Dramatische bossen

Toen het vertrouwde, ruimtelijke Hollandse landschap voor hem wat sleets werd, ging Ruisdael de grens over op zoek naar woestere vegetatie.

Ruisdael heeft deze ets, Huis op een heuvel, bedacht op een tocht in Westfalen, net over de grens in de Achterhoek. Het kasteel van Bentheim heeft hij in de jaren 1650 meerdere keren geschilderd. Op de eerste versie, die 1651 gedateerd is, zien we daken en torens van het stevige bouwwerk uitsteken boven de donkere bossen die meer dan de helft van het schilderij in beslag nemen. Op de voorgrond dalen twee ruiters af naar een dieper gelegen zandweg die dan verdwijnt in de donkerte van het bos. Ik denk dat in die streek, waar het land heuvelig begint te worden, de bossen dichter zijn – en dat, die dicht verstrengelde begroeiing met spaarzaam licht, moet de jonge schilder hebben aangetrokken.

Hij was jong, net in de twintig, en woonde nog in Haarlem. (Naar Amsterdam verhuisde hij pas in 1657.) Aan hoe zijn vroege schilderijen eruitzien, kunnen we enigszins aflezen hoe hij zich een landschap voorstelde. Hij was geïnteresseerd in bospartijen, bomen, struik­gewas, heuvelige grond, kronkelende paden. Een vroeg landschap (omstreeks 1649), Zandweg in de duinen, laat de ontplooiing van dat grillige repertoire zien – met een stemmigheid die we later, donkerder gedroomd, in de kunst van de Romantiek zullen terugvinden. Links onderin zien we, vanuit een heldere dunbewolkte lucht, het licht glanzen op het gladde, witgrijze oppervlak van een poel. Daar waar het nat is, groeien ook riet en lage wilgenbomen. Dat water is het laagste punt: naar rechts begint het duin. Ook verder weg glooit het land. Vanuit de voorgrond buigt de zandweg omhoog om een kopje heen en voorbij aan het verder oplopende duin rechts. Het donkere kopje is dichtbegroeid met hard gras en hei en, tussen verward hakhout, grillig vertakte bomen. In de lucht verschijnen ook de eerste donkere wolken – als een tegenwicht met de groep winderige eikenbomen boven in het midden. Met andere woorden: Ruisdael heeft dit landschap weloverwogen opgezet met tegenstellingen. Links laag water, rechts een zanderige heuvel met droge begroeiing – zelfs in de lucht links nog sporen van warm zonlicht op een paar wolken, maar rechts al veel grijzer.

Zo schematisch geordend was begin zeventiende eeuw de kunst van het landschap hier tot ontwikkeling gekomen – als serieus genre ook. De meesters toen waren vooral Jan van Goyen en Ruisdaels oom Salomon. Door die generatie werd het karakter van het Hollandse landschap ontdekt en werd in beeld gebracht hoe typisch het land (nu onafhankelijk) er uitzag. Nog drie eeuwen later werd die klassieke vorm door Hendrik Marsman samengevat in zijn gedicht dat zo begint: Denkend aan Holland/ zie ik brede rivieren/ traag door oneindig/ laagland gaan,/ rijen ondenkbaar/ ijle populieren/ als hoge ­pluimen/ aan den einder staan. Wat die vroegere ­landschappen karakteriseerde, was de geweldige ruimtelijkheid. Nu er, als bij de ­Maniëristen, aan de horizon geen blauwgroene bergen meer geschilderd hoefden te worden, leek het alsof landschappen letterlijk werden opengemaakt. Bomen werden zo geplaatst dat de blik ongehinderd in de verte kon door­dringen.

Toen echter Ruisdael eind jaren 1640 begon, lag de opwinding van de vroegere ontdekking alweer zo’n dertig jaar terug. De vertrouwde landschapsvorm die hij goed kende, was sleets geworden. Dat is waarom, denk ik, de jonge ambitieuze kunstenaar in Westfalen op zoek ging naar dramatische motieven in de dichte bossen daar. Daar ook bedacht hij die ets, Huis op een heuvel, en daar (op reis) begon hij die vreemde verstrengeling van takken te zien en die abrupte doorkijkjes. Het landschap Zandweg in de duinen laat ook zien, in zijn zekere terug­houdendheid, dat hij op zoek was naar woestere vegetatie – maar er nog niet aan toe was. In de ets hangen de bomen van de rand van een steile helling naar voren. Eerst is er ook van links­onder schuin naar boven een omgevallen boom waarvan de val is gestuit door de vertakking van kleinere bomen. Linksboven staat tussen grillig geboomte verscholen het vakwerkhuis bij een open plek. Dat, en ook het vergezicht over de rivier het dal in, zijn de anekdotes in de prent. Wat hij echter wilde tekenen was die verwilderde verstrengeling van takken.

Waarom deze inventie een ets werd, weet ik niet. Ruisdael heeft, in zijn vroege tijd, de tien jaar voor 1655, maar enkele etsen gemaakt. Ik kan mij voorstellen dat, voor deze studiën van struweel, de etsnaald beviel omdat die scherp is en beweeglijk van lijn. Voor het kronkelige onderwerp was dat goed. Het past ook bij een onontkomelijke indruk die deze ets op mij maakt, dat het een demonstratie is van virtuoze bravoure – kijk mij eens, wat ik kan.