Draadloos telefoneren met de olympus

Evert Hartman, De vloek van Polyfemos. Uitgeverij Lemniscaat, 219 blz., f28,50. Imme Dros, Odysseus, een man van verhalen. Uitgeverij Querido, 212 blz., f27,50. Homeros, Odysseia. Vertaling Imme Dros. Uitgeverij Querido, 430 blz., f49.90. Informatie voorstelling Frank Groothof: 020-6932810.
Tijdloos? Homerus is mode! Zijn Odysseus dartelt vandaag de dag onder saxofoonbegeleiding over het toneel, en in recent verschenen boeken vergaderen de goden nota bene - inclusief notulen, agenda en rondvraag.

ZES JAAR GELEDEN publiceerde Imme Dros haar jeugdroman De reizen van de slimme man. Kleine Niels krijgt door zijn oude buurman eindeloos voorgelezen uit De Odyssee, in het Grieks. Meneer Frank had het boek tijdens zijn onderduikperiode uit het hoofd geleerd. Op het ritme van de hexameters beleefde het jongetje zijn eigen avonturen. Later zet de fascinatie voor het boek hem op het spoor van de literatuur en het schrijverschap.
Die fascinatie moet ook die van de schrijfster zijn geweest, want in hetzelfde jaar begon ze aan een bewerking voor jongeren van Homerus’ vertellingen over Odysseus. Het wilde niet lukken. De oude meester liet niet met zich sollen. Of, zoals Dros het zelf in een interview uitlegde: ‘Er valt niet te snijden in een meesterwerk. Het is een organisme en als je er iets uithaalt, hak je er een poot af. Het boek heeft me letter voor letter veroverd.’ En zo lag er in 1991 een compleet nieuwe, glanzende vertaling. Met name het creatieve gebruik van gewone mensentaal moet hebben bijgedragen aan de oplevende belangstelling voor 'de man van duizend listen’, met als voorlopig hoogtepunt de integrale radiolezing door Ton Lutz. En nog heeft Dros het idee van een bewerking niet los kunnen laten. Onlangs verscheen Odysseus, een man van verhalen.
Voor jonge mensen is het inmiddels niet meer de enige mogelijkheid om met Homerus kennis te maken. Voor een eerste indruk van Odysseus’ rampzalige thuisreis kunnen kinderen (vanaf een jaar of zes) dit seizoen terecht bij Frank Groothof, die in zijn serie operaprodukties momenteel Monteverdi’s Thuiskomst van Odysseus brengt, samen met een saxofoonensemble. Qua verhaal concentreert hij zich op de spannende passages over het blind maken van de Cycloop en het uitschakelen van de vrijers. De componist blijft in de schaduw van de 'librettist’, want Monteverdi is met de adem van vier saxofoons in zijn nek soms niet meer zichzelf en Groothof is geen verpletterend zangtalent. Wel is hij als verteller meeslepend en onweerstaanbaar in zijn inventieve, komische gedaantewisselingen.
DAT SMAAKT NAAR meer Homerus en dat is te vinden in De vloek van Polyfemos van Evert Hartman. Het boek verscheen begin dit jaar, vlak voor zijn plotselinge dood. Als auteur van spannende, conventioneel geschreven en nogal moralistische jeugdromans lijkt Hartman niet de aangewezen persoon om zich te wagen aan Homerus’ versvoeten. Het gaat hem dan ook primair om het navertellen van Odysseus’ avonturen, die hij aaneenrijgt tot een soort script voor een televisieserie. Wie wil weten hoe het zat met de grote Griekse held kan het allemaal lezen, van de Lotuseters, Polyfemus, de Scylla en de Charibdis, Penelope, Telemachus, de vreselijke vrijers, het bed in de olijfboom en de treurige hond, die wacht met sterven tot de baas er weer is.
Het domweg achterelkaar zetten van zoveel wonderlijke gebeurtenissen en figuren heeft een enigszins afstompend effect. De lezer raakt buiten adem omdat hij het moet doen zonder de ruziende goden, die de geschiedenis een kader geven en bovendien een nogal komische rol vervullen. Wat ook ontbreekt zijn de uitgebreide beschrijvingen van maaltijden, gastvrije ontvangsten, personen en situaties, die met hun haast rituele karakter zorgen voor een zekere rust.
Hartman laat Odysseus over de wateren zwalken in enigszins gedragen, maar toegankelijk proza, waarin hij er voor jongere lezers geen doekjes om windt: 'Jij wilt mij verleiden en mijn ballen er afsnijden’, veronderstelt Odysseus tegenover Circe. Van de oorspronkelijke sfeer probeert hij iets te behouden door het rondstrooien van klassieke formuleringen en brokjes dichterlijkheid. Zo is Poseidon de aardschokker en Odysseus de stedenverwoester, en de roeiers 'slaan het water van de grijze zee’. Er staat: 'Eos de godin van de dageraad stak haar stralende handen boven de kim’, en over Odysseus’ moeder in de onderwereld: 'Als een ademtocht loste ze op in het duister van de nacht.’
