Universiteit Utrecht en gespecialiseerd in cultureel erfgoed. ‘Dit verhaal willen we aan de wereld vertellen, vandaar dat we het dorp hebben voorgedragen voor de Unesco-werelderfgoedlijst. Ons watermanagement, de dijken, de molens zijn niet alleen een bron van trots, maar ook een belangrijk exportproduct. We willen onze expertise tentoonspreiden.’

‘Mensen vergeten dat als we niet zouden pompen, het westen van Nederland onder water loopt’

In 2012 raakte het werelderfgoed Kinderdijk echter in zwaar weer. Na geknoei met geld en projecten, kampte de swek met een tekort van negen ton en dreigde de stichting failliet te gaan. Het waterschap, toen nog eigenaar van de molens, gaf niet thuis. ‘Na de samenvoeging van 750 naar slechts 25 waterschappen concentreren zij zich enkel op hun kerntaken’, legt Hans Renes uit. ‘Andere functies stoten ze af.’ Alle blikken werden gericht op de gemeente en die schoot inderdaad te hulp. Voor een symbolisch bedrag van één euro werden de molens overgenomen en de gemeente liet weten voor een miljoen euro garant te staan. Het bestuur werd vervangen en Cees van der Vlist werd benoemd als mede-directeur. Zijn belangrijkste taak is het creëren van een gezond exploitatiemodel waarmee het onderhoud van de molens in de toekomst kan worden gegarandeerd. ‘Want erfgoed in verval is een internationale blamage’, stelt Renes. ‘Je kan formeel zelfs van de lijst worden verwijderd.’

‘De vorige eigenaar, het waterschap, had er geen belang bij om geld te verdienen. Zij zagen de molens vooral als uitgerangeerde waterpompen’, legt Van der Vlist uit. ‘Als wij goed voor de molens willen zorgen, moeten we ze gaan verkopen als product waar mensen geld voor willen betalen.’

Deze nieuwe visie is bittere noodzaak, vindt ook Arnold Boulonois, eigenaar van café, restaurant, partycentrum en cateringbedrijf De Klok – een van de weinige voorzieningen die nog in het dorp te vinden zijn. Van de bijna dertig winkels en bedrijfjes die de Molenstraat in de jaren zestig telde, zijn slechts De Klok en bakkerij Stam over. Naast de molens vind je ook nog restaurant Buena Vista, dat ook feestlocatie Windkracht 4 uitbaat. En helemaal aan het begin van het dorp Hotel Kinderdijk, dat uitkijkt over de Noord. ‘We hebben het allemaal moeilijk’, zegt Boulonois. ‘Kinderdijk zelf heeft zo weinig inwoners dat toeristen heel belangrijk voor ons zijn.’

Met het nieuwe bewustzijn van urgentie wordt er gretig gezocht naar samenwerkingen. ‘Via de website van de molens kan je nu ook arrangementen boeken. Dan krijg je een kaartje voor de bezoekmolen en kan je daarna bij mij eten.’

De bezoekers moeten vooral verleid worden iets te betalen voor het bezoek. ‘Nu geeft maar eenderde iets uit als ze hier zijn’, weet Van der Vlist. ‘Je kan gewoon naar de molens lopen en een foto maken zonder iets te betalen. Dat blijft zo, maar we gaan ervoor zorgen dat het veel aantrekkelijker wordt om een kaartje te kopen voor de bezoekmolen of om iets te kopen of drinken in ons bezoekerscentrum. Over een paar jaar moet tweederde van de bezoekers betalend zijn.’

Cees van den Heuvel kan zich de betere tijden in het dorp nog goed herinneren. De Molenstraat, die nu zo verlaten oogt, was dé winkelstraat van de regio. ‘Ze kwamen uit alle dorpen in de buurt hierheen om te winkelen.’ Het was ook de tijd dat bijna de hele bevolking haar geld verdiende op de werf van Smit. Ondanks de hevige rivaliteit fuseerden de twee firma’s Smit in 1965 tot de Industriële Handelscombinatie (IHC) Smit. IHC Smit werd IHC Holland en na een fusie met Merwede Shipyards ontstond de naam IHC Merwede. In 1997 volgde de overname van Van der Giessen-de Noord, toen al 32 jaar werkgever van Van den Heuvel. Zoals zo velen voor hem kwam hij op straat te staan. ‘Sinds de jaren zeventig is het de ene crisis na de andere, de ene ontslagronde na de andere. Mijn vader is in de jaren zeventig in de vut geworpen. Hij was toen in de veertig.’ Het dieptepunt kwam in 1986, toen het bedrijf op de rand van de afgrond belandde. Om snel geld te verdienen en de kosten te drukken werden de woningen die nog altijd in bezit waren van de scheepsbouwer verkocht aan de bewoners. ‘Voor dertigduizend gulden’, weet Van den Heuvel. ‘Daar lagen mensen echt wakker van. Ze waren ineens huiseigenaar en hadden een hypotheek.’ Het was het einde van het innige verbond tussen dorp en werf. ‘Tegenwoordig ben ik een van de weinige Kinderdijkers die er nog werkt. Misschien nog dertig anderen, maar dat is het wel.’

