Draagbaar laboratorium

Kunst en wetenschap, in beide disciplines speelt het experiment een grote rol. Hoog tijd dus om de grens op te heffen. Het project ‘Laboratorium’ biedt een uitputtende inventarisatie van alle mogelijke invalshoeken. Maar voor wie?

HET OPENEN VAN de manifestatie Laboratorium in de stad Antwerpen neemt drie dagen in beslag. Drie dagen volgepropt met lezingen die het drie maanden durende project moeten aanzwengelen. Het is dan ook niet gering wat Barbara Vanderlinden en Hans-Ulrich Obrist, de twee ster-curatoren van het monsterproject, voor ogen staat. Nu, aan het eind van het millennium is het volgens hen tijd om ‘de angst voor het interdisciplinaire te overwinnen’. Een kijkje in de keuken van de verschillende disciplines is dan een logische stap. Hier wordt immers geëxperimenteerd en gewerkt aan kunstwerken en wetenschappelijke, meetbare resultaten. Met het openstellen van deze 'laboratoria’ moet het publiek inzicht krijgen in de geheimen en de mechanismen van het work in progress. Ervaren wat het belang is van het experiment in kunst en wetenschap. Vanderlinden en Obrist willen duidelijk meer dan een doorsnee tentoonstelling over de relatie kunst en wetenschap. Het project zelf moet een experiment worden dat op diverse locaties kan worden uitgevoerd. Laboratorium omvat een waaier aan activiteiten die de komende drie maanden tot ontwikkeling zullen komen: een dansproject, discussie-platforms, performances, open laboratoriumdagen en een lezingenreeks naar een idee van de Franse filosoof en antropoloog Bruno Latour. Latour is vooral bekend door zijn publicaties op het gebied van de wetenschapsfilosofie - in het Nederlands verscheen onder meer We zijn nooit modern geweest (1994) - en door zijn rol in de Sokal-affaire, die intellectueel Frankrijk danig in beroering bracht. Na de publicatie van een wetenschappelijk fake artikel van Alan Sokal in 1996, waarin hij vele postmoderne filosofen confronteerde met hun cryptische beweringen, foutief ontleend aan de exacte wetenschappen, volgde tussen Latour en Sokal een polemiek in Le Monde. Het is jammer dat Latour voor zijn Theater van de bewijsvoering dit conflict over overschrijding van disciplines niet aan het publiek voorlegt. Op vallend is zijn keuze voor commentaren op experimenten en onderzoek die op zichzelf niet al te controversieel meer zijn, maar voornamelijk curieus of 'romantisch’. OP DE TWEEDE dag van de opening luister ik naar Latours heropvoering - een populair fenomeen in Frankrijk - van de beroemde voordracht die Louis Pasteur in 1864 hield aan de Sorbonne. Pasteur beslechtte zijn dispuut met opponent Felix Pouchet in zijn voordeel met de stelling dat het ontstaan van microben, van 'beweging’ in voedsel en water te wijten was aan slechte, onhygiënische experimenteertechnieken en niet aan Pouchets veronderstelling van de zogenaamde 'spontane generatie’. In Peter Sellers-achtig Engels acteert Latour zich vermakelijk door de voordracht heen: met gevoel voor drama laat hij Pasteurs uitsmijter 'cause life is the germ, and the germ is life’ door de zaal schallen. Ook Harry Collins, professor sociologie aan de Universiteit van Cardiff en gespecialiseerd in wetenschapssociologie, houdt het leuk met een variatie op de Turing-test. De Turing-test, bedoeld om computerintelligentie te onderzoeken, is afgeleid van een imitatie-gezelschapsspelletje uit de jaren dertig, waarbij je door het stellen van de juiste vragen moet uitzoeken wie van de spelers zich uitgeeft voor iemand anders. Collins maakt er een gender-experiment van. Via de computer ondervraagt het publiek twee vrijwilligers die zich uitgeven voor de andere sekse. Wie is de man, wie is de vrouw. Het blijkt een makkie (drie, hooguit vijf vragen) om de gender-ondertonen uit de antwoorden te destilleren. 