Pécs: Culturele Hoofdstad tussen Essen en Istanbul

Draaischijf naar de Balkan

Het Zuid-Hongaarse Pécs is Culturele Hoofdstad van Europa. Strijdend tegen corruptie wil artistiek leider Szalay het oorspronkelijke concept overeind houden. ‘Redden wat er te redden valt.’

PÉCS - ‘Beschik je niet over een privé-jet? Spijtig, want groter luchtverkeer kan ons vliegveld niet aan. Dan resteert je, bij gebrek aan een autosnelweg, de trein hierheen.’ Spot en zelfrelativering zijn, naast eindeloos geduld, de wapens waarmee Tamás Szalay zich staande houdt. Wapens: de artistiek leider van Europa’s Culturele Hoofdstad Pécs 2010 spreekt in militaire termen over zijn 'Kampf’ met de Pécser en de Hongaarse overheden. Die koude oorlog werd eind 2009 noodgedwongen in een wapenstilstand omgezet. 'Nu is het de wonden likken en redden wat er te redden valt van ons oorspronkelijke concept Pécs: Grenzeloze Stad.’
In 2005 nam een groep kunstenaars en jonge burgers uit Pécs, onder wie de academicus Tamás Szalay (1969), het initiatief mee te dingen naar de titel Europese Culturele Hoofdstad. Deze moest in 2010 aan een Hongaarse en een Duitse stad toevallen. Ze wonnen met hun aanvraag Grenzeloze Stad, fris en Europees van toon, van de tien concurrerende Hongaarse steden, waaronder de hoofdstad Boedapest.
In 2006, in 2007 en ook nog in 2008 beloofde de Hongaarse regering dat de geplande autosnelweg Pécs, 225 kilometer ten zuiden van Boedapest, op 1 januari 2010 zou hebben bereikt. In 2008 was de Hongaarse staat bankroet. De autosnelweg is nog nergens te bekennen. Het heet nu dat de weg, deo volente, Pécs midden in het Cultuurhoofdstadjaar 2010 bereikt.
Szalay is een gelovig man, maar niet goedgelovig, vooral niet bij beloften van Hongaarse politici. Van de uitbreidingsplannen met het vrachtvliegveld is ook niets terechtgekomen. Wel rijdt er sinds kort om het uur een intercity van Boedapest naar Pécs. Om daartoe in de hoofdstad bij het juiste treinstation te belanden, moet evenwel een martelgang met bussen en boemeltjes worden overbrugd. 'Het was de burgemeester van Pécs zelf die de aanleg van de weg saboteerde’, legt Szalay uit. Deze 'ex-communist’, zoals Szalay het kader de Hongaarse socialistische volkspartij wegens de continuïteit van haar oude netwerken steevast noemt, hoopte daarmee te bewerkstelligen dat hij alsnog de wegenbouwer zelf mocht aanwijzen, 'zodat er een percentage voor hem aan de strijkstok bleef hangen’. Maar dat was hier niet aan de orde, vanwege de directe Europese betrokkenheid.
Hongaren spreken van de 'dertig-procentstaat’, vertelt Szalay. 'Dat is het geschatte deel van alle subsidiegelden dat in de zakken van politici, ambtenaren en hun zakenvrienden verdwijnt - van de diverse politieke partijen.’ Szalay strijdt al jaren met open vizier tegen de politiek. Ook toen de betreffende burgemeester nog niet in de coma was geraakt waaruit deze niet meer is ontwaakt. De 'algemeen directeur’ die het stadhuis boven hem en zijn mede-initiatiefnemers had geplaatst, noemde hij ook in 2007 al een even grote organisatorische ramp als de nieuwe managerskaste op het stadhuis, waar hij niet omheen kon: 'strak in het pak, dynamisch en vijandig als in de duisterste jaren van het communisme, dat hebben ze van hun ouders meegekregen.’
Toen Boedapest doorkreeg dat 'Pécs 2010’ er op die manier nooit zou komen, plaatste het nog eens een commissie boven alles en iedereen. 'We stonden onder curatele. Onze artistiek directeur vluchtte weg. Ik deed de buitenlandse betrekkingen, en vluchtte wanneer ik kon naar de collega’s van “Essen 2010” of naar partners in Berlijn. Ik zie mezelf daar nog in het Bauhaus-Archiv op mijn knieën gaan: “Heeft u alstublieft nog wat geduld, ik kan nu even geen knoop doorhakken over deze bruiklenen of die gezamenlijke workshop. Ik doe mijn werk namelijk in een verre uithoek van Europa, in de diepste provincie onder de barste omstandigheden.”’
