Dr. g. puchinger

Sinds Colijn vorige week als oorlogsmisdadiger werd ontmaskerd, staat ook zijn eerste en tot voor kort enige biograaf in een kwade reuk. Begrijpelijk, maar niet helemaal terecht. George Puchinger is gewoon geen historicus die je naar hedendaagse maatstaven kunt beoordelen. ..LE VORIGE WEEK woensdag verscheen het eerste deel van Herman Langevelds opzienbarende Colijn-biografie. Het was die dag op de kop af twee jaar geleden dat de Akademiepenning 1996 van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, afdeling Letterkunde, werd uitgereikt aan de man die tot voor kort te boek stond als dÇ Colijn-autoriteit, dr. G. Puchinger.

Sinds een week echter is Puchinger de man die de meest belastende feiten over Colijn decennialang heeft verzwegen. Dat zijn beeld van Colijn buitengewoon positief was, en dat hij zijn gereformeerde lezers in 1962 niet wilde shockeren en daarom niet vertelde dat zijn held ooit bij het stranden van een schip naakt het dek op moest, dat was nog tot daar aan toe. Maar het met de mantel der liefde bedekken van iets wat heden ten dage een oorlogsmisdaad genoemd zou worden, dat is voor een historicus natuurlijk een onvergeeflijke fout.
Nu was George Puchinger, die zich momenteel door ziekte niet in staat acht te reageren op de kritiek, als historicus nooit onomstreden. Zijn Colijn-boekje uit 1962 was een bewerking van dagbladartikelen en had geen wetenschappelijke pretenties. Zijn dissertatie uit 1969, het eerste deel van de trilogie Colijn en het einde van de coalitie, had die pretenties uiteraard wel. Niettemin was het boek onderwerp van strenge kritiek. Puchingers onderwerpskeuze zou niet bijster gelukkig zijn; voetnoten en citaten waren veel omvangrijker dan de oorspronkelijke tekst; de bronverwijzing was schimmig, en van de secundaire literatuur zou slechts mondjesmaat gebruik zijn gemaakt. Toch mogen andere historici Puchinger dankbaar zijn voor zijn tomeloze graaf- en spitwerk, want Colijn en het einde van de coalitie vormt een schier onuitputtelijke Fundgrube als het gaat om de Nederlandse politiek tussen de wereldoorlogen.
ERNSTIGER was echter de kritiek van historici die Puchinger in een andere hoedanigheid tegen het lijf liepen. Na het overlijden van zijn leermeester, de briljante en ultrareactionaire historicus Carel Gerretson, had Puchinger van de Bataafsche Petroleum Maatschappij opdracht gekregen om Gerretsons Geschiedenis der Koninklijke te voltooien. In 1960 kwam Puchinger in dienst van de BPM, de voornaamste werkmaatschappij van de Koninklijke/Shell. Hij beheerde er het archief en bezorgde de nalatenschap van Gerretson, die enige jaren secretaris was geweest van Colijn in diens hoedanigheid van BPM-directeur.
In november 1918 had Gerretson een belangrijke rol gespeeld bij het verijdelen van Troelstra’s halfbakken revolutiepoging. Toen H.J. Scheffer voor zijn uit 1968 daterende dissertatie November 1918 het archief-Gerretson wilde raadplegen weigerd Puchinger hem de toegang. Toen Scheffer het jaar daarop in Puchingers proefschrift wel citaten uit de papieren van Gerretson tegenkwam, probeerde hij het nogmaals. Wederom zonder succes.
Puchinger ging met de aan hem vertrouwde archieven om alsof ze zijn privÇ-bezit waren. Ook Hans Blom kwam hier achter bij zijn studie naar de muiterij op de Zeven Provinci‰n. Voor hem bleef het archief-Gerretson eveneens gesloten, en over het ‘politiek dagboek’ van Colijn kreeg bij van Puchinger te horen dat het niets bevatte dat voor zijn onderzoek van belang was. Halverwege de jaren tachtig deed de hoogleraar Economisch-Sociale Geschiedenis aan de VU, Richard Griffiths, onderzoek naar het monetaire beleid in de jaren dertig. Hij kreeg slechts moeizaam toegang tot het archief-Colijn. Dat bevindt zich immers in het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme, waarvan Puchinger directeur was. Toen hij eindelijk onderzoek mocht doen, bleken verschillende dozen in het archief-Colijn leeg te zijn. Bij navraag bleek Puchinger deze papieren 'onder handen’ te hebben, zodat Griffiths ze niet kon raadplegen.
