Douwe tamminga

Al ver voor Gerard Reve had hij zijn eigen ezelsproces. Zijn gedicht ‘In Memoriam’ is in ons land onovertroffen. Op zondag 21 november viert de strijdvaardige en taalbewuste Friese dichter Douwe Tamminga zijn negentigste verjaardag.(

LERAAR, TAALSTRIJDER en taalman noemt Geart de Vries de Friese dichter en taalwetenschapper D.A. Tamminga in het herinneringsboek Trochpaden (vrij vertaald: ‘Doorgangen’) dat hij voor deze gelegenheid over de dichter schreef. Ik zie Tamminga wel eens in Leeuwarden lopen, kaarsrecht, met een stok, rustig stappend, een alpinopet op de witte haren. En als je met hem praat, dan komen de kleine grappen, de doordringende blik, anekdoten over vroeger, Friesland, de mensen en het werk. En altijd die bescheidenheid over zijn werk, dat moet toch iets van zijn generatie zijn.
De Vries laat Tamminga aan het woord over zijn leven zonder in te grijpen of commentaar te leveren; het is alsof je zijn stem hoort, kalm betogend, af en toe peinzend om terug te denken, herinneringen samenvoegend. Het blijft steeds zijn verhaal, zijn visie op een dichtersleven in Friesland. Tamminga is zoon van een landarbeider van protestantse huize, daar begint het mee, hij vertelt met rustige sentimentaliteit over z'n ouders en z'n eerste schreden op het harde pad van de landarbeid (uurloon 0,60). Op z'n zestiende wordt hij timmerman, in 1933 haalt hij de Kweekschool en later verschillende mo-akten Nederlands en Fries. Zo wordt hij dichter, leraar en taalman en komt in contact met de Friese literaire scene.
Zijn debuut verschijnt in 1939, kenmerkende titel: Brandaris. Tamminga schrijft in deze bundel alleen nog over en voor Friesland. Balladen zijn het, voor een deel in de stijl van Werumeus Buning. In 1943 het eerste ambitieuze dichterswerk, It griene jier: In leafdeliet, een op bijbelse metaforen geënt huwelijkslied, plechtig, groot van taal en omvang, bij vlagen schitterend, maar soms zich nog te veel verbergend achter hoge beelden. Daarna in 1945 Nije gedichten, een kleine bundel met een reeks opvallende en zeer persoonlijke sonnetten, Tamminga laat zien dat hij kennismaakt met het modernisme.
Dan valt een lange stilte. Wel publiceert hij gelegenheidswerk en vertalingen, later legt hij zich steeds meer toe op vaak voortreffelijk vertaalwerk, zijn Friese vertaling van The Raven van Edgar Allan Poe (1984) is bijvoorbeeld ijzersterk. In 1968 verschijnt zijn grootste en ook grootse werk, In Memoriam, een diep ingrijpend en prachtig gedicht over de verwerking van het verdriet over zijn te jong gestorven zoon. In ons land staat dit gedicht eenzaam hoog, onovertroffen. Tamminga slaagt erin zonder versiering, recht door zee zoekend naar de juiste toon, beelden te vinden, zeer persoonlijke beelden, voor nauwelijks verwoordbaar verdriet - dit gedicht is een diep ontroerende bezwerende klaagzang.
Deze volkomen onbescheiden en ongegeneerde poëzie zoekt het in klinkende woorden en beelden, zoekt het in het zangachtige dat kenmerkend is voor de beste Friese poëzie, zie nu bijvoorbeeld ook het werk van Tsjêbbe Hettinga, dat wel hemelsbreed verschilt van dat van Tamminga maar vergelijkbare lagen en beelden aanboort. In het Nederlands schreef misschien alleen Gorter deze poëzie, of Roland Holst, maar deze laatste dan zonder het indringend persoonlijke. Nu is er niemand meer die zo schrijft, of alleen heel even, zoals soms Lucebert deed. Poëzie is in dit gedicht bij Tamminga een middel om beelden te zoeken en te bewaren, maar ook een ritueel om de werkelijkheid mee te bezweren en dat aan anderen te demonstreren. 'Ik rop syn namme tsjin de simmersee’, zo begint het. Men kan het nu voor het eerst in het Nederlands lezen, het is in z'n geheel opgenomen in de net verschenen tweetalige bloemlezing uit Tamminga’s werk, De citadel, in een geslaagde vertaling van Jabik Veenbaas.
TAMMINGA IS EEN dichter met een groot verantwoordelijkheidsgevoel voor de eigen taal, ook voor de sprekers van de taal. Misschien is dat laatste wel kenmer kend voor veel Friese dichters. Schrijvers moeten voor de gewone man en vrouw schrijven, vinden ze vaak, niet daarboven staan, een voorbeeld zijn in taal. Ze moeten een stevige literaire basis hebben, vond Tamminga lange tijd, 'mar tagelyk ek in folksaardige ynslach’. Soms gaat dit bij minder goede schrijvers dan Tamminga zo ver dat ze 'volks’ gaan schrijven, flauwe anekdoten over 'het platteland’ vertellen of terugvallen in clichébeelden en mythen over het 'Fries eigene’, wat dat ook moge zijn.
