Voorbij het multiculturele drama

Drama? Welk drama? De gunstige ontwikkeling van het multicultureel debat

Na jaren van hevige turbulentie is het debat over de multiculturele samenleving in rustiger vaarwater gekomen. Verantwoordelijke ministers spreken van bruggen bouwen en een genuanceerde interculturele dialoog. Dan wordt het integratievraagstuk pas echt interessant. Wat heeft alle turbulentie gebracht? Waar staan wij?

Toen Marokkaanse jongens onlangs de vriendschappelijke wedstrijd tussen Jong Oranje en Jong Marokko in Tilburg verstierden, was een deel van de reacties als die van de hond van Pavlov. Het gedrag werd gezien als een politiek statement. Deze allochtone jongeren voelen zich slecht behandeld, gediscrimineerd en geïsoleerd in buurten en op scholen. Hun vandalisme is een uiting van de ‘culturele oorlog’ tussen moslimjongeren en het Westen. Kamerlid Geert Wilders wist er meteen raad mee en riep dat ‘de politie op deze relschoppers met scherp op de benen moet kunnen schieten’. Daar gáán we weer, denk je dan. Zulke reacties voeden stereotypering en beledigen de allochtonen en moslims die zich nooit misdragen in de publieke ruimte. Kennelijk kunnen deze vandalen niet voetstoots worden beschouwd als gewone hooligans, die iedere gelegenheid te baat nemen om te mollen. Zij worden gezien als een specifieke groep en fungeren daardoor als schaakstukken van politieke agenda’s. De relschoppers zelf, op hun beurt, spelen de rol van boze slachtoffers die respect voor hun cultuur opeisen.

Tegenover deze pavlovreflexen staat gelukkig ook een andere reactie. Stadsdeelvoorzitter Ahmed Marcouch (pvda) van Slotervaart in Amsterdam-West stelde dat de onhandelbare harde kern Marokkaanse jongens in strenge internaten thuishoort of voor een periode in Marokko een heropvoeding moet krijgen. Voor hem zijn het geen slachtoffers van een falend beleid of van sociale uitsluiting. Het zijn daders: ‘Wie niet wil leren moet maar voelen.’ Hij is het ‘helemaal spuugzat dat Marokkaanse ouders hun verantwoordelijkheid niet nemen’.

Wie pakweg zeven jaar geleden woorden van gelijke strekking zou hebben geuit, zou een stortvloed van verontwaardiging over zich heen hebben gekregen. Anno 2007 ligt het anders. Niemand haalt het in zijn hoofd om Marcouch uit te maken voor een intolerante racist. Niet alleen omdat de boodschapper een Marokkaan is. En ook niet omdat hij van linkse signatuur is. Nee, Marcouch kan rekenen op brede steun, omdat hij het probleem niet wegmasseert en tegelijk een pragmatische aanpak oppert. Niet voor de héle groep, maar voor individuele Marokkaanse draaideurcriminelen.

Dit nieuwe klimaat volgt op een turbulente periode waarin de multiculturele samenleving op scherp werd gezet en de democratie op de proef werd gesteld. De polarisatie heeft een zware wissel getrokken op de verhouding van autochtonen tot allochtonen en, omgekeerd, op de relatie van allochtonen tot de Nederlandse samenleving. Zowel negatief als positief.

Het integratiedebat lijkt in rustiger vaarwater te komen. Tenminste, als je het bekijkt vanuit het perspectief van de Haagse politiek. Voor het vierde kabinet-Balkenende is het sleutelwoord ‘samen’. Behalve als een poging de kloof tussen burger en politiek te slechten, diende de honderd-dagen-tournee om op te roepen ‘samen’ de multiculturele samenleving bestendig vorm te geven. Die zalvende toon staat haaks op de harde, onverzoenlijke sfeer van eergisteren.