Hij moet zelf om zijn operascène lachen: 'Ik weet me in Europa gelukkig gesteund. In Brussel is vorig jaar een machtswoord ten gunste van ons uur gesproken, omdat het programmaconcept Grenzeloze Stad door de politieke stokpaardjes en belangen dreigde te worden ondergesneeuwd.’ Szalay had zijn ontslagbrief ondertussen geschreven. Maar als een van de laatsten van het eerste uur vertrek je niet zomaar.
Nu begin 2009 een nieuwe burgemeester is gekozen van de conservatieve volkspartij Fidesz, en de 'ex-communisten in en om het stadhuis na vele jaren een stapje terug hebben moeten doen’, heeft hij zich tot het artistiek leiderschap van 'Pécs 2010’ laten overhalen. 'Het programma stel ik nagenoeg alleen samen. De artistiek directeur van collega-Culturele Hoofdstad Essen heeft misschien wel vijftig man onder zich. Zeker, die hebben het hele Roergebied erbij, 53 steden. Maar wij hebben ons eigen Roergebied: de Balkan.’

ALS JE vanuit Essen/Roergebied een lijn naar Istanbul trekt, ligt Pécs precies halverwege: van beide duizend kilometer verwijderd. Gedrieën hebben ze de status Culturele Hoofdstad van Europa 2010 verworven. Tamás Szalay heeft geen angst dat Pécs met haar 160.000 inwoners tussen de twee giganten wordt vermalen. Met zijn Turkse en zijn Duitse erfgoed vormt de Zuid-Hongaarse stad juist een unieke verbindende schakel tussen beide. Szalay is door zijn Oostenrijkse oma op de Duitse school gedaan, een school van de Donau-Zwabische minderheid in de regio. En hij associeert de islam eerder met een rijke cultuur dan met terrorisme: 'De Turkse bezetters van Pécs waren tolerant in vergelijking met de Habsburgers na hen.’
Op Szalays stad kun je reisfolderproza loslaten. Bijvoorbeeld over het mediterrane klimaat in de luwte van een bergrug, waarbij de sultan niet mag ontbreken, die zijn bezit Pécs in de zeventiende eeuw 'het paradijs op aarde’ noemde. Of je somt de tastbare culturele erfenissen van een tweeduizendjarig bestaan op, van de Unesco-omarmde vroeg-christelijke graven uit de Romeinse tijd tot de werken van Breuer en andere Bauhaus-modernisten of verder, tot de sprankelende avant-garde van de jaren zestig.
Szalay rust, bij hoge uitzondering, even uit in de tuin van zijn huis, een stukje bergopwaarts. Tussen oleanders en amandelbomen staart hij naar beneden, op het magnifieke panorama van het stadscentrum. Het stadhuis is, in al zijn neobarokke Habsburgse pracht, vanuit Szalays vogelperspectief een nietig pand. Het gaat bijna schuil achter de contouren van een kolossale natuurstenen moskee. In reiswebsiteproza is dit 'de grootste herinnering aan anderhalve eeuw Turkse overheersing in Hongarije’.
De groene moskeekoepel draagt een halvemaan met een kruis daarbovenop. In deze kerk met de gedaante van een moskee bidden de katholieken van Pécs tussen mariabeelden en koranopschriften. De stenen van de Romaanse kerk op dit plein waren rond 1600 door de Ottomaanse overwinnaars in een moskee omgevormd en na hun vertrek een eeuw later weer tot kerk. Midden vorige eeuw werden de weggewerkte moskee-elementen weer blootgelegd, als deel van een plan om de ruimte efficiënter te benutten. De geschikte lampen vonden de communisten in het Joegoslavische Sarajevo.
Naar verluidt kwamen er in de jaren negentig Bosniakken, islamistische Bosniërs op de vlucht voor de Balkan-oorlog, in de katholieke moskeekerk onder de lampen uit hun Sarajevo bidden. 'De oorlog was zo angstaanjagend dichtbij’, zegt Szalay. 'Ik zag hier in de tuin de hemel ginds oplichten en hoorde het gedonder.’ In de verte achter de moskee liggen Kroatië en Servië, vanuit Szalays blikveld zij aan zij.
