Voor wie The Overstory (2018) heeft gelezen is het op een bepaalde manier fijn om te weten dat Richard Powers diep in de Smoky Mountains woont, die van Tennessee naar North Carolina lopen. The Overstory – in het Nederlands uitgebracht als Tot in de hemel – heeft een cast aan personages wier levens stuk voor stuk zijn veranderd door toedoen van bomen. De een bestudeert hoe bomen met elkaar communiceren, een ander is uit een boom gevallen en verlamd geraakt, weer anderen zijn activist en proberen een reuzensequoia voor de kettingzagen van de houtindustrie te beschermen. The Overstory, bekroond met een Pulitzer en genomineerd voor nog een sloot andere prijzen, had daarmee een doel; om het perspectief van de mens te verleggen naar dat van de natuur. Of zoals Powers het zelf zegt, te verleggen naar ‘this Other Consciousness’.

Dus voor de lezer past het allicht in het beeld dat dit niet slechts een verhaalmechanisme was, maar een manier van leven van de auteur. Powers woont hoog in de bossen, soms valt de telefoonverbinding even weg. Hij spreekt uitvoerig over de bomen, over de ‘agency’ van de planten, van vogels, en hoe je als je oplet ziet hoe de natuur zich steeds aanpast, aan de seizoenen, aan de omstandigheden – aan jou. Als je dat eenmaal ziet, zegt hij, kun je niet anders dan begrijpen dat de mens ‘not the only game in town’ is, en dat je dus de plicht hebt met de natuur samen te leven, in plaats van haar naar believen te gebruiken.

Powers, 64, heeft een zachte, aangename stem, en spreekt niet alleen in volzinnen, maar in complete alinea’s. Het is oktober, de herfst brandt in alle kleuren prachtig in de bladeren van zijn bos, zegt hij: ‘Deze week wilde ik mijn deur openen toen ik door het gaas een beer op mijn terras zag. Een zwarte beer, misschien negentig kilo. Ik slaakte een zucht, en hij schrok van hoe ik schrok en rende weg.’ Powers vertelt het redelijk verrukt.

Diezelfde zwarte beren spelen een rol in zijn nieuwe roman, Bewilderment; hierin zorgt de astrobioloog Theo Byrne voor zijn negenjarige zoon Robin, die zoals Theo het zegt, ‘zich ergens op het spectrum’ bevindt. Net als zijn overleden moeder ziet Robin het als zijn doel de natuur van de ondergang te redden, in zijn geval door monomaan tekeningen van bedreigde dieren te maken. Wie hem daarbij stoort kan op woedeaanvallen of implosies van depressiviteit rekenen. Zo ook nadat ze midden in de Smoky’s op een ‘berenfile’ stuiten, ‘een halve mijl suv’s bumper aan bumper, allemaal hongerend naar de laatste restjes wildernis in het oosten’.

De toeristen maken foto’s van een voorbijtrekkend familie zwarte beren; Robin gaat ook kijken, en komt woedend terug. Niets is er natuurlijks aan. Theo probeert nog te zeggen hoe slim de beren zijn, dat ze misschien eenzaam waren. Waar heb je het over? bijt Robin terug, de beren waren niet eenzaam, ‘ze walgden van ons’. Het is duidelijk dat Robin met ze mee walgt.

Waar Tot in de hemel een breed panorama schetste, met verhaallijnen die soms meerdere generaties omspanden, heeft Verwilderd een directe vertelstem, een meer gefocuste blik, nauw gericht op de emotionele staat van een vader en zoon die hun rouw onderdrukken, of in ieder geval niet weten hoe die te verwerken. Maar net als in Tot in de hemel schuift het perspectief van de mens naar de zwarte beer, naar de natuur in de Smoky’s, en heeft het boek een soortgelijke thematiek: de mens is niet het enige levende ding op deze planeet, en zou zich dus best iets bescheidener mogen opstellen. Ook nu is het succes eclatant: Bewilderment is net binnengekomen in de top-tien van de New York Times-bestsellerlijst en staat op de shortlist van de Bookerprize. Oprah Winfrey heeft het nu uitgekozen voor haar boekenclub.

