Sheila en ik waren beste vriendinnen van ons tiende tot ons dertiende. Ik woonde vier blokken van school en zij twee. ’s Ochtends wachtte ze me op voor haar huis en tegen de tijd dat we bij school kwamen liepen we samen in de pas. Vanaf dat moment tot half zes ’s middags – het moment waarop we van onze moeders thuis moesten zijn – waren we onafscheidelijk. De zomer dat we dertien waren, gebeurde er iets onvoorstelbaars: Sheila stond ’s ochtends niet langer op me te wachten, ze hield geen stoel meer voor me vrij in de klas en na school verdween ze gewoon. Uiteindelijk drong tot me door dat ze, waar ik haar ook maar zag, op de gang of op het schoolplein, in het gezelschap was van een meisje dat nieuw was op school. Op een dag liep ik op het schoolplein naar ze toe.

‘Sheila’, zei ik, met trillende stem, ‘zijn we geen beste vriendinnen meer?’

‘Nee’, zei Sheila met krachtige, vlakke stem. ‘Edna is nu mijn beste vriendin.’

Daar stond ik dan, met stomheid geslagen. Er daalde een kilte over me neer, alsof al het bloed uit mijn lichaam liep; toen, even plotseling, een vlammende hitte, en ik voelde me niksig, lelijk, verloren, gedoemd om te horen te krijgen dat ik nooit goed genoeg zou zijn, nu niet en nooit niet.

Het was mijn eerste kennismaking met vernedering.

Vijftig jaar later liep ik op een warme zomermiddag over Broadway, toen een vrouw die ik niet herkende me de pas versperde. Ze zei mijn naam en toen ik haar vragend aankeek, lachte ze. ‘Ik ben Sheila’, zei ze. De scène op het schoolplein kwam onmiddellijk boven en weer was daar dat ijzige gevoel: kil, lelijk, niksig. Ik was toen niet goed genoeg, ik zou nu niet goed genoeg zijn. Ik zou nooit goed genoeg zijn.

‘O’, zei ik, en ik hoorde hoe mat het klonk. ‘Hallo’, zei ik.

Anton Tsjechov heeft ooit gezegd dat vernedering het ergste is wat het leven voor een mens in petto heeft. Niets, maar dan ook echt niets, heeft zo’n funeste uitwerking op de menselijke ziel als botweg te worden vernederd. Alles wat een mens wordt aangedaan kan uiteindelijk worden verwerkt of overwonnen, maar vernederingen zetten zich voorgoed vast in je hoofd, in je hart, in je bloedvaten, in je slagader. Ze kunnen tientallen jaren blijven etteren, ze kunnen je gevoelsleven danig verstoren.

In Jeanne Dielman maakt de Belgische regisseuse Chantal Akerman precies dát inzichtelijk. De film is met opzet statisch en lijkt zich haast in real time af te spelen (hij duurt drieënhalf uur). We zijn getuige van drie dagen in het leven van een spaarzame weduwe met een tienerzoon. Ze kookt, maakt schoon, doet boodschappen, poetst de schoenen van haar zoon, doet het licht aan als ze een kamer binnenloopt en doet het weer uit als ze weggaat. En o ja, elke middag prostitueert ze zich. Altijd met een keurig ogende burgerman, van wie ze de jas aanneemt, afklopt en ophangt alsof het de jas van haar echtgenoot is. Dan, op een dag, volgen we voor het eerst onze protagoniste en haar klant tot in de slaapkamer, waar we haar onderdanig op bed zien liggen terwijl de man haar neemt. De camera is op haar gezicht gericht: we zien haar blik doelloos ronddwalen, zoals de blik van vele vrouwen in films tijdens ongewenste seks. Dan ineens, zonder ook maar enige waarschuwing, pakt ze een schaar en steekt de klant dood. Einde.

Ik herinner me dat ik als aan mijn stoel genageld zat toen het beeld zwart werd, geschokt maar op de een of andere manier niet echt verrast. In een flits begreep ik: dit is bedoeld voor al die mannen, ook voor die overleden echtgenoot. Zowel binnen als buiten haar huwelijk heeft ze zich haar hele leven geprostitueerd, heeft ze onder een man gelegen die de rekeningen betaalt maar die voor haar eigenlijk niet bestaat. Is het dan verwonderlijk dat een dergelijke deal vroeg of laat leidt tot een kortsluiting in de hersenen die alleen verholpen kan worden met een mes in de borst?