Bosniakken wonen er van oudsher in Pécs, net als Kroaten, Duitsers, Roma, en andere etniën uit de regio. Turken wonen hier amper meer. Maar de wereldberoemde Pécser Zsolnay-keramiekfabriek heeft heel wat jugendstilfaçaden met Turkse motieven geproduceerd. En die Zsolnay-keramiek vind je niet alleen hier en in Boedapest of Wenen aan de gevels, maar ook overal op de Balkan, zegt Szalay. 'Dit is één cultuurgebied. En we willen er één feest van maken. We willen Europa laten zien dat niet alleen in Pécs, maar ook over de grens een hoop aangenaams en eigentijds gebeurt.’ Zo hebben zijn kunstenaarsvrienden en hij het in 2005 geformuleerd: 'Als Culturele Hoofdstad van Europa zou Pécs het experiment van het grensgebied willen aangaan: een culturele zone die zich uitstrekt van Triëst via Tuzla tot Timisoara. Pécs is een culturele toegangspoort tot de Balkan.’
De woordkeus van toen ontlokt Szalay enige filosofische zelfspot. 'Onze missie klinkt goed. Maar dat “toegangspoort tot de Balkan” zegt Belgrado ook van zichzelf, of Zagreb, of Timisoara. Altijd de toegangspoort. Waar is de Balkan dan? Ergens om de hoek. Bij de buren, nooit waar men zelf woont. Maar juist deze zoektocht naar de Balkan is wat cultuur uitmaakt. Cultuur is geen land van antwoorden, maar een land van vragen.’

TÁMAS SZALAY trekt de oude houten huisdeur achter zich dicht en daalt af naar het Széchenyiplein, waar zowel de grote moskeekerk als het stadhuis staat. Dat wordt een zwaar kwartiertje. De binnenstad is compleet op de schop. Geen van de 'duizend jaar oude keien’ ligt meer op zijn plek. Toch luidde op 30 december Emir Kusturica op dit plein het jaar uit met een grensoverschrijdende Balkan-mix, die ooit in Sarajevo is ontstaan. En in januari vond hier de openingsmanifestatie van het Culturele Hoofdstad-jaar plaats.
'De helft van de bouwvakkers is Roma’, zegt Szalay. 'Hopelijk komen ze zo wat makkelijker van het imago af klaplopers te zijn.’ In Pécs werden een jaar geleden twee Roma vermoord: men vuurde handgranaten op hun huisje af. In Hongarije maken de Roma zeven procent van de bevolking uit. Het geweld tegen hen is de laatste jaren toegenomen. Geen wonder, Hongarije is het schouwtoneel van menige radicaal-nationalistische rel, waarbij leuzen vol ongerichte haat opklinken, en gerichte: tegen de Roma, joden, Slaven. En dit rechts-extremisme krijgt opvallend weinig weerwoord van Fidesz. De conservatieve volkspartij houdt zich sowieso koest en laat de socialisten in Boedapest vooralsnog in het zadel om het achterstallige vuile werk op te knappen: ziekenhuizen sluiten, op wetenschap en onderwijs en wat niet al bezuinigen.
Szalay vreest nog veel meer gewelddadige en andere explosies van onvrede in zijn land, dat vijf jaar geleden nog het paradepaardje van het nieuwe Europa was. 'Er is in de Hongaar een zekere hardheid geslopen, een ieder-voor-zich-mentaliteit’, zegt hij in de luxe winkelstraat die bij het Széchenyiplein begint. 'Let op, de mensen kijken elkaar bijvoorbeeld niet aan, en anders zijn het toeristen. In het museum waar mijn vrouw werkt, neemt het personeel zelfs de schoonmaakmiddelen mee naar huis. Dat gebeurde in het communisme natuurlijk ook, dat bedoel ik juist. Er heeft hier geen mentale Wende plaatsgevonden.’
Hij legt de grootste schuld hiervoor bij de beide, elkaar als straatvechters bestrijdende volkspartijen, de 'ex-communisten’ in de Hongaarse regering en oppositiepartij Fidesz. 'Beide hebben geen beleid, geen sociaal plan, en liegen ongegeneerd.’ Daarbij komt dat veel belangrijke besluiten in het parlement slechts met tweederde meerderheid kunnen worden genomen. Zo kan het amper op wanbeleid reageren. 'En de bevolking heeft niet geleerd zich teweer te stellen.’ Des te makkelijker kan ze door politieke krachten worden gemobiliseerd.