Zelf verontschuldigt Powers zich bijna voor zijn succes: ‘Ik zit in de bonusronde van mijn leven, I’m beyond what’s reasonable to ask for.’

Wat niet wegneemt dat hij daarmee geen victorieronde maakt, juist omdat zijn boeken zo’n serieus, urgent thema hebben. Powers schrijft al decennia over de combinatie van wetenschap versus menselijkheid, de natuur versus het kapitalisme; als je maar lang genoeg doorschrijft, komt de actualiteit vanzelf jouw kant op, zegt hij. ‘Ik heb het gevoel dat we op dit moment met een eco-trauma leven; er is een bijna universeel gevoel van wanhoop en zorgen om onze veiligheid en ons voortbestaan. In plaats van dat de crisis ons activeert, demoraliseert zij ons, zoals een depressie dat doet.’

Hoe werkt dat eco-trauma?

‘Dat eco-trauma bestaat volgens mij uit twee onderdelen. Allereerst is het een trauma van het verlies van wat we kennen, wat vertrouwd is. Seizoenen vallen weg, dieren vallen weg, de plekken waar we zijn opgegroeid, die we associëren met een bepaald klimaat of een bepaalde temperatuur, vallen weg. We weten niet wat ervoor in de plaats komt. Daarnaast is het een trauma van het verdwijnen van de aarde als een systeem dat leeft, dat ademt, dat zichzelf reguleert. De mens heeft die ontregeling veroorzaakt en de jeugd voelt dat het hardst; kinderen hebben van nature iets pantheïstisch, of animistisch. Ze hebben instinctief een gevoel voor de schatkist die onze aarde is, en hebben een empathie voor dieren en planten die volwassenen vaak zijn kwijtgeraakt.’

Daarin zit dan misschien een derde trauma, namelijk de expliciete botsing tussen generaties – in de vorm van jonge mensen die zo nadrukkelijk teleurgesteld zijn in de beslissingen, of het gebrek aan beslissingen, van de generatie van hun ouders.

‘Natuurlijk is er een generationeel antagonisme. Jonge mensen zijn niet betrokken bij de status quo. Terwijl volwassenen gekoloniseerd zijn door economisch denken. Ik denk dat dat de botsing is tussen Theo en zijn zoon Robin; Robin heeft een primaire woede over wat de natuur wordt aangedaan, terwijl Theo zoals zoveel volwassenen er een valse boekhouding op nahoudt; zoals velen is hij in staat de klimaatcrisis weg te beredeneren. Onze ‘commodity-mediated individualist market-driven human exceptionalism’ – we kunnen dat ook ‘kapitalisme’ noemen, dat bekt net wat makkelijker – is een cultuur van normalisatie, van ervan uitgaan dat veranderingen zich uiteindelijk aan ons aanpassen, omdat wij, de mens, centraal staan in het leven. Om de klimaatcrisis echt tegemoet te treden is er een brede verandering in het bewustzijn van de homo economicus nodig.’

Hoe werkt dat bewustzijn nu?

‘Misschien ken je Andrew Carnegie – dat was een van de robber barons, de steenrijke industriëlen aan het begin van de twintigste eeuw. Hoeveel is genoeg? vroeg iemand hem eens. ‘Just a little bit more’, zei hij. Het kapitalisme is niet alleen een economisch systeem, het is ook een culturele dispositie. Het kapitalisme heeft altijd gedraaid op ontevredenheid, op mensen hongerig maken. Naar meer spullen, meer ervaringen, verdere reizen, nieuwe auto’s. Het is de bedoeling dat je een net iets beter betaalde baan krijgt, een net iets groter huis. Just a little bit more. Die culturele dispositie heeft ons getraind om op zoek te zijn naar nieuwe dingen om af te vinken, en zo zijn we betekenis gaan vinden in accumulatie, in groei, in kopen, in spullen.

