Downtown

Industry door de Bang on a Can All Stars, Sony Classical SK66 483.
Toen het New Yorkse Bang on a Can-festival twee jaar geleden een marathonconcert op het Holland Festival gaf, reageerden de Nederlandse muziekcritici en kenners nogal lauw: was dit alles, was dat nou zo'n groot verschil met wat Nederlandse componisten presteerden? Waren deze op de keper beschouwd niet beter? Het is waar dat het Bang on a Can (BoaC) in de eerste plaats binnen de specifiek Newyorkse situatie een belangrijke rol vervulde. Als eersten slaagden de organisatoren (de componisten Julia Wolfe, Michael Gordon en David Lang) erin de rigide scheidslijn tussen uptown (de academische muziekwereld) en downtown (de experimentele hoek) te slechten. ln de beste traditie van het postmodernisme was voor hen stijl niet langer een criterium, maar telden louter kwaliteit en originaliteit. Met andere woorden: het BoaC loste een puur lokaal probleem op, waar het Amsterdamse publiek terecht niet van wakker lag.

The Bang on a Can All Stars, sinds enkele jaren het huisensemble van het jaarlijkse festival, maakte afgelopen zaterdag hun come-back in Paradiso. En nu kon niemand meer om de muzikale implicaties heen van het opheffen van de tegenstelling tussen officiële en officieuze muziek. ln de composities die de All Stars presenteerden worden - volkomen onbevooroordeeld en pretentieloos - de verworvenheden van de ‘nieuwe’, de experimentele en de popmuziek op een hoop geveegd.
In Lick van Julia Wolfe dienen een reeks vlijmscherpe, kale meppen, die collectief door het ensemble worden uitgedeeld, als opmaat voor een stevige rock. Doorspekt met ongemakkelijke stiltes, een geraffineerd contrapunt in de stemvoering en gecompliceerde ritmische passages, staat Lick model voor de manier waarop in de Newyorkse muziek de sound van de popmuziek - hard, agressief en rauw - wordt gecombineerd met structuren uit de gecomponeerde muziek. Anders gezegd: het fysieke aspect van popmuziek wordt verenigd met de behoefte aan een intellectuele uitdaging. Kom daar in de Nederlandse muziek maar eens om! Hoewel tal van componisten prat gaan op het feit dat ze ooit in een bandje hebben gespeeld, is de fysieke kracht van het ritme in de meeste composities volkomen geabstraheerd.
Zoniet bij de BoaC'ers! In de bezetting van de All Stars - piano, cello, elektrische gitaar, klarinet, contrabas en percussie - valt de prominente aanwezigheid van het drumstel op. En zonodig knalt dat met een stevige funky beat overal over heen. Naast Lick lieten de All Stars andere geslaagde voorbeelden horen: Arapua van de Braziliaanse componist Hermeto Pascoal, Cheating, Lying, Stealing van David Lang en Paint it Black, een solo die Michael Gordon schreef voor contrabassist Robert Black. Zoals in Paint it Black de groezelige, gesmoorde flageoletten op de bas, via een meedogenloos gezaag (vlak bij de kam) dat het instrument doet piepen van ellende, uiteindelijk uitmonden in een mooie, volle en zuivere melodie, zo is ook in Cheating, Lying, Stealing sprake van constructie en deconstructie. Het ensemble, met aan weerszijden twee bespelers van een naargeestig klinkend stuk metaal, laat unisono een krachtig ritme horen. Het motief wordt steeds opnieuw herhaald maar met een hortende stroefbeid alsof er zand in de machine wordt gestrooid. Dan worden deze zelfde noten getransformeerd tot een prachtige legato melodie, waarbij dat tergende metaal plaats maakt voor een twinkelende triangel. Dat genot is van korte duur: de expressieve frase verbrokkelt opnieuw tot losse agressieve noten.
Over enkele weken verschijnt in de winkel een eerste cd van de All Stars. Het verschil met eerdere BoaC-cd’s is dat Industry wordt uitgebracht door Sony - net als de verhuizing dit seizoen naar het prestigieuze Lincoln Centre, een teken dat BoaC al lang niet meer zo jongehonderig is als bij de start in 1987. Maar van deze sociaal-commerciële upgrading is in de stukken gelukkig nog niets te horen.