Draai hem om, draai hem om, op zijn buik!

Als we Nabokovs Lolita nauwlettend lezen wordt duidelijk hoe het racisme en antisemitisme mede een context van het verhaal vormen.

Andrea Pitzer, The Secret History of Vladimir Nabokov, € 29,50

Medium pitzer nabokov

Andrea Pitzer laat zien dat het met Nabokovs vermeende niet-geëngageerd zijn anders zit dan wordt aangenomen. De schrijver Vladimir Nabokov heeft altijd zoveel mogelijk vermeden uitspraken over politieke kwesties te doen. Comfortabel zelfzuchtig leven, zou je denken (en denkt men graag): geboren in een grootgrondbezittersfamilie met nogal wat personeel, weliswaar met het gezin het land moeten ontvluchten vanwege het rode gevaar, maar uiteindelijk vlinderprofessor in de Verenigde Staten en vervolgens miljonair dankzij een schandaalroman over een oudere man en een klein meisje, en daardoor met zijn vrouw tot aan zijn dood kunnen vertoeven in een privé-appartement van een luxueus hotel aan het Lac Léman. Nee, dan zijn achttien jaar jongere collega Aleksandr Solzjenitsyn: kind uit een sappelend arbeidersgezin, acht jaar in een werkkamp, De Goelag Archipel en andere verslagen van wantoestanden in de Sovjet-Unie, met Nobelprijs en al zijn land uitgezet, via Zwitserland uiteindelijk in de VS beland.

Andrea Pitzer begint haar onlangs verschenen boek The Secret History of Vladimir Nabokov met het hoofdstuk Wachten op ­Solzjenitsyn: ‘Op 6 oktober 1974 zaten de Russische romancier Vladimir Nabokov en zijn vrouw Véra in een privé-eetvertrek van het Palace Hotel in Montreux voor een gezamenlijke lunch te wachten op Alexander Solzjenitsyn. De twee mannen hadden elkaar nooit ontmoet.’

En ze eindigt haar boek met een hoofdstuk dat opnieuw Wachten op Solzjenitsyn heet, waarin ze, 313 bladzijden na haar openings­zinnen, schrijft: ‘De Nabokovs wachtten meer dan een uur aan hun tafel voordat ze besloten op te stappen. De twee mannen hebben elkaar nooit ontmoet.’

Wat was er gebeurd? Voelde Solzjenitsyn zich ongemakkelijk bij het aanschouwen van de luxe locatie? Was hij bang dat Nabokov ziek en krakkemikkig was? Wat zijn overwegingen ook waren, Solzjenitsyn kwam de auto niet uit, maar reed weg om Montreux te verlaten.

En wat is er gebeurd in de tussenliggende hoofdstukken? Wat Pitzer daarin onder meer heeft duidelijk gemaakt is dat het met dat niet geëngageerd zijn van Nabokov en zijn werk nogal anders zat en zit dan algemeen in zijn werk wordt gelezen. Niet ‘zelfs’ maar ook in Lolita: ‘De geschiedenis hield zich schuil, ook in Lolita (…). Maar bijna die hele geschiedenis, de morele kern van Lolita, bleef onopgemerkt.’

Niet alleen wordt bij nauwlettende lezing duidelijk hoe in Lolita telkens het racisme en antisemitisme mede een context van het verhaal vormen, maar neem alleen al de basisfrustratie van Humbert Humbert, Annabel Leigh, zijn kindgeliefde toen hij zelf ook nog kind was. Deze Annabel Leigh overleed in 1923, toen Humbert dertien was, op Corfu aan tyfus. Dat lijkt een makkelijke manier voor een schrijver om dat jeugdliefje te dumpen en zijn protagonist zodoende met een levenslange hunkering op te zadelen. Maar hoe zag het er in 1923 eigenlijk uit op Corfu? ‘Op dat moment’, aldus Pitzer, ‘was het eiland de helse plek waar meerdere heuse epidemieën woedden (…). Duizenden vluchtelingen hadden hun toevlucht gezocht in kampen op Corfu, ontheemd door oorlog en de Armeense genocide. Hulporganisaties openden weeshuizen voor kinderen wier ouders geëxecuteerd of tijdens het transport omgekomen waren. Tyfus en pokken heersten het hele jaar door in wat toen werd gezien als de grootste humanitaire crisis in de geschiedenis.’

Met andere woorden, Nabokov laat Annabel Leigh niet toevallig in dat jaar op Corfu doodgaan: Corfu 1923 is een van de kieren, scheurtjes en gapingen waardoor, wanneer je het eenmaal in de gaten hebt, de tragiek van de wereld­geschiedenis dit literaire werk infiltreert en er een menselijk lot vult en dirigeert.

Of neem Pnin, het boek dat Nabokov schreef toen Lolita nog de Amerikaanse immigratiepapieren werden geweigerd: de ietwat wereldvreemde, verstrooide (diasporistische), uit Rusland in Amerika verzeild geraakte professor Timofey Pnin, die van zijn hospita de wasmachine niet meer mag gebruiken nadat hij er een paar schoenen in heeft laten meedraaien, wordt niet alleen nog dagelijks gekweld door de dood van zijn beide ouders, die allebei in 1917 aan tyfus stierven, maar vooral door het verlies van zijn eerste liefde, Mira Belochkin, een joods meisje dat werd omgebracht in Buchenwald.