Er zijn een heleboel dingen waar we het zonder kunnen stellen, maar zelfrespect hoort daar niet bij. Je zou denken dat een gebrek aan zelfrespect zich vaak op eenzelfde manier uit, maar de omstandigheden waaronder mensen hun gevoel van zelfrespect verliezen zijn zo divers als mensen zelf. Een psychiater die mannen interviewde die vastzaten voor moord en andere geweldsmisdrijven vroeg aan elk van hen waarom ze het hadden gedaan. In vrijwel alle gevallen luidde het antwoord: ‘Ik werd gekleineerd.’ Aan de andere kant heb ik een neef, een arts, die zich al gekleineerd voelt als hij in een winkel te weinig wisselgeld terugkrijgt. En dan zijn vrouw: als op een feestje een andere vrouw dezelfde jurk draagt als zij, voelt ze zich vernederd. Mijn voormalige schoonmoeder leverde voortdurend kritisch commentaar, wat ik vaak wel amusant vond; de tweede vrouw van mijn man voelde zich er ten diepste door gekwetst. Ze belde me vaak op en siste dan in de hoorn: ‘Weet je wat die heks vanochtend tegen me zei?’ Vervolgens herhaalde ze zinnetjes die ik als onschuldig had ervaren. En dan is er nog de getuigenis van Primo Levi, in zijn concentratiekampmemoires Zo was Auschwitz. Levi schrijft dat het, gezien het immense aantal doden en de verwoesting die om hem heen plaatsvond, nogal opmerkelijk was dat de ultieme vernedering, die hem de rest van zijn leven helder voor de geest zou blijven staan, het moment was waarop een kapo, die niets kon vinden om zijn vieze hand aan af te vegen, zich naar Levi draaide en zijn hand afveegde aan Levi’s schouder. Dat was het moment waarop Levi in zijn diepste wezen ervoer wat het betekende om als ding te worden gezien.

Ik denk dat de overtrokken reactie op vernedering uniek is voor onze soort. Al deze mensen – Levi, de mannen in de gevangenis, mijn neef, de vrouw van mijn ex – kregen door een gebrek aan respect het gevoel dat hun bestaansrecht niet alleen in twijfel werd getrokken, maar vrijwel geheel werd uitgevaagd. Vervolgens hadden ze – stuk voor stuk – de neiging om onder het rotsblok vandaan te kruipen dat al die tijd hun buitensporige vermogen om zich te schamen op zijn plaats had gehouden, en wild om zich heen te schieten. Als we onszelf beschouwen als een dier onder de dieren, vergissen we ons. Want dat is precies wat we niet zijn. Een viervoeter kan als een wilde tekeergaan als hij wordt aangevallen door een andere viervoeter en niet rusten voordat hij zijn belager heeft gedood, maar hij kampt niet met de wraakgevoelens die gewonde, rechtop lopende dieren koesteren nadat ze zijn vernederd.

Er zijn een heleboel dingen waar we het zonder kunnen stellen, maar zelfrespect hoort daar niet bij

In David Runcimans recensie van een boek geschreven door cricketspeler Shane Warne las ik dat Warne eigenlijk Australian-football-speler had willen worden, maar dat hij daar niet goed genoeg voor was geweest. Toen bleek dat hij excelleerde in cricket – een van de beste bowlers (pitchers) aller tijden – koos hij voor dat pad naar rijkdom en roem. Maar al die tijd speelde hij ‘met een flinter ijs in zijn hart’. Hij wilde de batsman niet per se verwonden, maar hij hoopte zonder meer hem voor schut te zetten. ‘Diep van binnen’, schrijft Runciman, wilde Warne dat de batsman ‘zich klote zou voelen, net zo klote als hij zich had gevoeld toen hij een brief kreeg dat hij niet goed genoeg was’.

