De commedia van het dagelijks leven

Drama met een knipoog

Italianen zijn meester van de zedenschets en kunnen enorm om zichzelf lachen. Geef een Italiaan een hopeloze situatie en hij kneedt er iets fantastisch van.

Door de etalageruit van de trattoria is een etende politicus te zien. Het is een belangrijke politicus van links, dus zit hij in een op het oog eenvoudige, volkse trattoria hartje Rome. Een garantie voor kwaliteit, en de prijzen zijn navenant, zeker als het een trattoria in de buurt van het parlement is, zoals in dit geval. Radical chic wordt deze schijneenvoud van links in Italië genoemd: salonsocialisme.

De politicus is druk in gesprek met een andere man.

Het groepje passanten dat met de neus tegen de etalageruit naar binnen kijkt groeit. ‘Hé, daar heb je Dario Franceschini!’ joelt iemand. De politicus verstopt zijn gezicht half achter zijn hand, zoals wordt geregistreerd door verschillende mobiele telefoontjes. Hij praat door, overdreven gefocust op zijn gesprekspartner, maar de andere gasten in de trattoria beginnen hun nek te verdraaien. Een ober loopt naar de deur, doet hem op een kier en zegt: ‘Alsjeblieft jongens, jullie storen onze klanten.’

‘Che ti vada per traverso, che ti vada per traverso’ (‘Dat je erin moge stikken, dat je erin moge stikken’), zet iemand een yell in op de melodie van een oud Napolitaans volksliedje. Iemand anders schreeuwt ‘Traditore!’ (‘Verrader!’) en een derde stem roept ‘Venduto!’ (‘Overloper!’). Een aangesnelde cameraploeg elleboogt zich een pad door het inmiddels afgeladen steegje voor de trattoria en begint te draaien.

De politicus begrijpt dat er geen houden meer aan is en komt nu ook naar de deur. Hij is een vertegenwoordiger van het volk, of althans, dat is hij in theorie, en hij gaat dit oplossen. ‘Jongens, luister nou even…’ begint hij op een toontje van we-staan-toch-allemaal-aan-dezelfde-kant, terwijl hij zijn hoofd voorzichtig om de hoek van de deur steekt. Maar hij wordt nu nog harder uitgelachen en uitgescholden en trekt de deur snel weer dicht. Het is de avond van 20 april, vier dagen voordat de regering van het grote verraad van de kiezer wordt geboren. De regering van oud-communisten en Berlusconi. Niemand wist dat toen nog, zogenaamd, maar het hing in de lucht.

Op 11 mei wordt het etentje van Renata Polverini, de voortijdig afgetreden voorzitster van de regio Lazio – waar miljoenen achterover zijn gedrukt terwijl ziekenhuis na ziekenhuis in Rome moest sluiten – grondig verpest. Ze zit aan een groot en rijk gedekt carré met een twintigtal fascistische camerati in een prollerig restaurant, want rechts doet niet aan vermommingen. Ze zijn juist trots op de bereikte welvaart. Een horde demonstranten van buiten stroomt het restaurant in, met spandoeken en al. ‘Buon appetito hé!’ roept een woedend meisje. ‘Ik zie dat jullie goed in het vlees zitten, dat jullie het prima redden zo. U speciaal’, zegt ze, en priemt een wijsvinger naar de sprakeloze Renata Polverini, die intussen alweer hoog en droog in de parlementsbanken zit voor Berlusconi’s Partij van de Vrijheid. ‘U zou zich dood moeten schamen. Neem het er goed van, vreet lekker door!’ De protestgroep wordt het ­restaurant uit­gewerkt door de obers, maar het doel is bereikt: het YouTube-filmpje haalt alle Italiaanse nieuwsuitzendingen en wordt die week hét debat in de oneindige hoeveelheid politieke talkshows.

De spontane actie ‘stoor een politicus aan tafel’ werd onmiddellijk op conto van Beppe Grillo geschreven, al had hij er niet direct iets mee te maken. Wel indirect. De toon is veranderd, sinds cabaretier Grillo in februari een kwart van het Italiaanse electoraat wist te winnen. Men is brutaler geworden, het kogelvrij glazen huis van de machthebbers is ineens van kristal. Grillo heeft het de Italianen oneindig vaak voorgedaan op het podium, het volk doet het hem nu na: de politici zijn onze ‘dienaren’, wij zijn hun ‘werkgevers’, en we mogen om rekenschap vragen.