Fidesz-lid is hij al lang niet meer. Bij haar oprichting in 1988 stond deze Bond van - letterlijk - Jonge Democraten bij Szalay en vele andere jongeren voor hoop en verandering. Toen werd Fidesz-voorman Viktor Orbán op zijn 35ste minister-president en 'van liberaal in één nacht conservatief’. Szalay is blij dat hij zijn dochter heeft kunnen bewegen in Berlijn te gaan studeren - dat kostte overigens geen moeite. 'Mijn vrouw en ik willen in de nabije toekomst ook die kant op. Desnoods ga ik in Duitsland paprikaworsten verkopen, als ik maar weg ben.’ Vooralsnog verkoopt hij in de benarde, op zichzelf gerichte vesting die Hongarije heeft een Grenzeloze Stad, waarin wordt verbroederd met de Balkan en de Turkse erfvijand.
Hij is vandaag te voet onderweg, omdat hij de geplande Cultuurwandelroute 2010, van de moskee naar de Zsolnay-fabriek, weer eens wilde ondergaan. Amper is hij de vrolijke wandelstraat met de overvloedige winkels en hotel-restaurants door of hij lijkt in de ultieme periferie te zijn beland. Een grote weg, een kale vlakte, een Lidl, een gebouw in de steigers, een treurig gezondheidscentrum - hier op de Buza ter, de voormalige tarwemarkt, wedijvert de communistische wanplanning met de postcommunistische anarchie.
'Op dit plein hadden we het nieuwe concertgebouw en conferentiecentrum gepland: halverwege de route naar Zsolnay, de grote cultuurfabriek van 2010.’ Het bureau van de Culturele Hoofdstad had deze plannen in 2006 enthousiast verkondigd. 'Toen de burgermeester ervan vernam heeft hij de grond van deze toplocatie onderhands aan een vriendje verkocht. Voor het tienvoudige bedrag kon de stad de bouwgrond terugkopen, en als die burgemeester niet in coma was geraakt, zou dat wellicht ook zijn gebeurd. Nu bezit een ander het weer, het is pure speculatiegrond. Een vlakte die de Zsolnay-fabriek afsnijdt van de binnenstad.’
Szalay praat zichzelf moed in. 'Oké, onze sfeervolle Wandelroute 2010 is kapot, we hebben verloren. Maar misschien kunnen we een spiegeltent neerzetten als overbrugging naar het park daarginds, waar de nieuwe cultuurgebouwen nu verrijzen. Een slimme jongen gaat hier dan ijs of bier verkopen, zodat er toch nog leven ontstaat.’ Hij is verrast hoe kort de route naar Zsolnay te voet eigenlijk is. Het is vooral 'gevoelde afstand’.
Zsolnays legendarische keramiekfabriek is een ommuurde stad vol hallen, schoorsteenpijpen, magazijnen en villa’s uit uiteenlopende tijdperken, met hoven en verwilderd groen. Her en der duiken prachtig besteende gevelstukken op, overwoekerde beelden, of een stapel van de stenen die voor de eerste Boedapestse metrostations zijn gebruikt. In één hal wordt nog porselein geproduceerd, maar verder ontstaat hier een cultuurfabriek. In sommige hallen worden al workhops monumentale kunst gegeven, of repeteren theatergroepen.
Tamás Szalay kent het concept Kulturfabrik uit Berlijn en uit het Roergebied: het tweede leven van productiehal, mijn of loods. 'Mijn idee, gesteund door een wethouder die een keer naar het Roergebied is meegekomen, was om met kleine aanpassingen en een goede uitlichting in zo'n hal in 2010 grote manifestaties te laten plaatsvinden. Het werd in de gemeenteraad weggehoond, juist ook door Fidesz: “We kunnen wel zien wat links in Pécs onder kwaliteit verstaat. Zo'n smerige hal - een schande voor de stad!” Ach, men is nog niet zo ver.’
In Hongaarse kranten en ook een paar buitenlandse verschenen vorig jaar zure stukken met de teneur Pécs: Onaffe Culturele Hoofdstad. 'Gelukkig is 2010 deel van een groter en veel belangrijker project’, is Szalays standaardreactie daarop. 'Het Culturele Hoofdstad-jaar biedt ons de unieke kans dat onaffe decor als laboratorium van creatieve experimenten te gebruiken. Juist de Hongaren kunnen hier ervaren dat theater niet slecht hoeft te zijn als het niet zwaar door de staat is gesubsidieerd. Want zo denkt men hier. Niemand richt een theatergroepje op dat zichzelf gaat bedruipen, want daar komt niemand op af. Dit is een land dat elk initiatief van onderop frustreert.’

