Dorst

Of er nog vragen zijn? We zitten in een tuin vol mensen in het stadje Ptuj. Een oude dame steekt haar hand op. Mevrouw wil graag weten wat ik van haar land vind, zegt de tolk. Ik knik.

Het is een vraag die altijd weer terugkeert. Genoeg over poëzie, lijkt het idee. Laten we het nu hebben over de grond onder onze voeten, over de verschillen, over manieren van kijken. Maar ook dat is poëzie. Wat vind je van Roemenië? Van Zuid-Afrika? Van Tsjechië? Elk land is indrukwekkend als je het in een dag of zes probeert te duiden. Maar wat weet je ervan? Je beweegt je er vlug in en uit, als een haastige minnaar, en draait je weer om. Er zou een antwoord moeten zijn dat niet stoelt op beleefdheid maar op beleving. Misschien is mijn hoofd gewoon te klein voor zulke grote vragen. Ik denk in veilig en onveilig, van moment tot moment, van straat tot straat. Ik weet nergens iets van. ‘Vóór deze lezing wandelde ik langs het water van de Drava’, vertel ik de tolk. Er was een afgelegen stuwdam in de verte waar ik een kijkje wilde nemen, een kilometer of acht verderop. Het werd al snel erg warm. Boven de heuvels hing de zon, geler en guller dan de onze. Ik had te weinig water meegenomen. Toen ik eindelijk de dam bereikte was er, ondanks strikt rantsoeneren, nog maar een kwart liter over voor de terugweg. ‘Er zat daar een man’, zeg ik nu tegen de tolk. ‘Een nors kijkende visser. We spraken elkaars taal niet.’ In een flits van een seconde had ik de mogelijkheden gezien. Onbekende man in verlaten landschap. Vrouw in zomerjurk. De hitte van droog gras. Grote handen. Een zinloos schreeuwen. Een lichaam. Een krantenkop. Had het me verbaasd dat hij zonder iets te zeggen een flesje Ice-Tea uit een koelbox te voorschijn haalde en het me toestak? Nee. Het had me ontroerd. Maar ik maak mijn verhaal niet af. Ik zeg dat ik me goed voel in Slovenië. De tolk vertaalt. De oude dame knikt tevreden.