'A computer can’t be taught to be social’, beweert Collins. Dat blijkt als hij ons op de valreep nog kennis laat maken met Eliza, een in 1957 ontwikkeld, tamelijk primitief computerprogramma dat zich opwerpt als psychoanalytische therapeute. Daar tuint niemand meer in, maar volgens Collins valt ook een hypermoderne versie van Eliza uiteindelijk door de mand vanwege haar onverbeterlijke, non-sociale gedrag. Collins gelooft niet in 'hard science’ zonder sociale ruis. Ook in de harde, exacte wetenschappen is juist het eigene van wetenschap het menselijke, en dat impliceert altijd imperfectie. ALLE LEZINGEN, waaronder Transformations van de zich steeds meer als begenadigd visionair opstellende Rem Koolhaas, worden op video vastgelegd en gedurende Laboratorium in de tentoonstellingsruimte continu afgespeeld. De fraaie line-up van deze in twee rijen opgestelde pratende hoofden is een indrukwekkend modern Gesamtkunstwerk geworden. Wat de sprekers zeggen is niet langer van belang, wel hoe ze het zeggen. Het verschil in expressie en persoonlijkheid wordt onderwerp van studie nu ze zo druk maar onhoorbaar (ze zijn alleen met koptelefoon te beluisteren) door elkaar praten. Surrealistisch wordt het als Latour met koptelefoon kritisch naar zijn eigen voordracht op video kijkt. Om beurten wordt een van de lezingen geprojecteerd in de filmzaal ernaast. Zo zie ik een paar dagen later bigger than life paradijsvogel en kunstenaar Panamarenko, die zijn hilarische act van mad professor opvoert. Hij trakteert het overwegend uit alfa-kunstbroeders bestaande publiek op wonderlijk uitziende wiskundige formules en cryptische redeneringen waar niemand een touw aan kan vastknopen. Zijn lezing heet Speelgoedmodel van de ruimte en legt uit hoe het heelal in elkaar steekt, wat materie is en hoe je ruimtevaartuigen bouwt. Mooie onzin. Geen wetenschap, geen kunst, maar wel vermakelijk. Ik besluit het advies van neurobioloog Francisco J. Varela, dat op billboard-grootte op een centrale plek aandacht eist, op te volgen: zelf een draagbaar laboratorium worden en alle ervaringen kalm en bewust registreren. 'Do it! Become the laboratory. (…) The laboratory is now portable and you may carry it with you wherever you go. Keep track of your findings!’ Je lichaam gebruiken als een experimenteel laboratorium, zoals in de psychoanalyse van Freud of in het zen-boeddhisme. Het lijkt me een bruikbare methode om de rest van het project in mij op te nemen. HET ZENUWCENTRUM van Laboratorium is het Provinciaal Museum voor Fotografie. De inrichting van de tentoonstelling is bedacht door kunstenaar Michel François. Ook het kantoor van de organisatie maakt in zijn concept deel uit van de tentoonstelling en staat letterlijk tussen de andere deelnemers in. Ook de receptie is helemaal vertimmerd. Esthetisch geordend liggen stapels lege vellen papier op de balie. Op de vele tafels kunnen de bezoekers op dit papier hun notities opschrijven. Het museumpersoneel is sceptisch en verongelijkt over de verwording van hun museum en kan de ergernis slechts met moeite achter een laconieke houding verbergen. Overal staan beeldschermen, video’s en objecten. Veel kunste naars werken met sites. Veel levert dat meestal niet op. Want ook in deze tentoonstelling geldt dat de dynamische wereld van Internet en interactiviteit zelden iets spectaculairs oplevert. Vaak moet je eindeloos wachten op de beloofde informatie of zit je amateuristische interviews te lezen op een flikkerend beeldscherm waarvan de virtuele meerwaarde je ontgaat. Ludiek is wel de site van Kobe Matthys, Agency, een agentschap opgericht om gegevens over het maken van kunst tijdens kantooruren te verzamelen. The Unmasking in Progress: a Workstation Site van Oladélé Bangboyé is een provocerende, tongue-in-cheek nepaankoop-site, waarop beroemde Afrikaanse en derde-wereldkunstschatten