Hoofdcommentaar

Draaiend ten oorlog

Denkend aan het besluit om de Nederlandse militaire aanwezigheid in Irak met acht maanden te verlengen, schieten bij eerste lezing van het kabinetsstandpunt vooral clichés door het hoofd. Van kip of ei tot vicieuze cirkels. In de brief van de ministers Bot van Buitenlandse Zaken en Kamp van Defensie aan de Tweede Kamer regent het zinnen die vóór de komma een andere boodschap voorspiegelen dan achter de komma, verbonden door woorden als «hoewel» (zesmaal), «weliswaar» (driemaal) en «lijken» (tweemaal). Het zijn formuleringen om de barre waarheid van vandaag niet te verzwijgen en toch vooruit te kijken naar morgen.

De beslissing van het kabinet was kennelijk een fluitje van een cent. De fracties van VVD, CDA en ook D66 (aanvankelijk weifelend, nu door de pomp) hadden hun standpunt al bepaald voordat het kabinet dat had gedaan. Voor de verkiezingen voor het Europarlement liet PvdA-leider Bos zich door zijn collega’s zelfs naar alle hoeken van de televisiestudio jagen omdat hij het standpunt van zijn partij niet wilde onthullen. Dat lag aan Bos zelf. Hij had zich simpel kunnen verdedigen. Als de regering regeert en het parlement controleert, moet het kabinet eerst een standpunt innemen en dan pas de Kamer. Hij had zich bovendien ook niet in al die bochten hoeven wringen, omdat er geen reden is voor dankbaarheid jegens de regering, die volgens haar eigen beeldvorming een resolutie in New York voor de poorten van de hel zou hebben weggesleept. De consensus over resolutie 1546 van de Veiligheidsraad was vooral het resultaat van Franse druk. Nederland stond al bij de eerste versie te juichen voor de Amerikaans-Britse tekst, die Irak bepaald niet de volledige soevereiniteit teruggaf. Dacht Bos misschien aan andere belangen? Zocht de man — die na de aanslag van 11 maart in Madrid en de verkiezingsoverwinning van zijn geestverwanten daar al te voorbarig had gezegd dat de Nederlandse troepen net als de Spaanse terug moesten komen — naar tijd en ruimte om eventueel een draai te maken richting regering? In de oppositie begint immers vaak de formatie voor een nieuw kabinet.

Het zou al te treurig zijn. Want er staan echt hogere belangen op het spel dan een volgend kabinet. Wie door de verbloemende taal van de veiligheids analyse in de brief leest, ziet zelfs een ijzingwekkende opeenstapeling van potentiële rampscena rio’s opdoemen.

Het kabinet schrijft dat contacten met de bevolking via de lokale CPA (het tijdelijk gezag van de Central Provisional Authority) tijdig informatie oplevert over op handen zijnde aanslagen. Om vervolgens mee te delen dat de CPA wordt opgeheven na de soevereiniteitsoverdracht op 30 juni en dat deze beslissing «provinciale actoren, zoals de gouverneur en de stammen […] de ruimte [geeft] om de politieke ontwikkelingen naar hun hand te zetten. De stambelangen kunnen leiden tot spanningen en uitmonden in stammentwisten.»

Het kabinet rept van «aanhoudende dreiging» door voormalige Saddam-aanhangers en buitenlandse strijders, van «sterke aanwijzingen over netwerken die ondersteuning bieden aan buitenlandse strijders die actief zijn in het Nederlandse operatiegebied» en van wapensmokkel in het grensgebied met Saoedi-Arabië dat Nederland moet controleren. Ook de toegenomen onrust in het zuiden en de aanvallen op Nederlandse eenheden worden in verband gebracht met de opstand van de milities van de radicale sjiïtische geestelijke Moqtada al-Sadr. Waarna het weinig geruststellend klinkt: «De opstand van al-Sadr lijkt op dit moment ingedamd, al kan niet worden uitgesloten dat de beweging de huidige rust zal gebruiken om zich te hergroeperen en herbewapenen. De onderliggende motieven van de beweging blijven onaangetast.»

Het kabinet verantwoordt ook de kosten van de missie die beoogt Irak weer op te bouwen. Door de omstandigheden kan het zijn geld niet kwijt. Er zijn miljoenen euro’s over die besteed zullen worden «zodra de veiligheidssituatie het toelaat». Zelfs de inspanningen om een Iraakse burgermilitie op te leiden, loopt mis: door «de loyaliteit aan tribale of politieke groeperingen en het soms corrupte karakter van delen van het veiligheidspersoneel».

Geen aanlokkelijke perspectieven. Het deert kabinet en kamermeerderheid niet. De beslissing om te blijven is gebaseerd op politieke motieven en wordt niet ondersteund door militair operationele argumenten.

Natuurlijk, voor het verlengen van een vredesmissie heeft het kabinet geen parlementaire meerderheid nodig. Maar dat betekent nog niet dat Nederlandse militairen niet alleen letterlijk maar ook figuurlijk de woestijn in kunnen worden gestuurd. Er is al een sergeant eerste klasse gesneuveld en een korporaal zwaar gewond geraakt. Nederlandse bases in As Samawa en Ar Rumay ta worden beschoten. Van ondergeschikt belang? Nee. Het geluk dat de Nederlanders tot nog toe gehad hebben, kan niet verhelen dat de missie zware problemen heeft. Wat een vredesmissie moest worden, is langzaam aan het wegglijden naar een oorlogsmissie. Van beschermers en wederopbouwers zijn de Nederlanders doelwit geworden, pionnen in een strijd die door steeds meer Irakezen wordt gezien als een bevrijdingsoorlog tegen buitenlandse overheersers. Dat zij officieel niet tot de bezettingsmacht behoren, maar deel uitmaken van een «Multi National Force» die ten bate van de wederopbouw op VN-verzoek de veiligheid en stabiliteit moet herstellen, is voor de gemiddelde Iraakse opstandeling een onbeduidend detail.

Het kabinet neemt derhalve een zware last op zich. Er zijn goede gronden om de missie te verlengen, en uitstekende redenen om haar af te breken. De zwalkende taal in de brief aan het parlement overtuigt geenszins. Dat is zorgwekkend. Nog zorgelijker is het dat ook de regeringsfracties zich daarmee op voorhand en ongelezen hebben verzoend. Elke militaire missie, waar telkens weer Nederlandse levens op het spel worden gezet, verdient een grondige argumentatie en een diepgaand kamerdebat. Zéker deze missie in de woestijn, die net als die destijds in Srebenica van vredesmissie tot oorlogsmissie is geworden.