De nieuwe houding krijgt het meest concreet gestalte bij de beslissing om de portefeuille van de minister van Vreemdelingenbeleid en Integratie op te knippen en in handen te geven van twee pvda’ers. Minister Vogelaar doet nu (naast Wijk en Wonen) Integratie; staatssecretaris Albayrak beheert Vreemdelingenbeleid. Beiden nemen formeel afstand van hun voorgangster Verdonk. Tijdens een conferentie in Potsdam riep Vogelaar onlangs haar Europese collega’s op tot ‘bruggen bouwen, verzoenen en een genuanceerde interculturele dialoog’. Ze zei dat de harde toon van Verdonk de integratie slecht had gedaan. Ze had zich ‘enorm gestoord aan het wij-zij-denken en de beschuldigende vinger van de afgelopen jaren’. Nog concreter krijgt de breuk gestalte in het generaal pardon. In één klap verdampt hiermee een tijdperk van emotionele discussies, het breed uitmeten van zielige gevallen in de media, van gemeentelijke ongehoorzaamheid en – echt belangrijk – van een ongewisse toekomst van duizenden asielzoekers. Zijn we nu teruggekeerd naar de tijd van vóór Balkenende IV, de periode die begon met een regering vol lpf-ministers die als feniksen waren opgefladderd uit de ‘puinhopen van Paars’? Waarschijnlijk niet, want daarvoor is te veel gebeurd.

In de mythe van een kleurrijke succesvolle multiculturele samenleving werd ruim zeven jaar geleden de bijl gezet. Dat begon met de publicatie van Paul Scheffers Het multiculturele drama in NRC Handelsblad in de eerste maand van het nieuwe millennium. Achteraf bleek het de opmaat voor een tumultueuze periode waarin het leek of er een ander Nederland was geboren. De buitenlandse pers volgde met verwondering hoe het traditionele imago van een tolerante, succesvolle multiculturele samenleving in scherven viel. Scheffer werd dan ook erg populair bij de buitenlandse pers, als protagonist van een nieuw realisme.

Maar natuurlijk is het niet begonnen met Scheffers ‘drama’. Al in 1979 beschreef filosoof Hans Achterberg in zijn boek De markt van welzijn en geluk dat het integratiebeleid werd gevoerd en beoordeeld vanuit een idealistisch gestuurde maakbaarheid van de samenleving. Volgens Achterberg werkte de utopie van de migrant als ‘de nieuwe mens’ eerder belemmerend inzake participatie en emancipatie dan omgekeerd. In de politiek was vooral Frits Bolkestein hem in zijn kritiek op de islam en het integratiebeleid ruim voorgegaan.

Bovendien wisten mensen die woonden in de oude wijken in de Randstad al lang dat er een diepe kloof was tussen het gewenste perspectief en de beleefde werkelijkheid. De blijf-van-mijn-lijf-huizen zaten vol met Marokkaanse en Turkse meisjes, omdat zij zich volgens hun sociale omgeving hadden ‘misdragen’. Artsen en psychologen zagen in toenemende mate de gevolgen van etnisch gerelateerde problemen rondom seksualiteit. Op ‘zwarte’ scholen stonden leraren met hun oren te klapperen over wat er onder moslimleerlingen leefde aan denkbeelden over vrouwen, homoseksuelen en joden. Het kwam neer op naakte haat en xenofobie. In de statistieken van politie en justitie scoorden Marokkaanse jongens zowel absoluut als relatief extreem hoog.

Echter, die negatieve kanten van de instroom van grote groepen migranten waren goeddeels onbespreekbaar. Je begaf je op glad ijs. De impact van het stuk van Scheffer had dan ook vooral te maken met zijn intellectuele biotoop: hij was links. En hij was de boodschapper van slecht nieuws: met het immigratie- en integratiebeleid waren hele generaties afgeschreven onder het mom van tolerantie; het toen gangbare beleid van ruime toelating en beperkte vrijblijvende integratie had de ongelijkheid vergroot. Ook bracht Scheffer de culturele achtergrond in als oorzaak van problemen met moslims, terwijl tot dan toe vooral het sociaal-economische verklaringsmodel gold. Daarmee keerde hij zich af van het sociaal-democratische beginsel van een sterke overheid die opkomt voor de zwakkeren en beschikt over een duidelijke verheffingsmissie. Het ‘verzuilde’ sjabloon voor de eigen arbeidersklasse was niet zomaar te plakken op de allochtone onderklasse. Daarvoor was die immers te gedifferentieerd.