DE STADHUISKLOKKEN galmen in het raadhuiscafé boven het hoofd van Antonio de Blasio. De voormalige europarlementariër met Italiaanse vader is begin 2009 in zijn geboortestad Pécs teruggekeerd om de nieuwe burgemeester te adviseren over internationale aangelegenheden en de Culturele Hoofdstad. De Blasio is beroepspoliticus, ex-manager in internationale ngo’s, diplomaat en volgens Szalay kandidaatminister voor het gedoodverfde Fidesz-kabinet na de landelijke verkiezingen van 2010.
De Blasio is behoorlijk geschrokken van wat hij hier aantrof. 'Halverwege 2009 was er nog geen infrastructurele Culturele Hoofdstad-activiteit te bespeuren’, vertelt hij. 'Het concertgebouw zal bijvoorbeeld pas op z'n vroegst in de herfst van 2010 klaar zijn, weet ik nu, en het gigantische investeringsproject Zsolnay-fabriek pas over jaren.’ Het centralistische Hongaarse model, waardoor de EU-gelden mét de staatssubidies voor Pécs via Boedapest lopen, werkt fataal, zegt De Blasio. 'In Essen/Roergebied gaat dat heel anders.’ Even fataal is, zo laat hij weten, de budgettering per jaar en een premier die de gelden dan ook nog niet via de ministeries laat verdelen, maar via ontwikkelingsmaatschappijtjes die hij zelf samenstelt.
'Maar het onderliggende probleem’, vervolgt De Blasio, 'is het principiële wantrouwen van de Hongaarse overheid tegen initiatieven vanuit de burgerij. Begin jaren negentig bloeide de civil society. Burgerinitiatieven waren in het communisme immers onmogelijk geweest. Maar die nieuw-opgerichte organisaties kregen niet de mentale en financiële overheidssteun die ze hadden moeten hebben, het ging bergafwaarts met ze, en nog steeds. Dan kom je in een negatieve spiraal: de burgerinitiatieven beschikken vaak niet over de beste professionele krachten, de politiek krijgt nog minder vertrouwen in ze, en als gevolg wordt zo'n club elk beetje macht onthouden. Dat is dom, want de overheid is er zeer bij gebaat bepaalde taken, bijvoorbeeld op milieu- en sociaal-cultureel terrein, te delegeren.’
'Het nieuwe stadsbestuur heeft daarentegen groot vertrouwen in het managementbureau van “Pécs 2010”’, voegt De Blasio snel toe. 'Dat is ook als burgerinitiatief begonnen, en heeft de hoofdprijs binnengebracht.’ De adviseur van de burgemeester beseft welke kansen het concept van de Grenzeloze Stad biedt: 'Het Culturele Hoofdstad-jaar is een stuk gereedschap om de rol van Pécs in Europa voor de komende twintig jaar vorm te geven. Wij willen, als stad met een prachtig multicultureel erfgoed, het culturele centrum van deze regio worden: Servië, Kroatië, Bosnië, Roemenië, andere Centraal-Europese landen, Noord-Italië… Ik kom vaak met de burgemeester in Kroatië. Vermoedelijk treedt dat land al in 2011 tot de Europese Unie toe. Dan krijgt Pécs al een centralere rol in deze regio. En we gaan die, op basis van onze culturele programma’s, ook nog eens bij de regering afdwingen, want in 2011 heeft Hongarije het raadsvoorzitterschap van de EU.’
Tamás Szalay wacht bij de controle aan de grens met Kroatië, 35 kilometer van Pécs. Vooralsnog is dit de harde buitengrens van de Europese Unie, maar Kroaten mogen de EU al zonder visum binnen. 'Ik herinner me nog goed dat de wensdromen de andere kant op gingen’, zegt Szalay. 'Voor ons Hongaren vertegenwoordigde Kroatië het Vrije Westen. Als tiener ging je er spijkerbroeken kopen. Een visum bemachtigen voor Joegoslavië, waar het toen toe behoorde, lukte echter slechts pakweg eens in de drie jaar.’