Opmerkelijk is dat Warne zo hardnekkig vasthoudt aan de herinnering aan zijn gefnuikte football-carrière. Elke keer dat op het cricketveld het venijn opspeelde, herbeleefde hij het moment waarop hij het gevoel had gehad dat hij werd afgedankt, een herinnering die op deze manier levend bleef, die hij koesterde en voedde, in de overtuiging dat hij zo zijn talent aanjoeg. Wat Warne, die inmiddels geen professioneel cricket meer speelt, doet met zijn al te sterke betrokkenheid bij wat hem is aangedaan, vertelt Runciman niet, maar er zijn talloze andere voorbeelden van wat er kan gebeuren als iemand zich een leven lang laat gijzelen door het gevoel te zijn vernederd.

Toen in de openbaarheid kwam dat Harvey Weinstein seksuele misdrijven had gepleegd, vroegen sommige mensen zich af waarom hij zichzelf had opgedrongen aan vrouwen die niets met hem wilden, terwijl er ongetwijfeld genoeg vrouwen in Hollywood rondliepen die zonder enig probleem met hem naar bed zouden zijn gegaan. New York Times-columnist Frank Bruni had gelijk toen hij schreef dat het bij Weinsteins ‘hotelkamer-horrorshows net zo zeer om vernedering ging als om lust’. De vraag luidt: wiens vernedering had Bruni in gedachten, die van Weinstein of die van de vrouwen?

Het antwoord luidt: allebei. Stel je eens voor hoe vaak Weinstein honend moet zijn afgewezen voordat hij zijn machtspositie bereikte. Stel je voor hoe die herinneringen dag in, dag uit door zijn zenuwstelsel trokken. Stel je voor hoe hij bij elke blik in de spiegel kippenvel kreeg. Weinig verfijnd als hij was, restte hem misschien geen andere toevlucht dan al die innerlijke fonkelingen afreageren op de vrouwen die hij – zowel in juridische zin (zo meende hij) als in culturele zin (zo wist hij) – kon dwingen hem te gerieven. Voor zo’n wezen kan er nooit voldoende genoegdoening zijn.

Ik begreep voor het eerst iets van de allesvernietigende uitwerking van vernedering op de ochtend dat ik vanaf een straathoek in Greenwich Village het World Trade Center in rook zag opgaan en dacht: dit is de wraak voor een eeuw vernedering.

Sindsdien heb ik ontdekt dat in talloze wetenschappelijke werken wordt gesteld dat een nationaal gevoel van vernedering vaker wel dan niet een doorslaggevende rol speelt bij het besluit van een land de oorlog te verklaren. Evelin Gerda Lindner, een Duits-Noorse psycholoog verbonden aan de universiteit van Oslo, houdt zich al haar hele werkzame leven bezig met de rol die vernedering speelt bij het aangaan van, volharden in en beëindigen van gewapende conflicten. Een land heeft (om welke reden ook) het gevoel ten overstaan van de hele wereld voor schut te zijn gezet en dat gevoel van nationale gekwetstheid wordt van generatie op generatie doorgegeven, totdat er op een dag, al is het nog zo ver in de toekomst, een roep klinkt om vergelding. Historici hebben opgemerkt dat de Franse politiek na de nederlaag in de Frans-Pruisische oorlog van 1870-1871 werd beheerst door een gevoel te zijn vernederd, tot aan het uitbreken van de oorlog in 1914; een vergelijkbare vernedering van Duitsland, na het verliezen van de Eerste Wereldoorlog, leidde tot de opkomst van Adolf Hitler en een mate van wraaklust die bijna de hele westerse wereld fataal is geworden.

Aan het front wordt die toewijding aan de nationale trots vertaald in wat er tussen de individuele strijders van beide partijen speelt. Het is van cruciaal belang dat de soldaat weigert de man in het vijandelijke uniform te zien als een medemens, omdat hij dan niet de trekker kan overhalen; de beste manier om deze weigering tot stand te brengen is de onvervreemdbare menselijkheid te ondergraven die iedereen meent te bezitten.

Primo Levi noemt de nazipraktijken vaak ‘zinloos geweld’, waarmee hij doelt op het feit dat iedereen in Auschwitz – bewakers, wachters, commandanten – wist dat alle gevangenen ofwel naar de gaskamer zouden gaan ofwel een kogel door het hoofd zouden krijgen, maar dat de gevangenen evengoed werden geslagen, dat er naar hen werd geschreeuwd, dat ze een paar keer per week tijdens het appèl uren buiten in de houding moesten staan, naakt, weer of geen weer.