In combinatie met het triviale karakter van Hartmans eigen pen, met veel actiebeschrijving en veel 'siste, snauwde, snerpte, gromde, gierde hij’, leveren deze zinnetjes soms een wonderlijke stijlhutspot op. Maar als voorbereiding op het echte werk hebben ze misschien een functie. Hartman zelf is de door Homerus aangeroepen Muze, de alwetende verteller die de lezer van avontuur naar avontuur leidt.
In de bewerking van Imme Dros is dat wezenlijk anders. Zij biedt het complete verhaal aan in flarden die voortdurend een andere verteller hebben. Zo ontstaat het beeld van de godenvergaderingen op de Olympus uit de door Hermes opgestelde notulen, inclusief agenda en rondvraag. Pallas Athene verslaat het resultaat van haar bemoeienissen met Odysseus en Telemachus via een soort draadloze telefoonverbinding met de Olympus: 'Zeus, Athene hier. Ik sta aan het strand van Ithaka vermomd als koning Mentes van Tafos en ik verbaas me over de stervelingen. Hun lot is ellendig, hun einde is de dood en ze blijven maar hopen dat het beter wordt.’ Vader Zeus zucht over zijn ruziende dochters en heeft behoefte aan 'een goed gesprek met een zoon’.
Dat gebeurt bij Hefaistus, waar en passant aan de orde komt hoe deze zijn vrouw Afrodite en haar minnaar Ares betrapte met zijn wonderweb. De Cycloop vertelt de ongelukkige affaire met zijn oog aan Poseidon, die eens komt horen hoe het nu gaat met zijn zoon. Die krijgt direct de wind van voren omdat hij Odysseus’ makkers opvrat: 'Stervelingen of geen stervelingen, het waren je gasten! Gasten zijn onschendbaar. Heeft je moeder je dan helemaal geen opvoeding gegeven?’
Mooi is het loflied van de vrijers op Penelope, in honderd korte zinnetjes onder elkaar: 'Haar ogen zijn duiveogen boven haar sluier./ Hoe lang nog, hoe lang nog!/ Als ik haar eenmaal heb, zal ze piepen./ Ik moet vanavond minstens drie slavinnen.’ En het is natuurlijk Telemachus die de moord op de vrijers mag vertellen, klein en schuldig omdat hij heeft vergeten de wapenkamer af te sluiten, maar allengs groeiend omdat hij eindelijk samen met zijn vader is: 'We vechten. Ik ben bang en ik vecht, ik ben gelukkig en ik vecht, ik voel haat, medelijden, razernij en verrukking en ik vecht, ik vecht naast mijn vader.’
Hier wordt een jongen volwassen en dat is een accent dat Dros in haar bewerking heeft willen aanbrengen, door extra aandacht te geven aan de zoon die zijn vader alleen kent als de held uit de verhalen. 'Je vader was een bijzonder kind en dat was hij’, zegt de oude voedster, met een oerhollandse knipoog. En Menelaos vindt Odysseus 'zo briljant, inventief en geniaal’ dat er geen woorden voor zijn. Tegen zo'n vader die naar alle waarschijnlijkheid dan ook nog dood is, is het moeilijk opboksen.
ZO IS OOK de toonzetting van de korte inleiding, waarin Dros betoogt dat elke zoon graag een minstens zo grote held wil worden als zijn vader: 'Tijd helpt. De vaders worden moe, de vaders worden oud, de vaders krimpen; en de zoons groeien, kijken hun vader recht in de ogen, kijken op hun vader neer, krijgen zoons, zijn uiteindelijk op hun beurt de held van de dag.’ Wat Dros heeft gedaan, is knap en brengt de verzuchting van Afrodite in gedachten, waar ze vertelt hoe Odysseus Nausikaa inpakt met gevlei: 'Onbegrijpelijk, hoe krijgt een sterveling de woorden zo gewiekst in het gelid!’
Hier is duidelijk een bewerker aan de slag geweest die boven de materie staat en er haar eigen literaire spel mee kan spelen. Door de gebeurtenissen te bezien met wisselende blik worden de verschillende verhaalfiguren scherper omlijnd en komen ze dichter bij de lezer.
Maar de kracht is tegelijkertijd de zwakte van het boek. Als aanloop tot Homerus lijkt het me ongeschikt. Het zonder enige overgang veranderen van perspectief is mooi bedacht en boeiend voor kenners, maar voor wie de verhalen nieuw zijn is het verwarrend en ingewikkeld. Je moet als lezer maar afwachten wie er nu weer aan het woord is en soms moet dat zelfs onbegrijpelijk zijn. De beginneling heeft beslist meer aan Evert Hartman.
Het grootste belang lijkt dat van de bewerkster zelf, die zich moet hebben afgevraagd wat ze met haar kennis van al die Griekse verzen nu nog eens voor moois zou kunnen doen. Dat is niet in het belang van jeugdige lezers, noch in dat van Homerus. Het bewijst Dros’ eigen gelijk om drie jaar geleden uit te komen met een integrale vertaling, een vertaling die bovendien zo helder en uitnodigend van toon is dat je niet zo heel oud hoeft te zijn om je er door te laten verleiden en meeslepen.