Even terug nu naar het krabbelbiootje van Vladimir Nabokov. 1917: Vladimirs moeder vlucht met haar kinderen naar Gaspra op de Krim; zijn vader komt later na en neemt zitting in de nationalistische Krim-regering. Twee jaar later vlucht het gezin via Griekenland naar Zuid-Frankrijk, om uiteindelijk in Berlijn te komen. In maart 1922 wordt zijn vader daar tijdens een politieke bijeenkomst doodgeschoten. Vladimir is dan nog net geen 23. En naderhand, in januari 1945, komt gevangene nummer 28631 om in kamp Neuengamme: Sergei, Vladimirs homoseksuele broer.

Gebeurtenissen en mensen die kunnen rekenen op ademgaten in Vladimir Nabokovs werk. Of, afhankelijk van hoe je het bekijkt, op schroei- en pijnplekken. ‘De menselijke geschiedenis’, zegt Pnin, ‘is de geschiedenis van pijn.’ Maar in tegenstelling tot de meeste romanschrijvers is Nabokov er niet op uit om een algemeen beeld van de geschiedenis van zijn of andermans tijd te geven en daar geschikte dramatis personae bij te modelleren: hij is in eerste en laatste instantie alleen geïnteresseerd in de tragiek van een individueel leven of in het leven van hooguit een paar individuen, maar zonder die daarbij los te kunnen en willen maken van die wereldgeschiedenis van de pijn, van de voortdurende folteringen die mensen elkaar hebben aangedaan en blijven aandoen. Geen van Nabokovs hoofdpersonen is er niet door getekend en heeft er geen ooghoeken voor, maar wel probeert elk voor zich eraan te ontkomen, vergeefs overigens, of zich er zelfs nog meer kwellingen mee op de hals halend – maar voor de duur van dat proces houdt het trauma zich schuil in de bosjes, dat wil zeggen, in het struweel langs de fraai aangelegde wegen van de vertelling. Die wegen zijn dus geen routes door niemandsland, zelfs wanneer het land van handeling fictief is, maar door een bestaande wereld(geschiedenis) van de pijn.

Andrea Pitzer wijst in haar boek allerlei verscholen historische pijnduivels in Lolita aan. Zoals ‘Kamp Q’, de naam die Humbert geeft aan het zomerkamp waar Lolita naartoe gaat. Die Q kan natuurlijk staan voor Quilty, Humberts rivaal (of dubbelganger), maar Camp Q was ook de naam van een interneringskamp in de bossen van Ontario, waar tussen 1940 en 1946 duizenden mensen terechtkwamen, zowel uit Oostenrijk en Duitsland gevluchte joodse burgers als gearresteerde anarchisten en communisten, en gevangen genomen nazi-officieren… Rond 1943 waren er meer dan twintig van zulke concentratiekampen in Canada. Humbert Humbert vertelt in Lolita dat hij, na te zijn gevlucht uit Frankrijk en te zijn opgenomen in de VS, eerst een korte reis maakte naar het Canadese noorden. Ook Carl Junghans, de partner van Sonia Slonim, zus van Nabokovs echtgenote Véra, werd korte tijd door de Amerikaanse overheid geïnterneerd.

Wanneer hij terugdenkt aan zijn vlucht uit Europa ziet Humbert een rij voor zich van twintig soldaten die allen wachten op hun beurt om te verkrachten, en in zijn nachtmerries ziet hij de bruine pruiken van oude vrouwen die net vergast zijn. Het woord ‘jood’ of ‘joods’ komt geen enkele keer voor in Lolita, maar van alles wijst op de tragische aanwezigheid ervan. Zo mag er gerust van worden uitgegaan dat Eva Rosen, een vriendinnetje van Lolita dat wordt beschreven als een ‘displaced little person from France’, joods is. Het hotel The Enchanted Hunters waar Humbert tijdens zijn autotocht met Lolita belandt, laat duidelijk weten no dogs toe te laten en zich near churches te bevinden. Voor de goede verstaander in die tijd betekende ‘No Dogs’ dat joden en negers ongewenst waren. Nabokov laat Humbert gewiekst opmerken dat hij wel degelijk een hond in de lobby heeft gezien: hij vraagt zich cynisch af of die dan gedoopt was, want ‘Near Churches’ betekende nogmaals dat joden ongewenst waren.

Enzovoort. De vraag is zelfs wat de ‘eigenlijke’ achtergrond of identiteit van Humbert Humbert is. Charlotte, Lolita’s moeder, vermoedt ‘a certain strange strain’ in Humberts familie, en ze dreigt ermee zelfmoord te plegen als ze er ooit achter mocht komen dat hij geen christen is.