Zo komen we denk ik bij een trauma waar niemand het over heeft, wat de klimaatcrisis betreft; het wegvallen van betekenis. Voor hele generaties is accumulatie betekenisgevend geworden; maar bewust of onbewust weten we allemaal dat die groei onhoudbaar is. We have to give up the hope of getting across the finish line with all our stuff. Het wegvallen van die purpose is traumatiserend, zonder betekenis kan een mens niet bestaan, we weten niet waar we het moeten vinden. Daarom willen we er niet over praten.’

Het goede nieuws is: jongeren lijken zich meer dan ooit bewust dat het kapitalisme simpelweg niet voor iedereen gaat werken. Als het gaat om het klimaat, om de woningmarkt, om vaste banen – om de groeiende kloof tussen arm en rijk.

‘Precies. En daarom voel ik een geweldige hoop voor de toekomst. Zelfs nu op de rand van de afgrond. We voelen de noodzaak tot een andere manier van leven. En ik denk dat het juist die afgrond is die ons nieuwe betekenis geeft.’

‘Stel dat we accepteren dat we simpelweg one of the neighbours zijn. Daar begint het’

Richard Powers groeide op op het platteland van Illinois, daarna in Bangkok, Thailand, waar zijn vader op een internationale school werkte. Hij studeerde eerst natuurkunde voordat hij overstapte naar de letteren. Hij werkte een tijdje als ict-programmeur, woonde een paar jaar in Limburg, gaf les op de prestigieuze Stanford-universiteit, net buiten San Francisco.

Daar, buiten San Francisco, tegen Silicon Valley aan, kwam hij de meest doorgevoerde kapitalistische mindset tegen. Hij had daar etentjes, vertelt hij, met ict-investeerders, mensen die bij start-ups werkten, met AI-wetenschappers. Een van de vaste onderwerpen die aan bod kwamen was transhumanisme – het was een obsessie van ze: transhumanisme is de zoektocht, in feite, naar een eeuwig leven, het is het idee waar talloze ict-miljardairs in investeren, namelijk dat wetenschap en dna-onderzoek het mogelijk moeten maken veroudering tegen te gaan en dat we – of de mensen die het kunnen betalen – zo onsterfelijk kunnen worden.

Het is krankzinnig, zegt Powers, ‘het is de ultieme kapitalistische fantasie om de dood te overwinnen, want de dood zet een streep door rijkdom, door accumulatie’. Powers zegt het ironisch, lachend: ‘Death annihilates all meaning.’ En zegt er daarna achteraan: ‘Behalve in de natuur.’

Als in zijn bos een boom afsterft en omvalt, maakt dat ruimte vrij voor andere planten. In de ontbindende boom vinden allerlei dieren en insecten voedingsstoffen. Powers verontschuldigt zich dat dit wel heel boeddhistisch klinkt, maar wanneer je op die manier naar leven en dood kijkt, dan zie je dat ze niet haaks op elkaar staan, maar dat ze deel uitmaken van dezelfde cyclus. Als je die cyclus als je levensdoel beschouwt, dan krijgt zelfs je dood betekenis. ‘En draait het niet allemaal om betekenis?’

Maar als ons klimaattrauma om het wegvallen van betekenis draait, hoe vinden we dan een nieuwe betekenis? Dat is makkelijker gezegd dan gedaan.

‘We kunnen niet anders. En dat gaat vanzelf. Toen ik tijdens het schrijven van Verwilderd door de bossen wandelde, had ik steeds een zinnetje in mijn hoofd: Als je het vertrouwen verliest in een falend systeem, dan win je het vertrouwen in een alternatief systeem.

Zal de natuurlijke wereld overleven? Absoluut. Maar absoluut niet in zijn huidige vorm. We moeten erkennen dat elke weg voorwaarts in de klimaatcrisis een weg is van zwaarte, van verlies – precies wat zo haaks staat op onze homo economicus-manier van leven. Daarom zouden we moeten leren dat er juist betekenis te halen valt in dingen opgeven, dat er een doel voor ons ligt om de ontberingen aan te gaan, dat er geen mooier ideaal is dan ons in te spannen om de wereld door te geven aan volgende generaties. We willen betekenis in het leven – daar ligt het.’