Vóór de oorlogen in Afghanistan en Irak meende ik dat Amerikanen niet tot dergelijke gruweldaden in staat zouden zijn. Na Abu Ghraib was me duidelijk dat Amerikanen net zo goed als de inwoners van willekeurig welk ander land in staat zijn mensen zo diep te vernederen dat leven of dood voor de gevangene een kwestie wordt van onverschilligheid.

Op de ochtend dat ik het World Trade Center in rook zag opgaan dacht ik: dit is de wraak voor een eeuw vernedering

In april 2011 plaatste The New York Review of Books een ingezonden brief van twee rechtsgeleerden die bezwaar maakten tegen de omstandigheden waarin de Amerikaanse legerklokkenluider Chelsea Manning werd vastgehouden: in een isoleercel, waar elke vijf minuten de vraag werd gesteld: ‘Gaat het?’ En uitgerekend de week waarin die brief werd geplaatst werd Manning gedwongen naakt te slapen en naakt voor haar cel te staan voor inspectie.

Volgens de rechtsgeleerden kwam deze behandeling neer op een schending van het Amerikaanse verdrag ter voorkoming van folteren, en zij definieerden de methoden die het leger hanteerde onder meer als volgt: ‘procedures die erop zijn gericht de zintuigen of de persoonlijkheid ingrijpend te ontwrichten’. Zeg dat. Als ik gedwongen zou worden ergens naakt in het openbaar te staan zou dat mijn persoonlijkheid zeker ontwrichten – en ingrijpend ook. De kop van het stuk luidde ‘De vernedering van soldaat Manning’.

Vernedering is bepalend voor de vorm en de structuur van de werken waarin de volgende personages hun opwachting maken: George Eliots Gwendolen Harleth, Emily Brontë’s Heathcliff, Alexandre Dumas’ graaf van Monte Cristo, Nathaniel Hawthorne’s Hester Prynne, Charlotte Brontë’s Jane Eyre, Herman Melville’s Bartleby, F. Scott Fitzgeralds Gatsby, Edith Whartons Lily Bart, Richard Wrights Bigger Thomas. De meeste van deze personages lijden in materiële zin, maar hun materiële nood verbleekt bij de immateriële pijn die ze lijden enkel en alleen omdat ze zich in een positie bevinden die afkeer en angst oproept bij diegenen die alle kaarten in handen lijken te hebben maar toch graag de gekwelde ondergeschikte in de buurt houden – je weet tenslotte maar nooit.

Gwendolen Harleth, uit Eliots in 1876 verschenen roman Daniel Deronda, is van al deze personages degene wier lot me het meest naar adem doet happen. Ze zou model kunnen staan voor een standbeeld, gehuld in Griekse gewaden, met op de sokkel alleen het woord ‘vernedering’. Gwendolen is jong, beeldschoon, heerlijk zelfzuchtig, en op haar achttiende weet ze al dat het huwelijk voor een vrouw gelijkstaat aan slavernij. Maar haar moeder, een weduwe, en haar zussen zitten aan de grond, dus ze zal moeten trouwen – met de rijkste man die haar wil hebben. En daar verschijnt Hensleigh Grandcourt ten tonele, zo’n schetsmatig uitgewerkt karakter dat hij een karikatuur is van de foute victoriaanse aristocraat: afstandelijk, en met een minachting voor de mensheid die zo scherp is dat hij door staal kan snijden. Terwijl Grandcourt Gwendolen het hof maakt is hij berekenend geduldig, voorkomend, zelfs grootmoedig, en geleidelijk laat Gwendolen de angst varen om haar onafhankelijkheid te verliezen, ze verbeeldt zich zelfs dat ze hem om haar vinger zal kunnen winden. Maar eenmaal getrouwd geeft Grandcourt al snel blijk van de specifieke minachting voor een buit die, eenmaal in de wacht gesleept, niet interessant meer is. Hij raakt Gwendolen met geen vinger aan, dringt zichzelf in seksuele zin nauwelijks aan haar op en wat haar bezighoudt laat hem koud. Maar zij is zich (enigszins vergelijkbaar met Isabel Archer in The Portrait of a Lady) voortdurend bewust van de gevangenis die de ijzeren wil van haar man om haar heen heeft opgetrokken (gesanctioneerd door wet en etiquette). Er is nog geen jaar voorbij of Gwendolen realiseert zich dat ze levenslang heeft.