Na de knuppel in het hoenderhok werd de gevestigde, blanke orde als het ware gedwongen op de psychiaterdivan plaats te nemen. De discussie trok door heel Nederland. Van het Binnenhof, via de media, naar de grootstedelijke debatcentra, met name in Amsterdam en Rotterdam, naar koffiehuizen, wijkcentra, borreltafels en niet te vergeten het internet. Het klassieke politieke links-rechts-spectrum fragmenteerde rondom het begrip cultuurrelativisme. Wat was in dit licht gezien nou progressief of conservatief? In de afgelopen jaren zijn heel wat mensen ‘overgestoken’ van links naar rechts. Ayaan Hirsi Ali was hierbij splijtzwam bij uitstek. Om haar feministische boodschap uit te dragen koos zij voor de vvd, maar om nou te zeggen dat ze conservatief was, nee.

Nederland knetterde de afgelopen jaren van beschuldigingen en haat, in sommige opzichten zelfs van morele paniek en zelfhaat. Het leidde op den duur tot een discussie over de discussie. Het verdedigen van de vrijheid van meningsuiting ging gepaard met het opeisen van het recht op beledigen.

Wat loskwam was soms verbijsterend. Geenstijl.nl groeide uit tot biechtstoel voor de aanhangers van het ‘zeggen wat je denkt’-adagium over allochtonen. Alles wat voorheen als taboe gold, kwam naar buiten. Hetzelfde gebeurde op de sites van allochtonen, zoals Maghreb.nl en Maroc.nl. Van diep gekwetste uitingen tot harde oorlogsverklaringen richting de westerse samenleving, vol kaaskoppen en hoeren, of tegen de met de vijand heulende nestbevuilers uit eigen kring.

Het is echt onmogelijk te stellen dat Nederland uiteindelijk een intolerant, racistisch landje is. Het gedrag moet worden verklaard vanuit maatschappelijke psychopathologie: als politici en media weigeren zichtbare en gesignaleerde problemen rondom etnische minderheden in Nederland onder ogen te zien, en iedere kritiek daarop wordt weggezet als racistisch, dan kweekt dat frustratie en vervreemding. De polemiek had de functie van zelfanalyse, waarop onvermijdelijk een soort psychotherapie, dan wel schreeuwtherapie, volgde.

Nederland was daarin bovendien niet uniek. Dit proces voltrok zich in de hele westerse wereld. Dat had te maken met krachtige externe gebeurtenissen: de aanslagen in Amerika, Madrid en Londen. Rampen die dwongen tot bezinning over de wijze waarop de politiek was omgegaan met migranten op eigen bodem – want de terroristen waren opgeleid en opgegroeid in het Westen – en over hoe er een voedingsbodem had kunnen ontstaan voor dergelijke radicalisering.

Het idee van een fundamenteel conflict tussen de bekrompen islam en de verlichte joods-christelijke westerse cultuur smolt moeiteloos met de discussie over de multiculturele samenleving en integratiebeleid samen. Ieder incident kreeg de lading van ondermijning van de rechtsstaat, wat weer leidde tot heftige discussies: van een imam die weigerde de hand van een vrouw te schudden, tot de bloedserieuze bedreigingen van de jihadisten van de Hofstadgroep.

Nederland beleefde zelf in korte tijd twee politieke moorden. Beide hadden een katalyserende werking op het debat, dat steeds hoger opliep: van ‘de multiculturele samenleving is een drama’ en ‘de integratie is faliekant mislukt’ tot ‘de democratische rechtsstaat loopt gevaar door terrorisme’. Alles wat ooit politiek correct was, werd afgedaan als soft.

