Draagbare gelukzaligheid

ZELFS WIE de meeste varianten alleen uit de tweede hand kent, weet dat opiaten dingen mogelijk maken die normaal gesproken buiten ons bereik liggen. Je kunt zonder aanwijsbare reden onbedaarlijk blijven lachen, nachtenlang dansen of je een avond kostelijk vermaken met het staren naar een blinde muur. Maar er is één ding dat bij dit alles vrijwel onmogelijk blijft: het aan ‘niet-ingewijden’ uitleggen wat er tijdens een trip precies met je gebeurt, hoe die euforie voelt of wat die muur nou zo fascinerend maakt.

Als dat ergens duidelijk is geworden, is het wel in de literatuur van de afgelopen vijftig jaar. De brave Aldous Huxley probeerde zijn ervaringen met mescaline te beschrijven maar verzandde - in The Doors of Perception - in pseudo-wetenschappelijk georeer over ‘het Al’. Schrijvers als Burroughs en Ginsberg vielen, als het ging om hun avonturen met het medicijnkastje, terug op literair gestamel, dat inmiddels erg gedateerd aandoet. En van alle hippe, jonge romans uit de house-scene van de laatste jaren gingen weinigen op het puntje van hun stoel zitten. Hoe verruimder de geest, hoe beperkter de literaire middelen, lijkt het.
Natuurlijk zijn er ook uitzonderingen. Irvine Welsh schreef met Trainspotting een roman die niet alleen het decor maar ook de fysieke effecten van een heroïneverslaving verrassend goed weergeeft. De Schot is niet voor niets een van de vijftien schrijvers die werden opgenomen in de onlangs verschenen bundel Intoxications: An Anthology of Stimulant-Based Writing. Maar hoewel zijn bijdrage een van de hoogtepunten van het boek is, is het tegelijkertijd een goed voorbeeld van het falen ervan.
'THERE IS a special relationship between writers and stimulants’, schrijft Toni Davidson in de inleiding van Intoxications, en dat is ongetwijfeld waar. Maar voor het vruchtbaarste product uit die relatie moet je toch een kleine honderdtachtig jaar terug in de tijd. De eerste mooie zinnen die ik over een 'stimulant’ las, stonden in Les fleurs du mal van Charles Baudelaire. De tweede strofe van het gedicht 'Le poison’ klinkt in de vertaling van Peter Verstegen (prachtig uitgegeven door Van Oorschot) aldus:
De opium verruimt de wereld, en het meest Wat zelf geen einde wil nemen, Verdiept de tijd, verhevigt onze zinnenweelde, En vult tot berstens onze geest Met duistere, melancholieke zaligheden.
In 1860, drie jaar na het verschijnen van Les fleurs, blijkt Baudelaire het thema nog allerminst los te willen laten. Onder de veelzeggende titel Les paradis artificiels laat hij twee uitvoerige essays verschijnen. In het eerste trekt hij heftig van leer tegen het kwaad van le haschisch, terwijl het tweede zou moeten handelen over een middel waarmee hij zelf ook uitgebreid ervaring heeft opgedaan. Maar: 'Het werk over opium is al geschreven en op een zo schitterende wijze, medisch en poëtisch tegelijkertijd, dat ik er niets aan durf toe te voegen.’
In plaats van het werk zelf te schrijven, kiest Baudelaire er dus voor een uitgebreide analyse te geven van een boek dat hij 'voor de ogen van de lezer zal ontrollen als een fantastisch tapijt’. Het tapijt is Confessions of an English Opium-Eater van Thomas de Quincey (1785-1859), en nu het onlangs is verschenen in een nieuwe vertaling van Bindervoet en Henkes, blijkt opnieuw dat het inderdaad fantastisch is.