Er is een scène in het boek die voor mij symbool staat voor de ontwrichting van de zintuigen als gevolg van dagelijkse vernederingen in de huiselijke sfeer. Grandcourt heeft een verzameling familiediamanten, bedoeld om in het haar te dragen. Gwendolen haat die diamanten omdat ze haar man inmiddels ook haat en vreest. Op een avond, als de twee zich klaarmaken om naar een feest te gaan, paradeert Gwendolen in al haar zijde-en-satijnpracht voor Grandcourt, in de hoop hem gunstig te stemmen. Ze vraagt of de aanblik hem kan bekoren. Hij neemt haar keurend op: ‘Draag de diamanten’, zei Grandcourt, waarbij hij haar strak aankeek met zijn priemende ogen.

Gwendolen zweeg even, omdat ze geen emoties wilde tonen, maar toch had ze het gevoel dat er iets aan haar ogen was veranderd toen ze hem aankeek. Ze was genoodzaakt antwoord te geven en zei zo achteloos mogelijk: ‘Ach nee, toe. Ik denk niet dat diamanten mij staan.’

‘Wat jij denkt doet niet ter zake’, zei Grandcourt, en zijn sotto voce heerszucht leek een namiddagse rust en raffinement te hebben, net als zijn kleding. ‘Ik wil dat je de diamanten draagt.’

‘Vergeef me; ik vind deze smaragden zo mooi’, zei Gwendolen, angstig ondanks haar voorbereidingen. Die witte hand van hem, die over zijn snor streek, was in staat, stelde ze zich voor, zich rond haar hals te klemmen en te dreigen haar te wurgen; want haar angst voor hem, vermengd met het vage voorgevoel van een rampzalige vergelding, had een bijgelovig hoogtepunt bereikt.

‘Wees zo goed me te vertellen waarom je de diamanten niet wil dragen als ik dat van je verlang’, zei Grandcourt. Zijn ogen waren nog altijd strak op haar gericht en onder zijn blik voelde ze haar eigen ogen versmallen, alsof ze een binnendringende pijn wilde weren.

Gwendolen draagt de diamanten en vanaf dat moment droomt ze er dagelijks van te ontsnappen uit haar bestaan, wat alleen mogelijk lijkt door de dood – die van hem of die van haar, al maakt dat haar al snel ook niet echt meer uit. Het probleem wordt opgelost als Eliot Grandcourt tijdens een vakantie van een boot laat vallen en Gwendolen als verlamd laat toekijken hoe hij verdrinkt, terwijl hij haar smeekt hem een touw toe te werpen. Ze is 22; haar leven is ten einde.

Draag de diamanten. Jarenlang hoorde ik het venijn in Grandcourts stem telkens wanneer ik voelde of zag dat een vrouw wilde losbreken uit de greep van een despotische echtgenoot of geliefde. Haar deerniswekkende situatie – te zijn voorbestemd tot gesanctioneerde onderdanigheid – stond voor mij symbool voor het sadisme dat kan gedijen in intieme relaties, gedoemd om op een dag te eindigen met een kortsluiting in hersenen die het juk niet langer kunnen dragen.

#MeToo liet zien dat grieven die te lang worden genegeerd op een dag een hele beschaving ten val kunnen brengen

Alle verhalen over ongewenste intimiteiten op de werkvloer die boven water kwamen na de opkomst van de #MeToo-beweging in 2017 deden mijn hoofd tollen, al was het maar door de verscheidenheid aan beschuldigingen. Van een hand die te lang op een arm blijft liggen of een opmerking over een sexy jurk tot seksueel geweld: er werden gedragspatronen blootgelegd die tegelijkertijd door de vingers werden gezien én als vernederend werden ervaren. De verhalen die me niet loslieten waren de alledaagse voorbeelden van het soort seksueel geweld dat generaties lang schouderophalend is afgedaan en dat exemplarisch is voor de manier waarop mannen en vrouwen elkaar stelselmatig gebruiken.

