Menno Hurenkamp

Douchen

GroenLinks maakt aanspraak op lidmaatschap van het establishment. Aanstaande zaterdag praat de partij tijdens een congres over de vraag wie de komende jaren het parlement in mag. De kans is substantieel dat GroenLinks zichzelf, zoals vaker vlak voor de verkiezingen, in de voet schiet. Dat zit zo.

Er is een lijst mensen voorgedragen en enige oude mannen staan daar tot hun woede niet op. De club die door een keuzecommissie is samengesteld, heeft twee opvallende kenmerken. De kandidaten hebben expertise op cruciale terreinen (cultuurpolitiek, zorg, financiën, ecologie, wereldhandel) en de ambitie om politieke twist met andere partijen aan te gaan. Ze ogen ook prettig. Ongeveer wat je nodig hebt voor een oppositiepartij. Bovendien valt het hoge percentage intellectuelen op: een gezellige worstmaker, arbeider onder de arbeiders, type Singh Varma-zonder-ziekte, zit er niet meer tussen. De kleinlinkse trui- en truttigheid lijkt zorgvuldig gemarginaliseerd. Omdat het politieke debat de komende jaren niet gaat om lesbiennes, kruisraketten en knollentuinen is dat geen gekke gedachte.

Aan de oude mannen die sneuvelden valt met name op dat ze geen van de bezwaren tegen bovengenoemde selectie wegnemen. Het gaat onder anderen om de Amsterdamse ex-wethouders Kohler en Van Duyn en de thans zittende Tweede-Kamerleden Rabbae en Pitstra. Gewogen en te licht bevonden voelen ze zich miskend — «na al die jaren!». Ze willen terug op de lijst. Waarom? Hoewel ze geen non-valeurs zijn, ziet een kind dat geen van die dinosaurussen kan bogen op een kwaliteit die hen ten goede onderscheidt van de voorgedragen mensen. Redelijkerwijs zijn deze rancuneuze vijftigers dus kansloos.

Maar de leden van GroenLinks vormen een curieus amalgaam. In de noordelijke buitengewesten scharrelen lieden rond die vinden dat vadertje Stalin het goeddeels bij het rechte eind had. Uit de Betuwe komen wezens met willekeurig door hun vlees geslagen ringen, die domicilie houden in een gekraakte boomhut. Het bonte gezelschap kijkt ongetwijfeld met gemengde gevoelens naar de postmoderne agenda van de randstedelijke intelligentsia.

Met het geweeklaag van bovengenoemde oude mannen als ontsteking kan de GroenLinkse achterban tijdens zijn eigen congres nog flinke electorale schade aanrichten. «Het is ook altijd een zootje bij die gasten.»

Na afloop van alle geharrewar vertelt partijleider Rosenmöller natuurlijk dat het bij een volwassen partij hoort dat er serieus om elke plek wordt gestreden. Maar als je geen zetelverlies wilt, lijkt het logischer om in de aanloop naar verkiezingen de rijen te sluiten. Rosenmöller had er slimmer aan gedaan de ongewenste oudgedienden bij voorbaat naar de kleedkamer te jagen. «Rabbae, Pitstra, Kohler en die kabouter daar: douchen!» Dat vergt kracht, net als het dichten van de kloof tussen de conservatieve achterban en de Haagse voorhoede. Die energie is de laatste tijd gestoken in het regierungsfähig houden van de partij. Dat kan de komende weken een inschattingsfout blijken.