TOEN DE autobiografische Bekentenissen tussen september en oktober van 1821 in London Magazine verschenen, waren ze niet minder dan een sensatie. En dat was niet eens te danken aan het feit dat een bemiddeld filosoof ruim honderdtwintig pagina’s lang toegeeft dat hij opium heeft gebruikt - op dat moment was het gebruik van het middel immers volstrekt normaal. Het werd als 'de enige echte katholieke pijnstiller’ toegediend aan huilende kinderen, het werd gezien als hét middel tegen depressies, arbeiders gebruikten het als een goedkoper alternatief voor alcohol, en volgens De Quincey was het zelfs ideaal om de gevaren van tuberculose - de ziekte waaraan zijn vader overleed toen hij zelf zeven jaar oud was - af te wenden.
Eigenlijk had de commotie die de artikelen (en een jaar later het boek) veroorzaakten met maar één aspect te maken, dat, hoewel het bij veel opiumeters ongetwijfeld bekend was, nog niet eerder was beschreven: 'Ik wil niet misbegrepen worden en daarom wil ik nogmaals benadrukken dat ik met deze Bekentenissen de werking van opium wil ophemelen, niet als heerser over lichamelijke ziekte en pijn, maar als heerser over het schimmige en schitterende rijk van de dromen.’
Voor de hedendaagse lezer zijn de beschrijvingen van De Quinceys opiumdromen ongetwijfeld ook een van de grootste attracties van zijn boek, maar minstens even aardig is het levensverhaal dat hij schetst in zijn 'Inleidende bekentenissen’. Naar eigen zeggen om de persoonlijke interesse van zijn lezer te wekken, maar ook - zoals hij het treffend uitdrukt - 'om te dienen als legenda bij sommige delen van het ontzagwekkende landschap van de latere dromen van de opiumeter’.
Het verhaal begint in zijn schooltijd in Manchester. De schrijver vertelt, op de vermakelijk verwaande toon die hij het hele boek zal volhouden, dat hij op zijn dertiende al opviel door zijn grote vaardigheid in het spreken en schrijven van de Griekse taal, een vaardigheid opgedaan door op eigen houtje Engelse kranteberichten te vertalen, en hoe zijn leraar hem alleen kon bijhouden als hij de hele dag met woordenboeken rondzeulde.
Op zijn zeventiende verjaardag besluit De Quincey dat het genoeg is geweest. Geheel tegen de zin van zijn vier voogden pakt hij zijn loodzware koffer en vertrekt naar Wales, waar algauw blijkt dat de twaalf guineas die hij bij elkaar heeft geschraapt niet genoeg zijn voor een lang en comfortabel verblijf. Na een paar weken leeft hij op een dieet van bramen, rozebottels en hagedoornbessen en probeert hij onderdak te verdienen met het schrijven van zaken- en liefdesbrieven voor anderen.
Als hij na enige tijd naar Londen vertrekt, wordt de situatie nauwelijks beter, want 'de Londense stroom van liefdadigheid loopt door een kanaal dat weliswaar diep en machtig is, maar ook geruisloos en verborgen, niet zichtbaar of makkelijk toegankelijk voor arme dakloze zwervers’.
Een van de weinigen die hem de helpende hand reiken als hij bijna omkomt van de honger, is het straatarme hoertje Ann. In ruil voor haar hulp belooft hij haar bij te staan in een nogal onduidelijke rechtszaak. Het is een belofte die hij nooit zal inlossen. In 1804 krijgt hij plotseling de mogelijkheid te gaan studeren en reist hij onmiddellijk naar Oxford af. Later kan hij Ann ook na lange zoektochten niet meer vinden, omdat hij in de haast vergeten is haar achternaam te vragen.
'DE VREUGDE van opium’ begint in het eerste jaar van zijn studie, na een voorval dat de door Baudelaire zo geroemde medische expertise van De Quincey nogal relativeert. Als hij op een nacht wakker wordt van de kiespijn, denkt hij namelijk dat dat komt doordat hij afgeweken is van zijn gewoonte om voor het slapen zijn gezicht met koud water af te spoelen. Om dat recht te zetten dompelt hij snel zijn gezicht in een kom. Gevolg: 'reumatische pijnen’ aan zijn aangezicht, terwijl de kiespijn onverminderd aanhoudt.