Klimaatdenkers

Zes jaar na het bereiken van het klimaatakkoord van Parijs komt de wereld in november weer samen in Glasgow. De hoop is om tot afspraken te komen die de verdere opwarming van de planeet tegengaan. In aanloop naar Glasgow interviewt De Groene schrijvers, filosofen en wetenschappers over de opdrachten die weggelegd zijn voor de mens in de wankelende natuur.

‘Stel dat we niet meer denken binnen het kader van menselijk exceptionalisme – het idee dat de natuur er voor ons soort mensen is, dat wij buiten de levende wereld staan – en we accepteren dat we simpelweg one of the neighbours zijn. Daar begint het. Veel inheemse culturen ter wereld hebben dat bewustzijn al, alleen de westerse nog niet. Stel dat we leren die niet-westerse opvattingen te gaan toepassen, we ze ons aanleren. Dan leer je jezelf te relativeren, te zien dat jouw manier van leven niet de enige is – zo’n manier van denken zou ook veranderen hoe we denken over minderheden, over migranten, over mensen die in hun identiteit niet binnen onze vastomlijnde hiërarchische kaders vallen. De hele maatschappij zou mee veranderen.’

Maar hoe verander je een mentaliteit?

‘We weten allemaal: met een argument kun je niemands mening veranderen, niet met een grafiek, niet met een statistiek. Maar je kunt mensen hun mening wel laten veranderen met een verhaal.’

Ziet u daar een rol weggelegd? De Indiase schrijver Amitav Ghosh publiceerde in 2016 The Great Derangement, een pamflet dat ervoor pleitte dat schrijvers de klimaatcrisis centraal in hun werk moesten zetten. Denkt u dat kunstenaars een belangrijke rol spelen in het klimaatdebat?

‘Ik denk dat we de belangrijkste rol spelen. Neem de lhbt-beweging. Dertig jaar geleden had ik gezegd, als het bijvoorbeeld om het homohuwelijk ging: “Maakt geen kans.” De gemiddelde Amerikaanse stemmer beweegt niet mee met die emancipatie. Maar toen kregen we films als Philadelphia, toneelstukken als Angels in America, tv-series als Will & Grace. Kunst bracht de lhbt-beweging naar de mainstream van de Amerikaanse cultuur en opeens, als een lawine, bewoog de politiek mee. Verhalen zijn empathiemachines, ze zijn de enige manier om een nieuw bewustzijn te openbaren aan iemand die daar eerder nooit over zou hebben nagedacht.’

De natuur is zelf ook een verhaal, uiteindelijk. Als je het wilt zien.

‘Ik heb het makkelijk, ik ben in de bergen gaan wonen. Als je een populier ziet veranderen van maart naar juni naar oktober zie je zijn schors veranderen, zie je hem zijn takken en bladeren kwijtraken en weer terugkrijgen. Je ziet het leven, en als je dat ziet, dan zie je de agency van de natuur. Dat kun je jezelf leren, dat kun je kinderen leren, ook in stedelijke omgevingen.’

Hoe?

‘Nou (lachend), ik weet dat Nederland zijn landschap op een nogal manicuristische manier behandelt en erg houdt van orde en opgeruimdheid, en dat er weinig planten en struiken zomaar in de stad groeien. Maar birds are an easy way in. Hang een vetbolletje of een vogelhuisje op je balkon en binnen een jaar leer je die volgens kennen, hun gedrag, hoe ze reageren op de natuur, en doordat je ziet hoe zij reageren, reageer je zelf ook op de natuur. Dat is hoe ik vooruitgang meet: op de manier waarop we ons mens-zijn rehabiliteren met het bestaan in de levende wereld. De twintigste eeuw draaide om vooruitgang – van oorlog en armoede naar vrede en welvaart. De 21ste eeuw zal moeten draaien om het herdefiniëren van welvaart, van rijkdom.’


Richard Powers’ Verwilderd is verschenen bij Atlas Contact, in vertaling van Jelle Noorman. Begin november zal Powers te gast zijn op het Crossing Border Festival in Den Haag