Alles is in het werk gesteld om Grillo’s Vijf Sterren Beweging niet aan de politieke macht te laten komen, en dat is gelukt, niet in de laatste plaats dankzij de vele beginnersfouten van Grillo en zijn 163 vertegenwoordigers in de Kamer en de senaat. Via een onnavolgbare, typisch Italiaanse manoeuvre is de wereldwijde sensatie Grillo, de ‘clown’ die de verkiezingen had gewonnen, binnen twee maanden geheel buitenspel gezet, want de dingen waar het echt om gaat in Italië voltrekken zich in stilte in het holst van de macht. En toch is er iets veranderd.Het arrogante botvieren van de macht, van de onaantastbaarheid dat zich in Italië sinds de Romeinen onder ieders ogen heeft voltrokken zonder dat iemand er ooit wat van durfde te zeggen, is voor het eerst in de geschiedenis niet meer aanvaardbaar. Italiaanse politici vertonen zich de laatste tijd niet graag meer in trattoria’s en restaurants. Er wordt veel thuisgecaterd. De nachtmerrie om het doelwit te worden van de spot van een groepje passanten terwijl je aan het eten bent, en de zekerheid dat het hele land je uitlacht – want reken maar dat iedereen het lachen vindt – maakt dat Italiaanse politici op dit moment het liefst incognito opereren. De gebruikelijke cameraploegen voor het parlement hebben moeite om er eentje te vinden, want men schicht zo snel mogelijk naar binnen, de veilige haven van de macht in. Geen commentaar vandaag.

Grillo’s gevoel voor humor is een heel on-Italiaans gevoel voor humor. Dat doe je niet, in Italië, mensen direct aanspreken op hun gedrag en er een conclusie aan verbinden. Dat is niet leuk. Dat is ‘onelegant’, ‘agressief’, ‘polariserend’. Italianen zijn de meesters van de zedenschets en kunnen enorm om zichzelf lachen. Maar het is niet de bedoeling dat je namen en rugnummers gaat noemen, laat staan harde feiten en de daaraan verbonden onontkoombare conclusies.

Leuker dan Godfried Bomans kan niemand het zeggen. Uit zijn Wandelingen door Rome, dat hij schreef na een jaar in Rome te hebben gewoond tussen 1953 en 1954: ‘Het gebeurde in een bottigleria (een wijnlokaal – ab). Aan de tapkast stonden vijf Italianen in een ontzaglijk dispuut gewikkeld. Het onderwerp was het communisme en de kans die het in Italië maakte langs legale weg te zegevieren. Geen hunner beschikte over voldoende statistische gegevens om een prognose te stellen. Nu trad er een Engelsman naar voren. Hij bleek er volledig over te beschikken en gaf ze, rustig, exact en met de conclusie er bij. Daarna ging hij zitten en bestelde een espresso. Het was doodstil. Deze stilte had niet, gelijk de Brit misschien vermoedde, bewondering tot oorzaak, maar alleen verbazing, dat iemand met zulk een tekst in handen, er zo allemachtig weinig van gemaakt had. Het was de stilte der teleurstelling. Hij had een prachtig onderwerp in zijn zak gestoken en er niets voor teruggegeven. Men kan deze teleurstelling vergelijken met de deceptie die een groep bergbeklimmers ondervindt als ze, na een hals­brekende klimpartij, op de top een keurig gekleed heer vinden, die daar juist met de tandradbaan is aangekomen. Zij zullen toegeven dat het zo ook gaat. Maar het is niet de bedoeling. (…) De top der eindconclusie moge al of niet bereikt worden, daar gaat het niet om. Waar het om gaat, is de weg erheen.’

Observeren om het observeren zonder een finaal oordeel te vellen is de grootste kracht van het volk dat in de Middeleeuwen La Divina Commedia heeft voortgebracht, en in de jaren vijftig, zestig en zeventig van de vorige eeuw de commedia all’italiana op het witte doek. De commedia vloeide voort uit het neorealisme, maar verplaatste de camera van de naoorlogse bittere armoede naar de opkomende welvaart van de economische boom. En daarmee veranderde ook de toon.

