Dorpskroeg

Die zaterdagavond belandde ik in een cafe in een Zuidlimburgs dorp. Al ben ik bovenal een gezelligheidsdier en gaat mij weinig boven zuipen en zwetsen met vrienden, ook prettig is het in een hoekje met glas en sigaar, krantje of pen en papier om geen muurbloempje te schijnen. En dan maar kijken. Hoewel ieder ieder kende waren er grofweg twee gezelschapjes, waarschijnlijk bepaald door sociale positie.

Goedgeklede jong-veertigers, drie echtparen, bij wie langvertrouwde toon de mogelijkheid van flirt nog niet volledig had uitgesloten; en een groepje ‘alle leeftijden’, gedomineerd door een kleine, dikke en vooral jolige zestiger met bretels, en een praatje en een glas voor iedereen. Twee gepermanente middelbare dames in bloemetjesjurk en met veel plezier deden me beseffen dat je die in de stad vroeger ook in de kroeg zag. Zijn ze daar verdwenen of bestaat het buurtcafe niet meer? Een meisje van negen zat lang aan de bar met haar ouders wat me op vaag moralistische gedachten bracht. Toen pa haar naar huis had gebracht en terugkeerde, stapte hij op me af en vroeg of ik journalist was. Ik ontkende, met recht, maar begreep dat mijn blocnootje met dagboekaantekeningen evenzeer een beroepsaanduiding was als wanneer ik met pet en klompen en een zeis in juten zak over de schouder was binnengestapt. Misschien dat hij de ontkenning als afwijzing interpreteerde, want, zei hij, als ik liever alleen zat: even goeie vrinden. Maar zelf was hij veel op weg en dus alleen in de horeca en als iemand een praatje maakte, vond hij dat prettig. Ik offreerde een glas, maar kreeg te horen dat ik de gast was en met het bier nam hij zijn vrouw mee. Ze woonden in het dorp, maar zijn vrouw kwam uit het stadje op zeven kilometer en hij uit het naburige dorp, drie kilometer. De verschillen waren groot, zeiden ze; zelfs het dialect (waarvan ik geen woord had verstaan) verschilde en hij had in de loop der jaren geleerd veel woorden uit zijn jeugd niet te gebruiken omdat erom gelachen werd. Een piepkleine migratiegeschiedenis. In Maastricht kwamen ze niet graag: dat was te stads. Mijn Amsterdamse herkomst leidde tot lichte ontzetting. Vorig jaar nog waren ze er met de kinderen geweest voor wat een dagje had moeten worden. Ze waren aangekomen op het Centraal Station en met de massa’s meegelopen, rechtdoor. Het Damrak, waar ik hooguit fiets en dan met een concreet doel en dat ik in dat zuidelijke cafe zag door de ogen van dorpelingen: kermis zonder de lol daarvan, patat, pizza en shoarma, T-shirts en souvenirs, wisselkantoren en porno. Het straatmeubilair noch aan hen noch aan mij besteed, wie weet om verschillende redenen. Een gierende politieauto was achter rennende jongens aan gegaan en toen ze op de Dam waren, vroeg het meisje over wier aanwezigheid in de kroeg ik me zorgen had gemaakt of ze weer naar huis mochten. Waartoe met algemene stemmen was besloten. Dezelfde weg terug. Waren de Wallen terug leuker geweest? Of Nieuwendijk of Nieuwe Zijds? Ik vrees van niet, maar prees mijn stad. Tekende een route langs grachten en door Jordaan. En legde uit waar de Pieper lag, omdat hij daar ooit met plezier had gedronken. Maar grote steden zijn onherbergzaam voor wie er niet getogen is.