Als hij over zijn pijnen klaagt, raadt een medestudent hem 'het wondermiddel’ aan. Het effect is meer dan bevredigend: 'Dat mijn pijn was verdwenen was in mijn ogen nog het minste: - dit negatieve effect werd verzwolgen door de onmetelijkheid van positieve effecten die mij waren onthuld - in het ravijn van hemels genot dat hier ineens openspleet. Hier was een universeel heilmiddel - een pijnstillend middel voor alle menselijke kwalen: hier was het geheim van het geluk, waarover filosofen zoveel eeuwen hebben gestreden, op slag ontdekt: geluk was nu voor een stuiver te koop, mee te nemen in je vestzak: draagbare gelukzaligheid.’
Ook de rest van dit hoofdstuk is een ontroerend pleidooi voor opium, waarin hij alle 'bad press’ die het middel heeft gekregen, afdoet als leugens. Na acht jaar probleemloos 'gelegenheidsgebruik’ kan hij met zekerheid zeggen dat je van opium niet dronken wordt en, bij matig gebruik, ook niet lusteloos; het scherpt de zintuigen en zorgt voor een 'wolkenloze sereniteit’. Daar komt nog bij dat De Quinceys gebruik wel degelijk een sociale component heeft. Hij neemt het altijd op zaterdag, de dag dat de arbeiders proberen hun zware werk te vergeten, en zo is hij even één met het volk - zoals het een filosoof, en dat wil hij voor alles zijn, betaamt. De Quincey is kortom een tevreden mens, financieel uit de zorgen door de erfenis die hij inmiddels heeft ontvangen, overtuigd van zijn roeping, en met het geluk altijd op zak.
Maar dan komt de tijd waarin de schrijver te maken krijgt met 'de gruwelijke wraak van de opium’. Door een persoonlijk drama in 1813, waar hij verder niet op in wenst te gaan, en ernstige maagpijnen, die hij wijt aan de honger die hij heeft geleden, is hij 'gedwongen’ zijn doses drastisch te verhogen. Vanaf dat moment beschouwt hij zichzelf als een verslaafde, 'aan wie het even veel zin heeft te vragen of hij op een bepaalde dag wel of geen opium heeft genomen als aan zijn longen of ze hebben geademd, of aan zijn hart of het heeft geklopt’.
Zelfs als zelfverklaarde verslaafde duurt het nog vier jaar voordat vooral één bepaalde kant van het gebruik hem teveel wordt, en merkwaardig genoeg is dat juist de kant die hij in zijn inleiding beloofde op te zullen hemelen: de beheersing van het rijk der dromen. Of hij wakker is of slaapt, vanaf dat moment zal er voortdurend een theater in zijn hoofd opengaan vol levensechte vertoningen, waarin elk besef van tijd en ruimte verloren gaat en de kleuren hel en sprookjesachtig zijn, maar die ook grote angstgevoelens oproepen.
Het meest verbluffend aan De Quinceys visie op zijn droomwereld is dat hij inziet hoe gebeurtenissen van alledag zich erin vermengen met fragmenten van wat hij kent uit kunst en literatuur, uit zijn verbeelding én uit zijn jeugd. Voor de geboorte van Freud, en nog verder voor die van de droomduiding, ontleedt de opiumeter die andere, verruimde wereld, en wat meer is: hij schrijft hem prachtig op. Met in zijn taal de golven en de muziek van de roes schildert hij onder andere hoe hij het hoertje Ann weer ziet en hoe een schijnbaar onschuldige ontmoeting met 'een Maleier’ resulteert in angstdromen over gruwelijke Aziatische krokodillen. Tot hij uiteindelijk in het slothoofdstukje meldt hoe hij de 'vervloekte keten’ heeft kunnen afwinden.
Toch zijn het juist de beschrijvingen van die keten die De Quincey onsterfelijk hebben gemaakt. Dat blijkt ook weer in de twee pagina’s lange inleiding van Intoxications: samensteller Toni Davidson noemt in een kort historisch overzicht naast de onvermijdelijke Huxley en Burroughs ook De Quincey als een van de stamvaders van wat hij voor het gemak maar even een genre noemt. Maar, vervolgt hij in een merkwaardig soort jaren-zeventigproza, we moeten vooral niet blijven hangen bij de groten uit het verleden: 'we moeten ook verder, we moeten erkennen dat schrijven op basis van stimulantia niet iets van een afgesloten verleden is, maar voor schrijvers van nu zelfs van toenemende betekenis is’.
