Draak van een moeder

Attila Bartis, Rust, € 19,95

Extra beveiligde sloten, een brandblusser, ontsmettingsmiddelen en een Wertheim-brandkast: de moeder van Andor Weér laat niets aan het toeval over en heeft zich gewapend tegen de boze buitenwereld. Haar zoon, de enige persoon die zij in haar verziekte universum toelaat, vooral om hem te kunnen afblaffen, springt een gat in de lucht als hij haar dood aantreft. Misschien heeft hij nu eindelijk rust, om een leven te kunnen opbouwen met zijn geliefde Eszter?
Moeder heeft zich vijftien jaar eerder opgesloten in haar huis, sinds haar geniale, muzikale dochter uit het communistische Boedapest ontsnapte naar het Westen. De partij accepteert die desertie niet en probeert de dochter naar huis te lokken door de moeder te straffen.
Andor zorgt voor haar en verstikt zijn eigen leven tot een treurige en grauwe dagelijksheid die alleen onderbroken wordt als hij eens ergens in het land wordt uitgenodigd voor te lezen uit zijn boek, of als hij - meestal nogal zielige en ranzige - seks heeft met meisjes-voor-een-nacht. Het is duidelijk: zijn moeder heeft zijn leven volkomen verpest. Bartis schrijft laconiek en wanhopig tegelijk, een goede combinatie, omdat die sympathie oproept voor een man die op het oog helemaal geen vriendelijkheid verdient. Aan het einde van het boek zou je wel zelf zijn moeder willen zijn, om het goed te maken, of in ieder geval ietsje beter. Waarom is een begenadigd schrijver met zo'n draak van een moeder behept?
Maar ja, je moet je als schrijver in de handen knijpen met zo'n moeder, want zonder haar was Andor misschien wel loodgieter geworden. Zij is de grootste inspiratiebron voor zijn schrijverschap. Moeder is een communistische aristocraat: een gevierd toneelspeler die door haar contacten, haar uitbundigheid en schoonheid een hoofdrol vervult in de kunstscene. Ze is een loot uit de familie Weér (‘Bloed’), die op zijn beste moment half Hongarije bezat, vooral in haar fantasie. De mooiste passage is een herinnering aan een Fellini-achtige tocht door Boedapest, als de partij net haar theatercarrière om zeep heeft geholpen door haar tot bijrollen te dwingen. De beroemde actrice strompelt halfnaakt als Cleopatra in een met neprobijnen afgezette bh huilend naar huis, de voorbijgangers in verbijstering achterlatend. Haar huis is volgestouwd met gestolen decorstukken, zelfs de wc-bril komt uit een geflopt toneelstuk. Daar onthaalt ze in haar hoogtijdagen haar minnaars, en wijdt ze ook haar kinderen seksueel in, waardoor die voor hun leven getekend zijn. In die theatrale wereld kan een toneelstukje geen kwaad, besluit Andor. Hij zet een 'valse briefwisseling’ op, net als in de klassieke film Cher Inconnu waarin Simone Signoret via een contactadvertentie een liefdescorrespondentie aangaat met een man die haar gehandicapte broer blijkt te zijn. In Rust wordt de zus in leven gehouden door Andor, die in haar naam brieven stuurt aan moeder. Hij zit in de tang als moeder terug gaat schrijven. 'Eigenlijk zou ik het theater moeten haten.’
Intussen is er nogal wat aan de hand in Boedapest, want tijdens het verloop van deze roman valt het IJzeren Gordijn. De grauwe werkelijkheid verandert geen spat: moeder blijft even gek als altijd, zoonlief even wanhopig, en de angst voor de Russen, de haat tegen de Roemenen en de afkeer van de joden tiert welig, evenals homofobie en corruptie.
Voor een West-Europese lezer, die de data en beelden van de omwenteling zo fraai en in full color in het hoofd heeft zitten, is dat een mooie eye-opener. Want wij kunnen hier wel denken dat Hongarije in één machtige klap een nieuw levenshoofdstuk is aangevangen, in 1989, maar deze roman gaat over hoe een misantropische schrijver die werkelijkheid ervoer. De 'ineenstorting van een schandelijk rijk’ vond, net als alle andere grote wereldgebeurtenissen, voor hem plaats tussen twee voortdurend herhaalde zinnetjes van zijn gekke moeder: 'wanneerkomjeweerthuis’ en 'waarbenjegeweest’.
Op geraffineerde wijze weet Bartis de geschiedenis zijn verhaal binnen te smokkelen. Bijvoorbeeld in de uitweiding over het familiewapen van de familie Weér: een pelikaan die haar eigen jongen van haar bloed te drinken geeft. Andor is kind aan huis bij de antiquair Rosenberg, 'ik kende de plattegrond van Dachau al als mijn broekzak, kon alle kapo’s al bij naam en toenaam opnoemen en had de ketel soep al met mijn ogen dicht kunnen vinden’, om een Pelikan-vulpen te kopen waar het familiewapen zo mooi symbolisch op staat afgebeeld. Thuis vult hij de pen met 'volkdemocratische inkt’ en schrijft er de brieven van zijn zus aan zijn moeder mee. Als het niet zo aanschouwelijk en aanstekelijk was opgeschreven, zou het bijna sentimenteel zijn geweest.
Of in de overrompelende scène in een zigeunerdorp waar Andor op doorreis terechtkomt: kinderen met blote billen, ramen met dekens behangen, kamers met landbouwplastic als dak - en daartussenin alle bewoners in een identieke rode trui, door een Nederlandse liefdadigheidsorganisatie gedumpt. Steeds weer wordt de lezer voorgehouden dat er buiten Andors benauwende werkelijkheid nog een grotere werkelijkheid is, die overigens niet minder benauwend is.
En zo is Bartis een weemoedige cynicus die de treurige levens van kleine mensen met de grote gebeurtenissen weet te verbinden - om uiteindelijk bij de lezer een gevoel te bewerkstelligen van een inkijkje in een echt, grauw maar hilarisch schrijversleven.

ATTILA BARTIS
RUST
Uit het Hongaars vertaald door Cora-Lisa Süt?, Meulenhoff, 285 blz., € 19,95