Drank en vrouwen de ‘ware’ arktosiet hing tot in de ochtend in cafés rond, dronk jenever uit koffiekopjes en rookte sigaren

Het damesdispuut Arktos, opgericht in 1917, heeft een lange en vooral dwarse historie. Intellectualiteit en losbandigheid, boeken en avontuur, diepzinnigheid en drank gaan sinds heugenis hand in hand. De roerige geschiedenis van de kwajongen van het corps
Jeanet van Omme, Annemarie Aalders en Vilan van de Loo, Rebels binnen de regels. Het vrouwendispuut Arktos 1917-1997, Uitgeverij Verloren, 230 blz., 325,-
EERST WAS ER de mythe. We hadden ons in de herfst van 1982 ternauwernood bij Arktos aangesloten of we leerden de lange en dwarse geschiedenis van het damesdispuut kennen. We kregen een lustrumboekje van het laatste lustrum in handen gedrukt en lazen dat de ‘ware’ Arktosiet geen geijkte studie volgde: zij studeerde middeleeuwse Arabische geschiedenis of Russisch, desnoods medicijnen, maar dan met een bijvak dramaturgie of Hebreeuws.

Tot aan het ochtendgloren hing ze in cafés, ze dronk scheutig jenever uit koffiekopjes, rookte sigaren en liep alle nachtvoorstellingen af, of het nu ging om de experimentele Spaanse cinema of het absurdistisch theater. Van ‘lieve meisjes’ hield ze niet, ze was zelfs een tikkeltje mannelijk, en zorg voor haar uiterlijk vond ze nogal overdreven. Zij ging ’s zomers niet veilig met de trein naar de Dordogne, nee, zij trok in haar eentje door Turkije of Marokko. Liefst liftend. De 'club’ - zo heette het gebouw van de Amsterdamse Vrouwelijke Studenten Vereniging (AVSV) waar Arktos deel van uitmaakte - bezocht zij niet graag, 'misschien uit afkeer van het lieflijk joelend gekwinkeleer van veel hoge meisjesstemmen’, aldus het lustrumboekje uit 1982. Binnen het keurige studentencorps stelde Arktos zich tegendraads en provocatief op, al wordt in het boekje ruiterlijk toegegeven dat er weinig voor nodig was om 'de gedweeë dametjes en heertjes met hun door osmose verkregen normenwereldje’ schrik aan te jagen.
De roemruchte anekdoten leerden wij uit ons hoofd: Rond 1917 zorgde een van de oprichters van Arktos, Lida Muntendam, voor een groot schandaal omdat ze al te openlijk lesbische relaties aanknoopte. Zij werd gedwongen het lidmaatschap van het corps op te zeggen. Vlak na de Tweede Wereldoorlog nestelde een aantal Arktosieten zich in de etalage van café Schiller aan het Rembrandtplein en pafte forse sigaren. Passerende heren corpsleden wendden gegeneerd het hoofd af en maakten rechtsomkeert.
Eind jaren vijftig werd het dispuut door het AVSV-bestuur ernstig berispt wegens 'seksuele ontgroening’. Dat seksueel ontgroenen bestond overigens uit niet meer dan een onschuldige opdracht aan nieuwelingen: improviseer verbaal op Kees Kelks dichtregel: 'De wereld is een maagdendal.’ Als je op de vraag: 'Wat is een maagd?’ antwoordde: 'Een meisje’, waren de ouderejaars al tevreden. Voor straf werd Arktos vijf dagen van de groentijd uitgesloten.
En begin jaren zestig drongen Arktosieten blootsvoets de herensociëteit van het corps binnen.
ACH, VAN DE schaarse gegevens uit het boekje en van ongetwijfeld onbetrouwbare verhalen bouwden wij luchtkastelen waar we zelf een plaats in opeisten. Een mythe maakten wij van het Arktos van weleer, een mythe die we later zelf wilden overtreffen. Intellectualiteit en losbandigheid, boeken en avontuur, diepzinnigheid en drank, ook wij wilden dat allemaal hand in hand laten gaan. We lazen ook de boeken van Andreas Burnier: Een tevreden lach, De verschrikkingen van het noorden en vooral de sapfische schelmenroman De huilende libertijn. Het spreekt voor zich dat wij ons identificeerden met de hoofdpersoon daarvan, Jean Brookman, die drinkend en hoererend en met een hutkoffer vol intellectuele bagage door het leven ging. Toeval of niet, Andreas Burnier was eind jaren veertig lid van Arktos geweest.