De Kroaten en de Hongaren waren goede buren in het Habsburgse Rijk. 'Iedereen in Pécs heeft wel Kroatische verwanten, ikzelf ook.’ Een kanttekening maakt hij graag. 'Kroatië is nogal met zichzelf ingenomen. De Bosniërs, maar ook vele Serviërs die ik ontmoet, denken minder eng-nationalistisch, moderner dan de meeste Kroaten. Ze staan meer open voor het nieuwe.’
Na alle strijd en compromissen concentreert Szalay zich zo veel mogelijk op zijn stokpaardje uit 2005: de culturele zone versterken tussen Pécs en de as Triëst-Tuzla-Timisoara. De binnenste ring daarvan, vanuit Pécs gezien, wordt gevormd door de zuster- en partnersteden Osijek in Kroatië, Novi Sad in Servië en Tuzla in Bosnië. Szalay is weer met plezier op weg naar Tuzla, 'niet verder van Pécs dan Boedapest’.
Eerst moet hij in Osijek nog wat regelen voor zijn speerpuntproject de Jazzbrug. Dat is een busdienst voor jazzmusici uit de regio, die de afstand tussen Pécs en het Servische Novi Sad, via Osijek, moet gaan overbruggen. Szalay kan nu in Osijek mooi in één moeite door de grote beloften wat afzwakken die De Blasio en de Pécser burgemeester hier voortdurend aan de Kroaten doen, en waarvoor anders Szalays al drie keer uitgegeven budget wordt aangesproken.
Van Kroatië is hij zo in de Servische entiteit Republika Srpska, die deel uitmaakt van de federatie Bosnië-Herzegovina. Hij telt er de doorgekraste plaatsnaambordjes: nu eens is de cyrillische (Servische) aanduiding van een oord overgekalkt, dan weer die in het Romeinse schrift onleesbaar gemaakt. Soms ook beide, dan weet de reiziger niet waar hij is. Szalay lacht hoofschuddend. Hij is bang voor een nieuwe Balkan-oorlog. 'Deze geforceerde situatie houdt geen stand. Maar kijk, in dat dorp ginds zijn een orthodoxe kerk én een moskee in gebruik. Er zijn dus ook dorpen waar men nog samenleeft.’
Hij heeft heus niet de illusie dat hij door het bijeenbrengen van kunstenaars uit de verschillende Balkan-etniën via 'Jazzbruggen’ en dergelijke vrede kan stichten: 'Maar het kan niet schaden ze samen te laten musiceren, exposeren of confereren.’ En zo verschillend is men hier nu ook weer niet van elkaar. Neem Tuzla, dat hij nu binnenrijdt. De stad stond nog tot 1908 onder gezag van de Turkse sultan. Maar je ziet vooral modern geklede mensen, en weinig hoofddoekjes, in een Europees decor met een flinke sovjettouch. 'Ze hebben ons hard nodig. Arabische staten willen hier dolgraag investeren, vertelde me de burgemeester, die eigenlijk een schrijver is. Hij probeert het af te houden, maar heeft daarvoor wel de steun van de EU nodig. Hij is boos op Europa, voelt zich in de steek gelaten.’
De Serviërs mogen sinds 1 januari zonder visum de Europese Unie in. Dus ook de Serviërs die in de federatie Bosnië-Herzegovina wonen. De Kroaten op de Balkan hebben al visumvrijheid. 'De burgemeester van Tuzla ziet de bevolking van zijn stad, en van zijn staat, in 2010 in twee ongelijke groepen gesplitst: zij die de EU in mogen, en zij die worden buitengesloten. Dat zijn de Bosniakken, de etnische Bosniërs. Terwijl hij nu juist eendracht probeert te stichten.’ De etnische Bosniërs, veelal moslims, kunnen het 'grenzeloze’ Culturele Hoofdstad-feest in Pécs niet meevieren. De burgemeester van Pécs heeft de Hongaarse vice-president van het Europees Parlement nog op deze absurditeit gewezen, vertelde zijn rechterhand De Blasio.
De burgemeester van Tuzla heeft Tamás Szalay vandaag uitgenodigd voor een lokale manifestatie. Wat hem te wachten staat, zal Szalay wat bevreemden: een feest in communistische tonen, met vele rode vlaggen, parades, marsmuziek. Men verlangt hier hartstochtelijk naar rustiger, vreedzamer tijden.

Programma van Pécs 2010, Culturele Hoofdstad van Europa: http://en.pecs2010.hu