De andere ruim 1700 medewerkers komen niet alleen uit dorpen en steden uit de omgeving, maar uit landen overal ter wereld. ‘Toen ik laatst op de werf was, zag ik een aantal Spaanse nummerborden’, zegt Dirk van der Borg, burgemeester van Molenwaard. ‘IHC Merwede is een zeer specialistisch bedrijf geworden in de bagger- en offshore industrie. Daar is zeer specialistische hoogwaardige kennis voor nodig, terwijl de bevolking van onze gemeente van oudsher laagopgeleid is. Dat sluit niet meer op elkaar aan. De verwijdering tussen het dorp en de werf geeft een naar gevoel van vervreemding.’

‘De verwijdering tussen het dorp en de scheepswerf geeft een naar gevoel van vervreemding’

Ook Van der Vlist was laatst nog op de werf, zo vertelt hij. ‘Daar zit ook het bedrijf IHC Hydrohammer, dat heiconstructies voor onder water bouwt. Je weet niet wat je ziet. Speelgoed voor grote mannen. Die palen hebben een doorsnee van meer dan zes meter en worden bijvoorbeeld onder windmolens geplaatst. Gigantisch. Dan besef je weer even de nietigheid van de mens en de kracht van de elementen.’

Vorig jaar nog kreeg IHC Merwede de mega-order voor zes pijpenleggers uit Brazilië, goed voor een miljard euro. De vierduizend extra banen die de klus oplevert, komen voor een groot deel terecht bij de werf in Kinderdijk.

Werkgelegenheid voor de plaatselijke bevolking levert de deal echter niet op. Toch is de werkloosheid in Kinderdijk niet hoog. ‘Dat komt door het hoge arbeidsethos’, zegt Van der Vlist. ‘Mensen zorgen wel dat ze werk hebben, al moeten ze iedere dag uren rijden.’ Er zijn ook veel zzp’ers in het dorp. Toch zou wethouder Fatih Özdere van Economische Zaken de banden met de werf graag aanhalen. ‘In regionaal verband zijn wij bezig met gemeenten, onderwijs en ondernemers om de aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt te verbeteren. Dat gaat heel goed, maar IHC is daar terughoudend in. Die hebben geen tijd om te wachten op die ontwikkelingen. Ze doppen hun eigen boontjes. Dat snap ik, maar het is wel jammer.’

Op zijn oude fiets is Peter Paul Klapwijk beland aan de rand van een prachtig kunstgrasveld van de voetbalclub De Zwerver. ‘Er zitten bijna alleen nog maar kinderen uit Alblasserdam op.’ Hij vertelt over de leegloop waar de hervormde kerk in het dorp mee te kampen heeft. ‘Nederlands Hervormd is niet meer zo populair, mensen gaan nu naar de gereformeerde kerk of de evangelische kerk.’ En die houden diensten in omliggende dorpen en steden. ‘De basisschool is weg, op de werf werken mensen van buiten, de molens moeten worden gedeeld met honderdduizenden toeristen uit de hele wereld, de voetbalvereniging wordt overgenomen door Alblasserdam en de kerk loopt leeg. Mensen zijn bang dat ze hun dorp kwijtraken.’

In zijn souterrain haalt Van den Heuvel een glazen stolp tevoorschijn, met daaronder een houten apparaatje. ‘Een klink’, legt hij uit. ‘Als een schip te water wordt gelaten, wordt hij op de helling gezet. Als hij op smeer staat, dus klaar om te gaan, dan staat hij bijna helemaal los. Hij wordt alleen nog maar tegengehouden door een klink. Als die valt, glijdt het schip naar beneden, het water in. Tegenwoordig zijn ze van ijzer, maar dit is een hele oude van hout.’ De knipselmap komt weer op tafel en er verschijnt een foto van dezelfde klink, die in een scheepshal wordt bewonderd door koningin Beatrix, met naast haar een manager van het bedrijf. Een gelikte jonge man met een brede grijns. ‘Wegens gebrek aan gewicht omhooggevallen’, snerpt Van den Heuvel. ‘Bij tewaterlatingen komen ze altijd naar mij toe om spulletjes te lenen, maar zie je mij naast de koningin staan?’ Hij bladert verder, naar een foto waar hij in blauwe overall en met een gele helm naast zijn collega’s staat. ‘Dat was ons feestje. Vroeger werd er bij dit soort gelegenheden wel wat georganiseerd, maar dat is niet meer zo. Die tijd is voorbij.’ Toch zal hij niet klagen. Als een van de weinigen heeft hij ondanks zijn opleidingsniveau nog altijd werk. Na zijn ontslag bij Van der Giessen-de Noord eind jaren negentig werkte hij een paar jaar als oproepkracht voor IHC Merwede. Sinds 2003 is hij in vaste dienst, bij het bedrijf dat nog altijd zijn oorsprong kent bij de oude Fop Smit. ‘Mij hoor je dan ook niet. De werf kan wel een potje breken.’

Nederland in transitie

Nederland krijgt onder invloed van grote economische en demografische veranderingen geleidelijk aan een ander gezicht. Grensgebieden met weinig economisch perspectief lopen leeg terwijl het westen van het land overvol dreigt te worden. Om de ontwikkelingen bij te benen, moeten veel dorpen, steden en regio’s op zoek naar een nieuwe identiteit. In deze serie reist Floor Milikowski door de provincies en belicht de worstelingen van een land in transitie.


Dit artikel is mogelijk gemaakt door het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

beeld 1: Frans Lemmens / HH, 2: Erik-Jan Ouwerkerk / HH