te koop worden aangeboden. MEER DAN ZEVENTIG kunstenaars, wetenschappers en instituten werken mee aan het Laboratorium-project. Een kleine greep uit het aanbod: Rosemarie Trockel laat een prototype van een slaapcocon zien. Carsten Höller presenteert een overblijfsel van een van zijn mislukte projecten Het laboratorium van de twijfel: een auto zonder banden staat buiten voor het museum, binnen draait een filmpje met een choreografie voor drie auto’s. Agit-art, een interdisciplinair collectief uit Dakar, nodigt het publiek met performances en manifesten uit tot discussie over het westerse suprematie-denken in cultuur en wetenschap. Lionel Estève heeft een experimenteel laboratorium ingericht waar op tapijttegels in vele verschillende kleuren afmetingen het groeiproces van zaadje tot plant te volgen is. Ook staan hier te midden van de normale museumopstelling, die de geschiedenis van de fotografie aan de hand van camera’s en curiosa illustreert, experimentele proefopstellingen van wetenschapper Otto Sibum, expert op het gebied van de geschiedenis van de natuurwetenschappen. Er zijn fotoreportages van Lewis Baltz, Sites of Technology: The City; foto’s van Anne Daems van Antwerpse laboratoria; en een ou de serie atelierfoto’s van Hans-Peter Feldmann. Om het allemaal echt goed te bekijken en te analyseren ontbreekt de tijd. BEHALVE HET MUSEUM voor Fotografie aan de Waalse Kaai, zijn er twee andere locaties, beide kantoorgebouwen die de hele tentoonstellingsperiode te bezoeken zijn. In het President Building aan de Franklin Rooseveltplaats zijn vijf leegstaande verdiepingen in gebruik genomen door kunstenaars. Matt Mullican heeft een hele verdieping voor zichzelf. De installatie heet Vijf kamers: een wisselende configuratie. Mullican bouwde van wit spaanplaat dikke, lage muurtjes die zijn kamers omkaderen. Binnen die muren laat hij de bouwstenen van zijn werk zien. Hij geeft een indruk van zijn archief, dat telkens het uitgangspunt is voor nieuw werk en dat steeds aangevuld en bijgeslepen wordt. Zoals een hele serie tekeningetjes van Glenn, het fameuze koppotertje waarmee Mullican ooit begon te experimenteren. De onvoorstelbare mogelijkheden van de meest rudimentaire tekening van een mens zijn een belangrijke basis voor zijn latere pictogrammen. Ook zijn research naar kleurenalfabetten is een constante in zijn werk. Simpel en geraffineerd speelt Mullican in een van de kamers met gezichtsbedrog. Hij heeft een groen filter voor een lamp hangen waardoor een muur met kleurstalen een nieuw kleurengamma krijgt en de 'echte’ verborgen blijven, tenzij je voor de lamp gaat staan. Beter en mooier kun je de betrekkelijkheid van waarneming niet laten zien. Toeval is in deze verlaten kantoorverdiepingen een schat voor kunstenaars als Mullican, die de stoppenkast heeft opengebroken zodat de stoppen en de bedrading zichtbaar worden. Een directe verwijzing naar zijn eigen werk. Zo ook het onttakelde keukenblok dat moeiteloos opgenomen wordt in het totaalconcept van Mullican. Zijn website is helaas niet te bewonderen, omdat er geen Internet-aansluiting is. Op de computer spelen de Laboratorium-medewerkers verveeld (ik ben de vierde bezoeker die dag en het is half vier ’s(middags) een spelletje patience. De dove kunstenaar Joseph Grigely, die zich vooral met taal en communicatie bezighoudt, heeft met een aantal andere kunstenaars op zijn verdieping Suprasegmental ingericht, een 'informal research center devoted to the study of language and language-like phenomena in art’. Hier hangt een smoezelig, informeel kraaksfeertje, waar het onderzoek naar ongedefineerd lawaai, 'white noise’ en de randgebieden van taal en communicatie goed tot hun recht komen. OP DE ZESDE verdieping kan het Talking Heads Experiment van Luc Steels bekeken worden. Steels is directeur van het Sony Computer