Aan de slotscène van Ettore Scola’s C’eravamo tanto amati (We hielden zo veel van elkaar, 1974), een van de hoogtepunten van het genre, duikt Gianni met een elegante boog van de springplank uit beeld, in het zwembad achter de muren van zijn omheinde villa. ‘Plons!’ horen de drie vrienden, die hem zijn gisteravond vergeten rijbewijs komen terugbrengen. Ze kijken elkaar met open mond aan. Gianni heeft de avond tevoren, toen ze elkaar na 25 jaar terug­zagen in de Romeinse sloebertrattoria van weleer, samen met hen de arme strijd­makker uit­gehangen. Samen hebben ze in het verzet gezeten om Italië van het fascisme te bevrijden. De eerste arme jaren na de oorlog trokken ze schouder aan schouder op. De anderen zijn arm gebleven – misschien niet uit keuze, maar in ieder geval zijn hun idealen nog in tact –, Gianni heeft zijn ziel aan de duivel verkocht. De villa is van zijn fascistische schoonvader, die als wraak op de zelfmoord van zijn ongelukkige dochter vanuit zijn rolstoel blijft roepen: Io non moro! (‘Ik ga niet dood!’). De aantrekkelijke, berekenende, jonge advocaat Gianni heeft de dochter van de fascistische aannemer getrouwd om het geld uiteraard, en zijn ongeletterde vrouw zo’n ­minderwaardigheidscomplex aangepraat dat ze er een einde aan heeft gemaakt. En nu is hij alleen overgebleven met zijn schoonvader, die lijkt op een pad en van wie hij walgt, in de enorme villa die uit fout geld en corruptie is opgetrokken.

‘Plons!’

En de enige drie vrienden die hij nog over had leggen het rijbewijs op de muur van de villa en lopen stilletjes uit beeld.

Dat is de typische blik van de commedia all’italiana: drama met een knipoog, met humor. De commedia all’italiana gaat over de mensheid die zich op dat moment niet alleen in Italië, maar wel vooral in Italië aan het ontwikkelen was. Te abrupt had de omslag plaats­gevonden van een bijna nog rurale, feodale maatschappij naar een consumptiemaatschappij. In een handje­vol decennia werden de idealen en de hoop op een betere wereld na de Tweede Wereldoorlog ver­raden, en werd Italië van het land dat had kunnen zijn het land dat nooit is geworden. Het land van de verloren kansen, de verkwiste energie en het talent, het land van de eeuwig aan tafel zittende politici en de eeuwig onopgeloste grote problemen.

Maar zolang we om onszelf kunnen lachen is het niet voor niets geweest.

Het zou best eens kunnen zijn dat het sublieme gevoel voor humor van de Italianen heeft bijgedragen aan de impasse waartoe ze voor altijd lijken veroordeeld. Het sublieme schuilt hem in een soort absurdistisch nihilisme dat ter plekke ontstaat en dat iedere situatie – hoe erger hoe beter eigenlijk – tot een hoogtepunt aan humor kan maken, indien in handen van de juiste observator, wat verrassend veel Italianen blijken te zijn.

Geef een Italiaan een hopeloze situatie en hij kneedt er iets fantastisch van.

De commedia van het dagelijks leven was er al lang voor de literaire en cinematografische hoogtepunten, die uit een zeer rijke voedings­bodem konden putten. Ingmar Bergman zei ooit, nadat hij met Fellini een wandeling door Rome had gemaakt: ‘Ik beschouwde hem altijd als een absoluut genie. Maar ik moet eerlijk zeggen: als je aan zijn zijde door Rome loopt, en hij legt je uit wat er gebeurt en wat er allemaal gezegd wordt, dan ga je bijna denken: ik kan ook een Fellini-film maken.’

Het belangrijkste ingrediënt is de niet-oordelende basishouding van de Italianen. Daarom zijn hun observaties zo onnavolgbaar geestig en absurdistisch. Geen mens zo raar, of hij zal er wel een reden voor hebben. Geen situatie zo absurd, of ik ga me er niet mee bemoeien. Moet ieder voor zich uitmaken. Ondertussen zien ze wel haarscherp wat er aan de hand is, maar het laconieke in hun houding maakt dat ze rustig met de armen over elkaar gaan staan mee­kijken met iemand die bezig is zand in zijn benzinetank te gooien. Om pas na afloop beleefd te informeren: ‘Loopt deze auto op zand?’ En als het antwoord negatief is, er hooguit aan toe te voegen: ‘Ah. Ik had die indruk. Een vergissing. Neemt u mij niet kwalijk.’