BIJZONDER FRAAI is dit allemaal niet, maar betekent dit nu dat Puchinger als historicus een volstrekt verwaarloosbare figuur is? Wie een meer dan oppervlakkige blik werpt op zijn omvangrijke oeuvre, zal geneigd zijn te concluderen dat deze man te laat geboren is. In veel opzichten is de in 1921 geboren Puchinger namelijk een typische negentiende-eeuwer. Nadat hij in 1940 zijn studie was begonnen aan de Rijksuniversiteit Utrecht, kon hij zich niet beperken tot ÇÇn studierichting. Alle humaniora hadden zijn belangstelling en hij verslond het ene boek na het andere. Hierbij moet aangetekend worden dat hij zich niet beperkte tot die auteurs die in gereformeerde kring bon ton waren.
Uiteindelijk deed Puchinger kandidaatsexamen Indisch Recht, om in 1955 af te studeren in de wijsbegeerte. Zijn wetenschappelijke loopbaan verliep buiten het universitaire bedrijf om. Tot zijn pensionering werkte hij bij Shell, zij het vanaf 1970 parttime. In dat jaar werd namelijk het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme opgericht. Tot 1986 was hij hiervan directeur. Puchinger was zodoende weinig tijd kwijt aan eindeloze vergaderingen en behoefde bovendien geen onderwijs te geven. Als een negentiende-eeuwse geleerde kon hij eindeloos veel lezen en schrijven. Naast de al genoemde boeken gaf hij het verzameld werk van Gerretson uit, en bezorgde hij diens correspondentie met Geyl (5 delen) en P.N. van Eyck. Voorts schreef hij boeken over Tilanus, Drees, Zijlstra en Schermerhorn en publiceerde hij twaalf bundels interviews, zoals Is de gereformeerde wereld veranderd en In gesprek met het kabinet-Van Agt. De beleefdheid, soms zelfs onderdanigheid die uit deze vraaggesprekken blijkt, doet ook al enigszins negentiende-eeuws aan. Begin jaren tachtig verscheen een groot aantal bundels met artikelen, zoals Ontmoetingen met Nederlandse literatoren en Ontmoetingen met de jaren dertig.
In al deze boeken is Puchinger de gedreven verteller, die anderen wil laten delen in zijn fascinatie voor het verleden. In een essay getiteld 'Over de hartstocht van de ware geschiedschrijver’, hield hij een warm pleidooi voor een menselijke, levendige vorm van geschiedschrijving, die volgens hem aan universiteiten zelden beoefend werd. De historicus moest in zijn boeken niet te veel debatteren met collega’s. In 1996 zei hij hierover in een interview met Hervormd Nederland: 'De geschiedschrijver moet zijn verhaal vertellen, en daarmee zijn lezers voeden. De koks moeten voor de bezoekers van het restaurant koken, en niet elkaar met lange messen te lijf gaan.’ Als hij ergens een broertje dood aan heeft, is het aan sceptische historici. Zijn tragiek is dat hij als historicus op het toneel kwam in de jaren zestig, toen de debunking van historische figuren mode werd.
HOEWEL HIJ soms wel degelijk polemiseert, heeft dit niet zijn voorkeur. 'Polemische geschiedschrijving verraadt (…) soms ten diepste onverwerkte actuele vraagstukken waarmee de schrijver bezig is, en waarmee hij innerlijk nog niet gereed is’, schreef hij in het genoemde essay. Ook heel juist - en eveneens van toepassing op Colijn - is wat hij schreef in een artikel over Klaas Schilder: 'De omstreden figuur vraagt van de historicus een extra nauwgezette verzorging, reeds omdat hij weet dat de lezers van zijn verhaal deels met de rug naar elkaar toe zitten en elkaar het licht dreigen te ontnemen.’ De vraag is alleen: valt het verzwijgen van onaangename feiten ook onder die 'nauwgezette verzorging’? Aan het eind van hetzelfde artikel wordt duidelijk waar het Puchinger om te doen was: 'De wetenschap wil niets verbergen en verzwijgen, niets verfraaien, maar wel kent zij met Plato niet alleen de verwondering maar ook de bewondering, die zij zich door geen geseculariseerde, bleke scepsis, door geen ontluisterende debunking en door geen schemer van vergetelheid laat ontnemen. Zij zoekt liefdevol z¢ dicht bij een herdachte en zijn wereld te komen, als de dichter Gerrit Achterberg formuleert: “Ik ben niet verder van u af/ dan de dikte van deze steen/ en die boven uw graf.”’
In een brief ter voorbereiding van het HN-interview schreef Puchinger dat hij literatuur en 'muzische theologie’ veel mooier vond dan parlementaire geschiedenis. Vermoedelijk ziet hij, net als Huizinga, de historicus in de eerste plaats als kunstenaar, en daarna pas als wetenschapper. In de negentiende eeuw kon dat nog, maar aan het einde van de twintigste eeuw blijft zo'n houding niet ongestraft. Dat is de tragiek van Puchinger, die er nooit in geslaagd is wetenschap en literatuur met elkaar te verenigen.