Ibn Tufayl, Hayy ibn Yaqzan: Een filosofische allegorie uit Moors Spanje

Draaien als planeten

Ibn Tufayl

Hayy ibn Yaqzan: Een filosofische allegorie uit Moors Spanje

Uit het Arabisch (12de eeuw) vertaald en ingeleid door Remke Kruk

Bulaaq, 149 blz., e 17,50

Er was eens een mooie gebonden reeks bij Meulenhoff, de Oosterse Bibliotheek, waarin als deel 23 een Arabische vertelling verscheen met de intrigerende titel «Wat geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen: De geschiedenis van Hayy ibn Yaqzan». Gelukkig is er een kleine uitgeverij van fraaie boekjes die deze Spaans-Moorse vertelling na twintig jaar opnieuw uitgeeft. Tufayl was een arts in Granada (ca. 1110-1185). Zijn hoofdpersoon, Hayy ibn Yaqzan, is geboren op een onbewoond eiland in de Indische Oceaan en in de eerste jaren gevoed door een gazelle; wonderlijker is dat hij zichzelf opvoedt. Elke zeven jaar stijgt hij in kennis een trede hoger; vanaf zijn 21ste is hij filosoof en komt hij vanzelf op de vraag naar de schepper: het Noodzakelijk Bestaande Wezen. Als hij almaar rondjes draait is dat ter imitatie van de bijna volmaakte planeten. In zijn ontwikkeling van ascetische soefi bereikt hij ten slotte de versmelting met het volmaakte Wezen. Als hij op zijn vijftigste Asal ontmoet, die een ander, bewoond eiland ontvlucht is, wordt Asal zijn leerling, die hem de mensentaal leert. Heel kort waagt de mystische hermiet zich in de bewoonde wereld. Maar als de meeste mensen niet voor de geheime kennis openstaan, laat hij hen in hun geregelde religie gaar smoren en keert met Asal terug naar zijn eiland. De Leidse arabiste Remke Kruk plaatst de allegorie goed in een traditie.

Er is nog een andere vertelling, religieus van grovere snit. In 1671 verscheen ze in een Arabische uitgave én een Latijnse vertaling, in 1672 ook in een Nederlandse. Er is wel gezegd dat Defoe er voor zijn Robinson Crusoe van geleend heeft, dat zegt niks: hij plunderde ook de hele reis- en piratenliteratuur. In de Moorse allegorie stuitte ik nu op een passage over het verlangen die – zij het zwaar verhaspeld en in bigotte christelijke onzin vertaald – ook in Crusoe voorkomt. Crusoe/Defoe ontwikkelt daar een soort springveertheorie van het verlangen: het afwezige object van begeerte zet in de ziel drijfveren in beweging; weg vrije wil. In één moeite door klutst Defoe daar de aloude micro-macro-spiegeling doorheen. Hoe moeizaam vergeleken met Hayy ibn Yaqzan, die op z’n zevende al meer oorspronkelijke gedachten had dan Crusoe in 26 jaar.