Ik zie een vrouw voor me die al vele jaren dag in, dag uit naar haar werk gaat, met dichtgesnoerde keel en een knoop in haar maag, bereid om de bittere pil te slikken die nodig is om haar baan te behouden. Ze praat met niemand over het verachtelijke ritueel omdat ze weet dat de mannen erom zullen lachen en de vrouwen hun blik ten hemel zullen slaan, zo alledaags is haar grief; maar dag na dag, maand na jaar, heeft ze het gevoel van binnen te worden uitgehold: een cruciaal gevoel van eigenheid dat haar ontnomen dreigt te worden precies op het moment dat ze zich ervan bewust lijkt te worden. De machteloosheid van haar positie knaagt aan haar – de schok op het moment dat ze zich realiseert dat zij geen enkele zeggenschap heeft in een cultuur waarin datgene wat zij als vernederend ervaart normaal wordt gevonden.

In 2017, toen uit alle hoeken en gaten dit soort vrouwen opdoken die, met hun gezicht vertrokken van woede, op felle toon en met sissende stem een tsunami van verontwaardiging uitstortten die ons allen dreigde te verzwelgen – zowel mannen als vrouwen –, werd duidelijk dat grieven die te lang worden genegeerd op een dag een hele beschaving ten val kunnen brengen.

Waarom doet het zo’n pijn, richt het zoveel schade aan, brengt het ons zo verschrikkelijk uit balans? Waarom lijkt het leven zo ondraaglijk – ondraaglijk, ja – als we het gevoel hebben te worden gekleineerd? Of misschien kan ik de vraag beter omdraaien en, net als een wijze vrouw die ik ooit heb gekend, vragen: waarom hebben we het per se nodig om een positief beeld van onszelf te hebben? Tja, dacht ik, toen ze het zo formuleerde, waarom is het niet voldoende om eten te hebben, kleren en een dak boven je hoofd, vrijheid van meningsuiting en bewegingsvrijheid? Waarom moeten we ook nog een positief beeld van onszelf hebben?

Het is een vraag die elke cultuur in haar greep houdt: iedereen, waar dan ook, hunkert naar een antwoord op de vraag waarom we zijn wie we zijn; eeuw na eeuw construeren we denkwijzen en religies die de belofte in zich dragen van een verklaring die misschien niet ons lijden kan verlichten, maar dan ten minste ons gepieker.

Sigmund Freud, wiens analytische denkbeelden erop gericht waren ons te genezen van de innerlijke verdeeldheid die ons ontvankelijk maakt voor zelfhaat, kwam met een verklaring die lange tijd het meest hoopgevend was; uit zijn empathische verbeelding kwam de therapeutische cultuur voort, gewapend met een encyclopedie aan kennis bedoeld om ons te verhouden tot dit dilemma.

De psychoanalyse maakt duidelijk dat we vanaf het moment dat we worden geboren hunkeren naar erkenning. We doen onze ogen open en willen een reactie. Het is belangrijk dat we warm en droog zijn, dat is waar, en ook willen we gekoesterd en getroost worden, maar het allerbelangrijkste is dat er met belangstelling en affectie naar ons wordt gekeken, alsof we van waarde zijn. Meestal krijgen we maar ten dele waar we behoefte aan hebben, en soms krijgen we het helemaal niet. Zo ontstaat dan de emotionele overtuiging dat we niets waard zijn. Daar komt niemand ooit meer helemaal vanaf.

Wat er voornamelijk gebeurt is dat we onze gevoelens wegstoppen en voortmodderen, waarbij we in de meeste gevallen anderen niet meer schade toebrengen dan we zelf hebben opgelopen. Maar sommigen van ons – om te beginnen diegenen die zijn geboren in een verkeerde sociale klasse, sekse of een verkeerd ras, of wellicht mensen wier fysieke verschijning leidt tot hoon of afwijzing – zijn zo beschadigd dat we geobsedeerd zijn met het negatieve zelfbeeld dat we hebben meegekregen, en worden dan gevaarlijk antisociaal. De psychoanalyse is gericht op pogingen deze primitieve toestand te overstijgen, maar dat is een klus die zich maar al te vaak (tot in lengte van dagen!) voortsleept, terwijl onze demonen ondertussen weigeren zich koest te houden; de therapie krijgt dan iets weg van een romantische hoop op verlossing, die vergeefs zal blijken.

