Opheffer

Dorpsgedichten

Onlangs bezocht ik het platteland. Thuis schreef ik de volgende dorpsgedichten.

  1. Oudje

Zij was een eenvoudige dorpskerk.

De dominee kwam soms

onder haar zwarte rokken uit

en gebood kracht

toen ze begon te brokkelen.

Binnen woei een kaars uit.

Het zware kaarsvet brak de kandelaar;

op de oude graven

liepen geen schoenen meer

om de inscripties weg te poetsen.

Ze had geen zin meer, en verlangde

naar het schone witte hemd

dat ze als jonge vrouw

haar moeder had aangetrokken

toen die vertrok naar wat ze dacht

dat haar toekwam.

Haar zilveren handjes gevouwen.

Ze moesten de deur openhouden,

want hij hing schuin; hij schuurde

even tegen het hout.

Ik heb de klink gekregen,

waarmee ik haar hoor binnenkomen.

  1. Dorp

Ik groet verre familie

wier ogen als mieren

in m'n kleren zitten;

ze hebben voor de gelegenheid

hun lippen op hun achterhoofd.

Hoor het gefluister

in hun haar; monsteren van boven,

wegen beneden:

m'n kleren blijken opgevreten.

  1. Storm en overstroming

Door de storm

is om elk woord een rouwrand

gelegd waarmee de verwijten

aan elkaar worden gestotterd.

Toen kwam de overstroming

en probeerden ze de natuur

in hun hersens te schuiven.

Dat ging niet.

Alleen als de bijbel zou worden uitgebikt

zou er een kleine plek zijn.

Maar die liep meteen weer onder

met drabbig verwijt.

Er zou een storm opsteken.

  1. Wijzers

Fier de klompendans

van de stilstand.

Ze luisterden

af en toe

naar de kerkklok

die de tijd

van kwart over

tweehonderd jaar

terug sloeg

De dorpsgek was hij die de klokken

gelijk zette — maar met wat wist niemand.

De eeuwige hanenbalken

sleten slechts

door de onhandige galgen.