Bij Obe Postma, een andere grote Friese dichter, vind je dit 'volkse’ denken ook wel terug, af en toe tot op het gênante, hij schrijft bijvoorbeeld in een gedicht uit 1909 (ik citeer in de vertaling van Jabik Veenbaas): 'O, ’t volk in mij te weten, die het ken en draag!/ Mijn werk zal zonder prent van daad niet zijn gedaan!’ Maar ook Tamminga opent nog in 1945 zijn bundel Nije gedichten, waarin modernistische tendenzen toch al stevig doordringen, met het gedicht 'Folk’, dat begint met: 'Sjong yn my óp, folk’, (begin in mij te zingen, volk). Veenbaas laat dit gedicht in zijn bloemlezing weg, ten onrechte vind ik, omdat het wel iets zegt over een ambitie van de taalbewuste en strijdvaardige dichter.
Tamminga levert overigens op veel andere manieren bijdragen aan de Friese taal. Hij is tot zijn pensioen wetenschappelijk medewerker bij de Fryske Akademy en werkt aan het meerdelige Friese woordenboek Wurdboek foar de Fryske taal, dat sinds de jaren tachtig verschijnt, hij speelt een grote rol bij de totstandkoming van de nieuwe Friese spelling - nu nog kunnen de gemoederen in deze gewesten daarover hoog oplopen.
In Trochpaden vertelt hij zeer smakelijk over zijn belevenissen in en visie op de Friese literaire wereld. Tamminga raakte al ver voor Gerard Reve betrokken in een literair schandaal, hij noemt het spottend zijn eigen ezelsproces. Hij schreef een satirisch stukje over een boek van ene Van der Werf, een nu allang vergeten Friese schrijver, en noemde hem een 'vulgaire en ûnsindlike geast’ en een 'ezel’. 'Mei sokke ezels moatte wy yn Fryslân nou op 'en paad, of better sein, yn e berm lâns’ (Met zulke ezels moeten wij dus in Friesland op pad, of beter gezegd, de bermen langs). Van der Werf pikte dit niet en er kwam eind jaren vijftig zowaar een rechtszaak van, met veel publiek, pers en gedoe. De heren rechters vonden toen dat het geen pas gaf omdat deze 'beledigingen’ in een blad waren verschenen dat voor het volk (!) was bedoeld. Tamminga moest vijftig gulden boete betalen. 'Dat had ik er wel voor over’, vertelt hij er verlekkerd bij.
TAMMINGA KENT de Friese literaire wereld van haver tot gort, hij stond er zijn hele leven met zijn neus bovenop. Hij was lange tijd redactiesecretaris van het prominente literaire blad De Tsjerne dat in 1946 door Fedde Schurer was opgericht. Gelukkig blijken Friese schrijvers in ruziemakerij, rellerigheid en achterklap weinig onder te doen voor hun anderstalige collega’s in Nederland, maar je neemt wel je pet af bij zo veel ruzie en gekonkel tussen zo weinigen. Hij vertelt er zeer geestig over in dit mooie herinneringsboek. Een hoogtepunt is wel zijn verhaal over Kneppelfreed (Knuppelvrijdag), de eerste provo-achtige rel in Nederland na de oorlog. Fedde Schurer moest op vrijdag 16 november 1951 voor de rechter verschijnen omdat hij in zijn krant een Heerenveense rechter had beledigd die zich minachtend over het Fries had uitgelaten. Er waren eerst beledigende spreekkoren tegen het gezag en daarna namen een paar aanwezigen, onder wie Tamminga, Schurer op de schouders en wilden hem in triomf door Leeuwarden voeren. Er braken relletjes uit - reboelje heet dat zo treffend in het Fries - en de politie greep met keiharde hand in. Er vloeide waarachtig bloed. Tamminga was er dus prominent bij, je móest hierbij zijn, anders was je als Friese schrijver geen knip voor de neus waard. En hij liep een paar forse meppen op waar hij later maar wat trots op was en nog is.
Geart de Vries heeft met Trochpaden geen biografie willen schrijven over deze markante dichter en taalman, wel heeft hij een liefdevol verslag gemaakt van Tamminga’s herinneringen. Hij is erin geslaagd Tamminga’s toon, diens geestige zelfspot en relativerende houding zwierig over het voetlicht te krijgen.
Je kunt niet zeggen dat Tamminga een objectief beeld geeft van het wel en wee van de Friese literatuur, het is zíjn beeld. Ik verheug me nu al op het gekrakeel dat hier over sommige kwesties opnieuw zal losbarsten. Er breken weer mooie tijden aan in Friesland.