Dorre zon

Schrijven of leven heette de in 1996 gepubliceerde vertaling van de autobiografie van de Spaanse schrijver Jorge Semprun. Korter dan in die titel kon Semprun zijn leven niet samenvatten. Als zoon van een ambassadeur van wat toen nog de Spaanse republiek was, bracht Semprun zijn kinderjaren door in Den Haag, leefde na de beëindiging van de Spaanse burgeroorlog in ballingschap in Parijs en werd in 1944 gedeporteerd naar Buchenwald. Schrijven of leven was een boek van iemand die zich na de kampervaringen overeind had weten te houden: als schrijver, maar ook als communist, als iemand die lange tijd trouw bleef aan de idealen van de Spaanse Republiek.

Schrijven of leven: voor Semprun vormen de beide woorden geen tegenstelling, maar zijn het synoniemen. Literatuur is voor hem een vanzelfsprekend onderdeel van het leven en vice versa. Men kan met het oog op de kampervaringen verwijzen naar Primo Levi, voor wie schrijven óverleven was, en dat geldt zeker ook voor Semprun. Juist die ervaringen hebben hem de overtuiging gegeven dat alleen de literatuur in staat is om het leven in beeld te brengen zoals het was. Semprun weet dat voor eerlijkheid de leugen van de vorm noodzaak is. Wie het in zijn romans nog niet ontdekte, kan het lezen in Schrijven of leven: ‘Alleen met de kunstmatigheid van een in toom gehouden verhaal zal de waarheid van de getuigenis gedeeltelijk kunnen worden overgebracht’, schreef hij daar. In het 'vervolg’ dat nu op die autobiografie is verschenen, Vaarwel, heldere glans, staat dit noodzakelijke 'liegen’ opnieuw in diverse passages centraal. De inzet van het boek is misschien nóg onmogelijker dan die van de boeken waarin de onmogelijke werkelijkheid van de kampervaringen wordt benaderd. Semprun tracht hier terug te keren naar zijn puberteit, naar de periode dat hij als balling in Parijs leefde, de periode na de Spaanse burgeroorlog en voor Buchenwald. Korter gezegd: Semprun tracht 'zichzelf’ te schetsen als iemand die Buchenwald nog niet had meegemaakt. Dat komt neer op een poging om datgene wat sinds Buchenwald onher roepelijk deel uitmaakt van het herinneren zelf, buitenspel te zetten. Het is iets wat Semprun voortdurend geprobeerd heeft, schrijft hij: in de verbeelding ontsnappen aan die ene herinnering, die hem opsloot in de rol van overlevende en getuige. Om ook telkens weer te moeten vaststellen dat zijn verhalende verbeelding toch altijd in de ban bleef 'van die dorre zon, roodgloeiend als de vlam van de verbrandingsoven’. Men durft hem niet tegen te spreken wanneer hij zelf schrijft dat hij met dit boek het gebied betreedt waar Buchenwald buiten staat, al bewijst de opmerking zelf hier al het tegendeel. Zelf heeft hij het gevoel met het schrijven van dit boek een verloren vrijheid teruggewonnen te hebben, juist door zich nu te richten op 'een gebied dat nog ontgonnen moest worden’ - waar Buchenwald nog niet bestond. Dat was tot nu toe onmogelijk. Maar tegelijkertijd is het daarmee een boek geworden waarin alle herinneringen met terugwerkende kracht geblakerd zijn door het vuur van diezelfde dorre zon. Juist zijn poging om daar aan te ontkomen redt het boek van pathetiek. De puberteit wordt niet geïdealiseerd. Zij wordt omgelogen tot wat zij geweest moet zijn, tot wat Semprun wil dat zij was, dat hijzelf was en misschien geweest is. Dat is wat aan de herinneringen - die op zich niet zo heel veel verschillen van wat we in dit genre gewend zijn - een ongemene kracht geeft, ze tot meer maakt dan enkel getuigenis.