In de jaren 1940 stelde de sociaal-psycholoog Erich Fromm dezelfde vraag – kort gezegd: waarom we zo makkelijk meegaan in vernedering – en hij kwam uit op een visie die niet zo heel veel verschilt van die van Freud. Fromms thesis in zijn grote werk De angst voor vrijheid was eenvoudig; evenals Freud vóór hem deinsde Fromm er niet voor terug om mythische verhalen te vertellen teneinde zijn inzichten ook voor de gewone mens tot leven te wekken.

In het geval van Fromm kwam het verhaal uit Genesis. Mensen, betoogde hij, waren één met de natuur totdat ze aten van de boom van de kennis van goed en kwaad, waarna ze veranderden in dieren begiftigd met het vermogen om te denken en hun gevoelens te onderkennen. Vanaf dat moment waren ze afzonderlijke wezens, niet langer één met het universum waarin ze zo lang op gelijke voet hadden geleefd met de dieren die niet konden denken. Voor het menselijk ras schiep de gave van denken en voelen zowel de pracht van onafhankelijkheid als de straf van isolement; de dichotomie vervulde ons enerzijds van trots, anderzijds van eenzaamheid. Die eenzaamheid zou onze ondergang blijken. Het werd de ergste straf denkbaar. Onze instincten werden er dusdanig door ondermijnd dat we vreemden voor onszelf werden – de werkelijke betekenis van vervreemding – waardoor we geen verwantschap met anderen konden voelen. En waardoor we natuurlijk nog eenzamer werden. Het onvermogen om verbindingen aan te gaan werkte schuldgevoelens en schaamte in de hand: verschrikkelijke schuldgevoelens, overtrokken schaamte; een schaamte die geleidelijk uitgroeide tot vernedering.

Als er één stigma was dat de verbanning uit het paradijs had overleefd – namelijk de baarmoeder –, als er één bewijs was dat we niet in staat waren het leven tot een succes te maken, dan was dit het wel. Hoe valt anders te verklaren dat de mens zich er al die eeuwen voor heeft doodgeschaamd om toe te geven dat hij eenzaam is?

Fromm en Freud vinden elkaar in het uitgangspunt dat uitgerekend de ontwikkeling die heeft gezorgd voor onze opkomst en vervolgens onze ondergang – ons bewustzijn – als enige in staat is ons te verlossen van het indringende gevoel alleen te zijn. Het probleem is dat het bewustzijn dat ons is gegeven maar net voldoet; als we innerlijke vrijheid willen bereiken, is het noodzakelijk dat we (veel) bewuster worden dan we door de bank genomen zijn. Als mannen en vrouwen leren volledig en vrijelijk bezit te nemen van hun bezielde wezen, zo stelde Fromm, zullen ze zelfinzicht verwerven en niet langer alleen zijn: ze zullen zichzelf als gezelschap hebben. Zodra je gezelschap hebt, kun je mild zijn ten opzichte van jezelf en anderen. En dan zal vernederende eenzaamheid als vanzelf gaan tanen, als een virus dat is uitgeroeid. Dat is een propositie die we maar op gezag moeten aannemen.

De geweldige Borges vond dat we ons beschadigde innerlijk het best konden zien als een van de grote kansen die het leven ons biedt – een kans om te bewijzen dat we het bloed waardig zijn dat door onze aderen stroomt. ‘Alles wat we meemaken’, schreef hij, ‘dus ook alle vernederingen, tegenslagen, pijnlijke situaties, worden ons aangereikt als klei’, zodat we ‘uit de ellendige omstandigheden van ons bestaan’ iets kunnen scheppen wat de gift van het bewustzijn waardig is.

Daar wilde ik het maar bij laten.

Al decennia geldt Vivian Gornick (1935) als een van de beste essayisten en memoiristen van de VS. The New York Times riep Fierce Attachments (1987), haar memoir over hoe ze opgroeide in de joodse, marxistische Bronx en haar relatie met haar moeder, uit tot de beste memoir van de laatste halve eeuw. De laatste jaren verscheen veel van Gornick voor het eerst in het Nederlands (bij Nijgh & Van Ditmar): haar essay Het einde van de liefdesroman, haar memoir over haar New Yorkse vriendschappen Een vrouw apart. En de stad en dus Fierce Attachments: Verstrengeld, over mijn moeder, de liefde en New York.


Dit essay verscheen eerder in Harper’s. Vertaling Nicolette Hoekmeijer