Science Laboratory in Parijs, dat pioniert op het gebied van artificiële intelligentie. Zelf is hij vooral geïnteresseerd in het ontstaan van taal en grammatica. Cognitieve robots en teleporting, een mondiaal experiment naar artificiële intelligentie met gebruikmaking van internet-technologie, zoals het experiment voluit heet, vindt gelijktijdig in een zestal andere steden in de wereld plaats. De bedoeling is dat de robots op eigen kracht concepten en een eigen taal ontwikkelen. Aan een grote leestafel kunnen bezoekers mappen raadplegen over onderwerpen en vakgebieden die met dit project te maken hebben. Zo zijn er mappen over Art, Robots, Linguistics, Naming Games, Methodology, Cognitive Science en Results, een lege map want resultaten zijn er deze eerste dagen nog niet. In de hal beneden klinken onheilspellend heigeluiden. Speciaal voor mij aangezet. Dit geluidswerk is van Mark Bain, die ook De Appel in Amsterdam tijdens de Anarchitecture-tentoonstelling 'geluidsoverlast’ bezorgde. Het geluid bestaat uit de dreunende, ritmische trillingen van een oliebedrijf in de Antwerpse haven. De laatste jaren is er veel kruisbestuiving tussen de kunsten en de wetenschap. De toenadering, die vooral uitgaat van de beeldende kunst, lijkt meer ingegeven door gebrek aan geloof in de eigen discipline dan door een diep gewortelde belangstelling voor de ins en outs van de wetenschap. De link die gelegd wordt is meestal gebaseerd op clichés en in het oog springende eigenaardigheden van de wetenschappelijke praktijk. Het blijft bij tikken tegen de buitenkant. ONDANKS DE overstelpende hoeveelheid informatie, de vele verschillende invalshoeken, het onderbouwde discours van de beide curatoren-intellectuelen en de bijbehorende ambitieuze doelstellingen weet ook Laboratorium niet te overtuigen. De opwinding blijft uit. De pretenties worden niet waargemaakt. De veelheid aan onderwerpen, vraagstukken en discussies zegt meer over het informatietijdperk waarin we terecht zijn gekomen dan over de afzonderlijke deelgebieden. Het inhoudelijke van de verschillende disciplines verzuipt in de overvloed aan data. Opnieuw wordt informatie met kennis verward en dynamische processen en netwerken met normale sociale communicatie. Ongetwijfeld is het nuttig om in een voortraject voor een groot en ambitieus project over kunst en wetenschap het archief en het netwerk te raadplegen, maar wat moet het publiek vervolgens met het etaleren van dit voortraject? Want niemand ontkomt door fysieke beperkingen aan het oppervlakkig consumeren van de krenten uit de pap. De gemiddelde bezoeker heeft hooguit een dag voor een dergelijk evenement beschikbaar. En kan niet anders dan hongerig over het veld van bloeiende krokussen heenzoemen. Weliswaar is er het feest der herkenning over sommige gedeelde referenties en voorkeuren in kunst en wetenschap, maar meer dan een rituele opsomming wordt het niet. Zo blijft het publiek veroordeeld tot oppervlakkigheid, terwijl het discours over hun hoofden heen naar nieuwe projecten wordt geleid. Het is opvallend dat in het President Building, waar het dynamische procesmodel wat minder nadrukkelijk op de voorgrond treedt, de aandacht zich weer verdiept en het getoonde werk beklijft. Natuurlijk is het niet helemaal eerlijk een procesmatige tentoonstelling te beoordelen op een momentopname van een paar dagen, maar wat is het alternatief? Het hele proces meemaken is onmogelijk en is zeker ook niet het uitgangspunt van de tentoonstellingsmakers. Voor gretige draagbare laboratoria is teleurstelling dan ook onvermijdelijk. Gelukkig is er over vier maanden het resultaat van de Boekmachine van Bruce Mau, die elke tentoonstellingsdag vijftig pagina’s produceert en na grondige selectie een zingevend document zal opleveren: de catalogus van dit te veel omvattende project Laboratorium.