Die schrijvers van nu vormen natuurlijk geen stroming, weet Davidson, en ze mogen niet op basis van een gemeenschappelijk thema op één hoop worden geveegd, maar er is toch iets dat hen volgens Davidson verbindt: 'Uiteindelijk beseffen velen dat schrijven op basis van stimulantia een manier van kijken is, van het vastleggen en interpreteren van ervaringen, van het exploreren van de ongeremde, ongecensureerde verbeelding.’
Wat die manier van kijken, vastleggen en exploreren van de verbeelding precies is, wordt zorgvuldig in het midden gelaten, en dat is na het lezen van de bundel goed te verklaren. In de vijftien opgenomen verhalen is geen gemeenschappelijk thema te ontdekken, en ook de omschrijving van 'stimulants’ is hier nogal ruim opgevat. Zo vinden we een verhaal van Marina Blake over een vrouwelijke vampier (middel: bloed), en komen we verder onder meer een tv-verslaafde en een nogal extreem slachtoffer van vermageringspillen tegen.
In de verhalen waarin de traditionele drugs een rol spelen, wordt weer een andere ontwijkingstactiek gehanteerd: de auteurs geven op werkelijk van alles een visie, behalve op de middelen zelf. Neem 'Victor spoils’, een fragment uit een nieuw werk van Irvine Welsh. Het is op zichzelf een goed bericht dat deze schrijver al aan een volgend boek werkt terwijl zijn nieuwste roman, Filth, nog maar net in de winkels ligt. En te oordelen aan de scène kan het ook zeker een goed boek worden. Maar waar Welsh in het verleden heeft bewezen dat hij wel degelijk iets te zeggen heeft over geestverruimende middelen, is het feit dat in dit verhaal wat MDMA wordt geslikt eigenlijk nauwelijks van belang.
ZIJN ER DAN nog verhalen waarin een 'stimulant’ wél de 'basis’ is? Ja, die zijn er, al word je ook daar niet vrolijker van. 'Half-Baked Alaska’ is nog een aardige parodie op de lsd-therapieën die ooit in de psychiatrie werden toegepast, en in 'Latitude 52’ van Jeff Noon zit een mooie verwijzing naar Through the Looking Glass. Maar verder is het ellende troef.
Of eigenlijk: clichés troef. Want als er geen verhalen zijn waarin het lichamelijke effect van drugs goed wordt beschreven, dan grijp je naar de folkloristische randverschijnselen, moet Davidson hebben gedacht: seks, geweld en verloedering. En dus zijn in Lynne Tillmans 'Beats on the Beach’ Kerouac, Burroughs en Ginsberg lekker met elkaar in de weer, is er een ronduit walgelijk verhaal van Gary Indiana waarin wordt geneukt bij de ovens van Dachau, en zien we in 'Something Changed’ van Richard Smith hoe een hele gemeenschap vrolijke ecstacy-gebruikers verloedert zodra de heroïne wordt ontdekt.
Met De Quincey liep het uiteindelijk ook tragischer af dan hij in zijn boek wilde doen geloven. arenlang ploeterde hij voort aan een oeuvre van veertien delen, naar verluidt volstrekt onleesbare tijdschriftartikelen, zonder ooit zijn grote filosofische werk De emendatione humani intellectus te schrijven én zonder van de opium af te kunnen blijven. Maar één ding blijft zeker: in 1821 had hij met zijn Bekentenissen eigenlijk al alles bereikt wat andere schrijvers in de 177 jaar daarna tevergeefs zouden proberen. Ondanks de grote sociale druk van zijn tijd - die ervoor zorgde dat hij voorwendde te zijn afgekickt - en met een verbeeldingskracht, een directheid en een gevoel voor ironie waar anderen alleen maar van konden dromen.