Pogingen om enig tegenwicht te bieden, stuitten op onwil. Geert Maks manifest Gedoemd tot kwetsbaarheid, een reactie op de angstspiraal na de moord op Theo van Gogh in 2004, werd schamper afgedaan als naïef. Hetzelfde kreeg burgemeester Job Cohen van Amsterdam naar zijn hoofd geslingerd, als die onwetende, onnozele muntthee drinkende burgervader, die een verzoenende maar zeker niet boterzachte stijl van politiek voorstond. Ook het onderzoek naar dertig jaar integratiebeleid kón het niet goed doen. Toen de parlementaire onderzoekscommissie onder leiding van vvd’er Stef Blok januari 2004 concludeerde ‘dat de integratie deels een succes was’, werd het rapport (Bruggen bouwen) met de grond gelijk gemaakt. Ook al stond het er allemaal in: dat de regering achter de feiten aan liep, te vrijblijvend was geweest, de noodzaak tot inburgering en het leren van de Nederlandse taal had ontkend. De rücksichtslose kritiek was ongenuanceerd, en onterecht, maar begrijpelijk. En nuttig.

Toch nam de turbulentie af. De discussie lijkt in heftigheid afgenomen. Waar staan we nu? Er zijn drie invalshoeken. Eén: de rust is schijn; we zijn alleen moe en murw geslagen. De geest is uit de fles en er hoeft maar íets te gebeuren of ieder draagvlak voor verzoening valt totaal weg. Twee: wij zijn teruggekeerd naar de politiek correcte, verdoezelende toon van weleer, en een verwaterde invulling van de begrippen respect, dialoog en tolerantie. Of drie: de kaarten zijn wel degelijk opnieuw geschud. Wij denken niet meer dat het allemaal vanzelf wel goed komt; we zijn een eerlijke en gelijkwaardige dialoog met elkaar aangegaan.

De laatste optie lijkt de meest geldige. De negatieve en positieve ontwikkelingen die zijn blootgelegd dwingen tot een andere houding. Bewustwording heeft in beide richtingen plaatsgevonden. Het is positief dat mensen als Aboutaleb en Marcouch boven zijn komen drijven. Het is positief dat de stijl van bestuurders als Cohen niet meer leidt tot hoongelach. Cohen heeft zichzelf, opmerkelijk genoeg, niet wezenlijk hoeven veranderen om serieus genomen te worden. Maar de tegenwind was nodig, wellicht ook voor hemzelf, om zijn pleidooi voor dialoog en tolerantie inhoud te geven. Het is positief dat allerlei thema’s zijn aangekaart die tot voor kort onbekend of onbespreekbaar waren. De slechte positie van de vrouw binnen de islam, besnijdenis, eerwraak, importhuwelijk – om er een paar te noemen.

Ook positief is dat de betuttelende, vrijblijvende houding jegens allochtonen aan de kaak is gesteld. Dat die houding contraproductief uitpakte, en getuigde van onverschilligheid en arrogantie, is een inzicht dat onder allochtonen al lang werd gevoeld. Als je door beleidsmedewerkers en opbouwwerkers behandeld wordt als ziek, zwak en misselijk, word je als mens niet serieus genomen. Denk daarbij aan Turkse vrouwen die leren fietsen en naaien onder leiding van overvriendelijke, aanmoedigende vrouwen. Of aan het boekje van filosofe Désanne van Brederode, Brief aan een gelukzoeker, waarin ze de migrant ziet als een spontaan, zuiver, integer soort Übermensch waar wij, decadente, onbeschofte westerlingen, nog veel van kunnen leren. Haar blik op de exotische migrant werd, anders dan vroeger, lacherig ontvangen.

