20 juni 1927 – 9 september 2009

Dr. E.M. Janssen Perio

Evert Maarten Janssen Perio was een van de Grote Drie der Nederlandse ingezonden-brievenschrijvers en polemiseerde zijn hele leven met alles en iedereen. Zijn sociale vaardigheden bleven enigszins achter bij zijn buitengewone eruditie.

BIJ RECENTE PUBLICATIES over Johan Polak en Rob van Gennep – de twee uitgevers wier postume roem inmiddels legendarische proporties heeft aangenomen – is herhaaldelijk een foto uit 1962 afgedrukt waarop de twee mannen, samen met de reclameschrijver en dichter Martin Veltman, het laatste nummer van het door hen uitgegeven tijdschrift Cartons voor letterkunde verscheuren. Wie de foto aandachtig bestudeert ziet dat zich tussen de linkerhand van Martin Veltman en de gebalde vuist van Johan Polak de elleboog bevindt van een vierde persoon. Uit het colofon van de Cartons blijkt dan ook dat dit tegenwoordig totaal vergeten tijdschrift, dat verscheen tussen december 1959 en mei 1962, nog een vierde redacteur had: de historicus Evert Maarten Janssen Perio. Dat hij meestal niet op die foto staat lag niet aan de fotograaf – zijn vrouw Ingeborg – maar vermoedelijk aan de schaar van Hedda van Gennep, die de foto beschikbaar stelde. Dat van Janssen Perio op die foto slechts een elleboog te zien is, is opmerkelijk én ironisch. Opmerkelijk, omdat hij van de vier redacteuren verreweg de meest productieve was, terwijl de ironie vooral schuilt in het feit dat Janssen Perio nooit heeft geleerd hoe hij zijn ellebogen moest gebruiken, zoals hij ook niet bedreven was in het hanteren van de stroopkwast. Bij de vele kwaliteiten en talenten die hij bezat ontbrak het hem aan een zekere sociale handigheid, aan het vermogen tot behagen en het efficiënt doceren van kritiek en lof.
Evert Janssen, die het grootste deel van zijn leven in het door hem geminachte Rotterdam woonde, kwam uit een links nest. Zijn ouders kenden elkaar uit de geheelonthoudersbeweging en zijn grootvader schreef eind negentiende eeuw in Domela Nieuwenhuis’ blad Recht voor Allen en voerde later actie voor de invoering van ‘staatspensioen voor iedereen’. Van deze grootvader erfde Evert Janssen een grote schrijfdrift en een bijzonder polemische instelling, terwijl hij als auteur een van diens vele pseudoniemen – Perio – gebruikte als achtervoegsel bij zijn anders zo weinig opvallende naam.
Na zijn studie geschiedenis in Amsterdam en Leiden begon Janssen Perio vrijwel onmiddellijk met het maken van een forse reeks vijanden. Zo werkte hij een van zijn doctoraalscripties om tot een artikel voor het door Van Oorschot uitgegeven blad Libertinage, waarin hij de vermaarde historicus Jan Romein scherp aanviel en diens geschriften over de Sovjet-Unie afdeed als ‘ideologisch gekeuvel’. Zijn felle anticommunisme bezorgde hem ook een ware boezemvijand: het weekblad De Groene Amsterdammer. In 1952 publiceerde hij in Socialisme en Democratie het artikel ‘Het groene van De Groene’, waarin hij het weekblad er – terecht – van beschuldigde overdreven kritisch te berichten over het Westen en de toestanden aan gene zijde van het IJzeren Gordijn te vergoelijken. Wat hem vooral irriteerde was het feit dat de uitgebreide en vaak deskundige aandacht die De Groene besteedde aan kunst en cultuur fungeerde als glijmiddel om een perfide politieke boodschap aan de man te brengen. Tot in de jaren tachtig zou Janssen Perio De Groene bijzonder kritisch blijven volgen en in totaal vier grote, uitstekend gedocumenteerde artikelen schrijven over die Amsterdamse fellow travellers. Na de komst van Martin van Amerongen ontstond er een levendige correspondentie tussen de nieuwe hoofdredacteur en de Koude-Oorlogsveteraan. Naast de vele ingezonden brieven werden er af en toe ook artikelen van Janssen Perio geplaatst. Toen Van Amerongen hem op zekere dag uitnodigde om eens te komen praten had adjunct-hoofdredacteur Antoine Verbij in het redactievertrek een levensgroot portret van Stalin opgehangen. Na enkele seconden van vertwijfeling en argwaan besefte de inmiddels bejaarde communistenvreter dat dit een grap was.
Hoewel Van Amerongen hem ooit betitelde als een van de Grote Drie der Nederlandse ingezonden-brievenschrijvers (met Henriëtte Boas en Marius Flothuis), en hoewel hij inderdaad de Nederlandse bladen voortdurend bestookte met epistels waarin hij luie en ondeskundige journalisten op de vingers tikte, doet men Janssen Perio onrecht als men in hem niet méér ziet dan een querulant. Vóór alles was hij een buitengewoon erudiete cultuurhistoricus. Zijn proefschrift uit 1970, Jacob Burckhardt und die Renaissance, getuigde van enorme kennis van het werk van wellicht de grootste historicus aller tijden. Hoewel hij negen jaar later nog Jacob Burckhardt und die Griechen publiceerde, zag hij uiteindelijk af van zijn plan om in een tiendelige reeks Burckhardt-Studien alle aspecten van het oeuvre van de Bazelse historicus te belichten.
Behalve op het schrijven van talloze artikelen in vaktijdschriften besloot Janssen Perio – die kort voor zijn pensionering een aanstelling kreeg bij de Universiteit van Amsterdam en het grootste deel van zijn loopbaan docent was aan het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam – zich vooral toe te leggen op het publiceren van boeken voor een breder publiek. Hiervan was vooral Een nieuwe wereld – over de Renaissance en de grote ontdekkingsreizen – een geslaagd voorbeeld. Veel erkenning heeft hij echter nooit gekregen, waarbij zeker een rol heeft gespeeld dat hij na zijn aanvallen op Romein en De Groene nog talloze anderen op de tenen is getreden. Als Janssen Perio een boek waardeloos vond, verloor hij zich nimmer in mitsen en maren, maar sabelde hij het opgewekt neer. Betrokkenen en anderen hadden daar weinig waardering voor. Vandaar dat, tot zijn ergernis, ook zijn Hoe helder is Heidegger? (2001) vrijwel geheel werd genegeerd.
De laatste jaren beet hij zich vast in wat de definitieve afrekening met Jean-Paul Sartre moest worden. Suggesties om deze boezemvijand te laten rusten en alsnog dat definitieve boek over zijn held Burckhardt te schrijven wees hij lachend van de hand. Hoewel hij in de omgang bijzonder hartelijk, belangstellend en gul was, bleef zijn kritische en polemische geaardheid hem tot aan zijn ziekbed in de weg zitten.