Italianen zijn tot in extremis beleefd in het zich niet met andermans zaken bemoeien, wat ook zo zijn keerzijden en historische achtergronden heeft, maar wat tot parels van straathumor leidt. Want tegelijkertijd zien ze alles en merken ze alles op, maar dat houden ze voor zichzelf. Geen schuddende wijsvingertjes, betuttelende opmerkingen en afkeurende mondhoeken.

Georganiseerde humor is eigenlijk nauwelijks nodig in Italië. Wie met zijn antennes open over straat loopt krijgt zijn portie dagelijkse humor royaal binnen en het knappe is: het gaat langs de neus weg. Italiaanse humor wordt geboren in het moment en is alleen voor het moment bestemd. Want zo meteen is er weer een ander moment.

De handelsreiziger van de Grande Enciclopedia Italiana klopte op de deur. Het was halverwege de jaren tachtig en encyclopedieën bestonden nog. Buiten stroomde het van de regen. Het gezin stond op het punt aan tafel te gaan. De pranzo was bijna klaar: een heerlijke geur van kikkererwten met knoflook en rozemarijn, waar de mini-gnocchetti, die de vrouw des huizes die ochtend zelf had gemaakt, op het laatste moment in zouden gaan. Donderdag-gnocchidag.

Ik mocht mee-eten, en speelde in ruil daarvoor met de drie kleine kinderen door op handen en knieën mee te kruipen onder de grote tafel die de woon/eetkeuken bijna van muur tot muur vulde. We waren honden en de honden hadden honger. Bino, de heer des huizes en manusje van alles bij de gemeente voor 750.000 lire per maand – een kleine duizend gulden – liet de doorweekte handelsreiziger zijn windjack uitdoen om het op een houten stoel voor de knapperende open haard te drogen te hangen, terwijl hij met volkomen vanzelfsprekendheid zei: ‘Je eet mee, want een mens moet goed eten met dit weer. Hier, neem vast een glaasje rode wijn, om een beetje op te warmen. Je kunt hem met een gerust hart drinken, want het is mijn eigen wijn. Zelfgemaakt, er zit geen druppel gif in.’ De handelsreiziger zette het glaasje gretig aan de lippen, zonk op een stoel, en keek dankbaar om zich heen. ‘Grazie,’ zei hij uit het diepst van zijn hart, nadat hij het glaasje in één teug had geleegd en zijn lippen afveegde met de rug van zijn hand. ‘Maar mag ik u, zo vlak voor de pranzo, misschien nog even wijzen op het belang van de Grote Italiaanse Encyclopedie voor uw gezin?’

Bino was inmiddels op zijn hurken bezig zijn zelfgemaakte saucijsjes op het rooster in de open haard met een vork in te prikken, om knappen van het dunne darmvelletje te voorkomen. ‘Want?’ vroeg hij, terwijl hij geconcentreerd doorging met dit belangrijke werk. De handelsreiziger keek eens om zich heen. Zijn oog viel op Bino’s vrouw, Annamaria, die het delicate moment van het testen van de gnocchi op gaarheid combineerde met een loze schop richting Giovanni van drie, omdat hij, nog steeds hond immers, van onder de tafel een forse beet in haar kuit had gegeven. ‘Voor uw vrouw’, zei de handelsreiziger, ‘voor de ontwikkeling van uw vrouw. Dat is belangrijk voor vrouwen van vandaag, om zich te ontwikkelen.’

Bino keek nu over zijn schouder naar zijn zeer geliefde Annamaria, die met haar schorre stem: ‘È pronto! Tutti a tavola!’ brulde, terwijl ze ­Giovanni’s handjes onder de kraan van de gootsteen hield. En terwijl hij het spartelende jongetje met een grote zwaai van haar overnam om hem een servet om te knopen, zei Bino geruststellend tot de handelsreiziger: ‘Si ­sviluppa, si sviluppa’ (‘Ze ontwikkelt zich, ze ontwikkelt zich’).

Ik was de enige die in een lachbui schoot, maar daar had niemand nog oog voor. Want de pranzo was klaar. Buon appetito!