Bij dit alles speelt op de achtergrond natuurlijk ook nog dat Vladimir Nabokovs secretaresse en typiste, zijn vrouw Véra, joods was en daar ook met trots voor uitkwam.

Uitnodiging voor een onthoofding verscheen in 1935-1936 in feuilletonvorm in een Russisch emigrantentijdschrift en werd in 1938 in Parijs in boekvorm uitgegeven, om pas 21 jaar later in Engelse vertaling als Invitation to a Beheading beschikbaar te worden. Het boek is een verslag van de dagen die Cincinnatus C. in gevangenschap doorbrengt in afwachting van de dood die hem ‘overeenkomstig de wet (…) op fluistertoon’ is aangezegd. En daarmee is het meteen qua ‘engagement’ van een heel ander kaliber dan Lolita en de er nog op volgende boeken. Hier staat de terreur, het lijden aan de pijn van de wreedheid van de menselijke samenleving en geschiedenis van begin tot eind in het licht dat door de tralies van een gevang binnenvalt in een of ander door een fundamentalistisch en dictatoriaal regime bestuurd land. ‘Hij probeerde – voor de honderdste keer – de tafel te verschuiven maar, helaas, de poten waren sinds eeuwen verankerd.’ De verteller weet echter zelfs dit schamel stuk wereld en leven nog kostbaar voor hem te maken: ‘Het lelijke raampje bleek toegankelijk voor de zonsondergang; op de zijmuur verscheen een vurig parallellogram. De cel was tot het plafond gevuld met de olieverven van de schemering die uitzonderlijke pigmenten bevatten.’

Alleen al vanwege zulke waarnemingen is het een schande en onvergeeflijke misdaad om het leven van een medemens te beëindigen. En daarbij doet het er niet toe of de veroordeelde zelf gruweldaden op zijn kerfstok heeft of, zoals Cincinnatus, is ‘beschuldigd van de aller­verschrikkelijkste misdaad, gnostische verdorvenheid, zo zeldzaam en zo onuitsprekelijk dat men genoodzaakt was tot omschrijvingen als “ondoorgrondelijkheid”, “ondoorschijnendheid”, “afsluiting”’.

Natuurlijk wanhoopt de tot de dood door onthoofding veroordeelde ook aan het bestaan, dreigt hij zijn hoofd al te verliezen voordat het fysiek van zijn romp wordt gescheiden: ‘Ik ben hier door een vergissing – niet speciaal in deze gevangenis – maar in deze gehele verschrikkelijke, gestreepte wereld, een wereld die geen slecht voorbeeld van amateuristisch vakmanschap lijkt, maar in feite een ramp is, een verschrikking, een waanzin, een vergissing (…).’ En hij herinnert zich hoe ‘het snel donker [werd] als je naar huis liep na het sleeën… Wat een sterren, wat een gedachten en een droefheid daarboven, en wat een onwetendheid beneden.’ Maar het is precies de rijkdom van die melancholie die men hem zal afhakken of -snijden. Vandaar ook dat een van de voorschriften voor gevangenen luidt: ‘Het is wenselijk dat de bewoner geen dromen heeft.’ Met andere woorden: verbeelding en fictie verboden!

Nabokov zou Nabokov niet zijn als hij die verbeelding en fictie op het einde niet aan de beul zou laten ontkomen. Cincinnatus’ verbeelding staat als het ware in de gedaante van Cincinnatus, uit, in en met diens naam op [sta me een kleine aanpassing in de tekst toe]:

‘“Je helemaal ontspannen en hardop tellen.”

“Tot tien,” zei Cincinnatus.

(…) één Cincinnatus telde, maar de andere Cincinnatus sloeg al geen acht meer op het geluid van het overbodige tellen dat vervaagde in de verte, en met een helderheid die hij nooit tevoren had ervaren – eerst bijna pijnlijk, zo plotseling kwam ze, maar toen hem boordevol vervullend van blijdschap, dacht hij: waarom ben ik hier? Waarom lig ik hier zo? En dan, nadat hij zichzelf deze eenvoudige vragen had gesteld, beantwoordde hij ze door op te staan en om zich heen te kijken.

Overal om hem heen heerste een vreemde verwarring. Door de nog zwaaiende heupen van de beul was het hekwerk te zien. (…) Cincinnatus klom langzaam van het podium en liep weg door het verschuivende puin. Hij werd ingehaald door Roman, die nu vele malen kleiner was en tegelijkertijd Rodrig was: “Wat doe je!” kraste hij, op en neer springend. “Dat kun je niet doen, dat kun je niet doen! Dat is onfatsoenlijk tegenover hem, tegenover iedereen… Kom terug, draai je om, draai je om, ga liggen, op je buik, op je buik – je lag toch al, alles was gereed, alles was klaar!” Cincinnatus schoof hem opzij en (…) te midden van het stof en de vallende voorwerpen en de fladderende decors baande Cincinnatus zich een weg in de richting waar, te oordelen naar de stemmen, wezens stonden die aan hem verwant waren.’


Andrea Pitzer, The Secret History of Vladimir Nabokov, Pegasus Books, 352 blz., € 26,99