Zijn de andere gedichten minder? Nee. Claus wordt steeds meer Claus, en al wat hij maakt is onmiskenbaar Claus. Zijn drachtige persoonlijkheid baart onzuivere poëzie waarin goed en slecht, hoog en laag, ernstig en flauw samenhoren. Hij is te wijs, te barok ook, voor het eenduidige. Tot in de titel Wreed geluk belijdt hij een voorkeur voor de gelijktijdige opvoering van tegengestelden, in de figuur van een oxymoron. Het maakt hem geestig en luchtig in de zin van niet-benauwd. De bundel is een royale mix van erotiek, vaderlandsverdriet (‘het onnozel theater Belgenland’), oorlogsellende, prikken naar literaire wijsneuzen, oproepen tot een zinnelijke levenshouding, en balorige antwoorden op eigen vragen, broederlijk bijeen. Tjonge, denk je, maar Claus ronkt niet, ook dankzij zijn zelfspot. Zijn werk heet ‘het gegriffel van een speelse otter’ en hijzelf een ‘onmatige worm’. Curieus sinds jaar en dag is zijn expres knullige gebruik van eind- of binnenrijm: kaart-IJslandvaart, languit-bruid. In het poëticale ‘Perspectief’ staat: ‘Ik durf “grief” te rijmen op “hartendief”.’ Precies, en vanwege de frequentie is dat een waar stijlkenmerk. Ik meen hier en daar al navolging te bespeuren, maar je moet sterk zijn om zoiets aan te kunnen, wat ook geldt voor melige woordspelingen à la ‘ik kwam zonneklaar’. Je proeft de pret waarmee wordt gehoopt op critici die er een vermanend woord over wensen te spreken. Claus haalt meer uit de werkelijkheid dan wij, daarom houden we van hem. Hij maakt van de wereld een paradijs à la hem, dus niet een zoetekoek-paradijs los van het bestaan, maar een aards paradijs waarin alles een slag intensiever is. Dat kan inhouden dat hij aan de haal gaat met iets dat notoir gewoner is dan hij het voorstelt. De cyclus ‘1943’ hoort bij foto’s die er in een andere editie bij staan. Rustige foto’s, wat je niet zou zeggen als je Claus leest. Hij is ermee aan de haal gegaan, hij maakt ze Clausiaans. Hij blijft in de eerste plaats een liefdesdichter met zijn ‘doofstomme verering/ van handen en tieten’ voorbij ‘het wonderlijke weten van het niets’. Zijn wereld is vet maar teder. Wat subtiel zijn niet de slotregels van genoemd gedicht 1 uit ‘Een aap in Efese’: ‘Alleen de kamer en de rook/ en jij met de pauweveren en mij’, met ‘jij’ op die ereplaats. Het wordt terecht almaar geciteerd. Het is krachtig en prachtig, om het in klinkend volrijm te zeggen.