Beleidsmatig heeft een en ander gelukkig geleid tot afschaffing van projecten die een exponent van die denigrerende houding waren, zoals Onderwijs in Allochtone Levende Talen (oalt). De eisen die nu aan het spreken van goed Nederlands worden gesteld zijn gerelateerd aan de toegang tot de arbeidsmarkt. Ook symboolpolitiek wordt kritisch beoordeeld. Een voorbeeld daarvan is het gedoe rondom de bouw van de Westermoskee in Amsterdam, die een symbool van geslaagde integratie moest worden en zo leidde tot schimmige politiek van zowel Turkse zijde als van het gemeentebestuur. En is er nieuwe waardering voor ‘positieve actie’. Door het besef dat allochtone jongeren werkelijk worden gediscrimineerd op de arbeidsmarkt maken werkgeversorganisaties, vakbonden en het bedrijfsleven er nu serieus werk van om die drempels te slechten.

Daarbij blijft het niet. De moslimgemeenschap zelf wordt gedwongen tot het scheiden van zin en onzin. De meerderheid moet ervoor zorgen dat een minderheid het niet voor hen verpest. Dat blijkt een moeizaam proces. Kritische figuren worden uit de gemeenschap gestoten en ontvangen doodsbedreigingen. Diep onder de grote groep succesvolle studerende en integrerende moslims tikt nog altijd een tijdbom. Er zijn nog altijd aanzienlijke groepen jonge moslims die het contact met hun omgeving verliezen, en open komen te staan voor radicalisering. De dialoog daarover is de lastigste van alle.

De Britse hoogleraar politieke filosofie Bhikhu Parekh formuleerde een reeks aanbevelingen om die dialoog te bespoedigen. Hij was vorige maand in Rotterdam voor de jaarlijkse lezing van het International Institute for the Study of Islam in the Modern World. In zijn lezing Does Intercultural Dialogue Make Sense? zei hij: ‘Moslims moeten ophouden met zelfbeklag, en hun eigen huis opruimen.’ Dat betekent, bijvoorbeeld, import van imams verbieden en imams in het Westen opleiden. Ouders moeten hun verantwoordelijkheid nemen, open leren omgaan met hun kinderen en hen opvoeden tot loyale burgers. Tegelijk zei hij: wat minderheden achter de voordeur doen mogen ze zelf weten, maar in het openbare leven is geen ruimte voor religieuze of culturele uitingen. Aan de westerse samenleving is het volgens Parekh alle hens aan dek: voorkomen dat een grote onderklasse van migranten gevaarlijke proporties aanneemt.

Kan dat nog? De Amerikaanse historicus en hoogleraar James Kennedy toonde zich in De Groene Amsterdammer (18, 2007) optimistisch: ‘In de afgelopen jaren is er in Nederland veel ten goede gekeerd. Dat komt omdat jullie minder zeker van je zaak zijn geworden. Ooit was het land “af”, nu noemen jullie je land “stuurloos”. Maar er is juist gezonde onzekerheid over de eigen waarden ontstaan. Dat is vooruitgang, want er zijn nauwelijks kwesties die gebaat zijn bij de afwezigheid van discussie.’

De discussie niet meer mijden, dus. De crux is dat kritische, ‘afvallige’ moslims zich in vrijheid moeten kunnen uiten. Lukt dat niet, dan zitten wij allemaal op een dood spoor. Daar zijn moslims zelf verantwoordelijk voor, door het radicalisme, overwaaiend uit de Arabische wereld, luid en duidelijk af te keuren. Het is de taak van de politiek hen daarin onvoorwaardelijk te steunen. Niet door hen aan de hand te nemen, en ter ‘bescherming’ zelfcensuur op te leggen, zoals pvda-lid Eddy Terstall deed met zijn ‘richtlijnen om de toon aan te passen’ voor Ehsan Jami, pvda-gemeenteraadslid en oprichter van het comité voor ex-moslims.

Ik raad iedereen aan om op Geenstijl.nl de uitgelekte mail integraal te lezen waarin Terstall, uit partijpolitiek opportunisme, een broos, dapper initiatief probeert te beteugelen. Je mag hopen dat deze ideologische stijl van denken en handelen niet exemplarisch is voor het integratiebeleid van Vogelaar. Dat soort laf paternalisme is volstrekt verwerpelijk. En gevaarlijk.