Nu is er behalve de mythe ook een echt boek. Afgelopen weekend, op de tachtigste verjaardag van het dispuut, verscheen Rebels binnen de regels: Het vrouwendispuut Arktos, 1917-1997. Twee oud-Arktosieten, Jeanet van Omme en Annemarie Aalders, interviewden 33 dispuutsgenoten; de oudste werd in 1900 geboren, de jongste in 1974. En het is opmerkelijk, van de vrouw van 96 tot het meisje van 23, alle geïnterviewden zeggen het: Arktos was 'anders’, Arktos was 'apart’.
'Heel pittig’, karakteriseert Anneke Hooymeijer (aankomstjaar 1937) het dispuut, 'een enorme pittigheid van conversatie, geen overtollige woorden, er werd niet gezanikt.’ 'Het was een zeer intellectueel, zeer alcoholisch dispuut’, herinnert Andreas Burnier (aankomstjaar 1949) zich. 'De omgangsvormen waren duidelijk ruwer dan in de meeste andere meisjesdisputen. De toonhoogte was ironisch en scherp.’ 'Arktos was een verzameling van artistieke en geleerde vrouwen’, zegt Heikelien Verrijn Stuart (1969).
De levensverhalen uit Rebels binnen de regels laten het luchtkasteel niet instorten - ouder geworden zagen we de mythe sowieso als niet meer dan folklore -, ze vertellen natuurlijk niet de 'waarheid’ over het dispuut. Ze vormen een reeks subjectieve verhalen, maar daar is wel degelijk iets van de geschiedenis van het vrouwelijk studeren uit te destilleren. Verschillende Arktosieten memoreren bijvoorbeeld hoe tot in de jaren vijftig neerbuigend op vrouwelijke studenten werd neergekeken. 'U die dokter, en u die doktersvrouw wenst te worden’, opende de hoogleraar van Annelies Tobi (1942) het college. De verhalen laten ook een glimp van een verborgen universum zien, de inmiddels fossiele wereld van een door en door bourgeois bolwerk: het studentencorps.
ROND 1898 werden in de verschillende universiteitssteden de vrouwelijke studentenverenigingen opgericht - het aantal vrouwelijke studenten was toen nog op één hand te tellen. Mineke Bosch beschrijft in haar vuistdikke proefschrift Het geslacht van de wetenschap (1994) hoe de meisjesstudenten de gezelligheid moesten veroveren. 'Strategische gezelligheid’ noemt ze het. Jawel, vrouwen waren natuurlijk reuze gezellig, maar alleen binnenshuis; de gezelligheid in de buitenwereld was aan mannen voorbehouden. Het café was een mannenburcht, vandaar dat het clubhuis van de studentes denigrerend 'kattenkroeg’ werd genoemd. Drank? Vrouwen mochten er zelfs niet aan nippen. Nachtbraken, alleen over straat gaan, met je eigen sleutel je eigen kamer binnengaan - het waren allemaal vrijheden die vrouwen nog voor zichzelf moesten opeisen.
HET IS DAN OOK niet verwonderlijk dat het er in de vrouwelijke studentenverenigingen aanvankelijk keurig en net aan toeging. Als onschuldig werden de studentes gezien, onschuldig moesten ze blijven. Mineke Bosch citeert een Leidse kroniekschrijfster uit de begintijd: 'Begon langzamerhand de gezellige omgang onder de leden wat toe te nemen, het opgewekte clubleven van later tijd was er toen zeker nog niet. Van feestelijkheden was het merendeel der leden geheel wars, sommige toonden er zich bepaald vijandig tegen en een poging door eenige ondernemende leden op touw gezet (…) om eens een gezamenlijk uitstapje of boottocht te organiseeren, leed herhaaldelijk schipbreuk. Dat wat de leden misschien het meest terughield, was de angst om een relletje te veroorzaken, of zelfs maar op te vallen.’
Het dispuut Arktos werd in 1917 door zeven aankomende studentes gesticht - zo'n achttien procent van de studenten bestond toen uit vrouwen, de TH Delft niet meegerekend. 'Wij waren, als ik daar nog eens aan terugdenk, eigenlijk nog kinderen en we hadden heel weinig pretentie, al noemden we ons naar het sterrenbeeld de “Grote Beer”, wij de zeven grote, heldere sterren, omzwermd door talrijke kleine sterretjes, die in later jaren uit de navel te voorschijn zouden komen’, schrijft een van de oprichtsters. De gezelligheid was ook toen nog ingetogen, vertelt To Fuhri Snethlage-Ledeboer (1917): de Arktosieten gingen niet naar de kroeg, maar naar de 'club’, waar ze boterhammen aten en thee dronken. Feestelijk hoogtepunt was het jaarlijkse inauguratiediner. In de vakantie werden fietstochten gemaakt naar Ameland of Giethoorn. De vooroorlogse Arktosieten woonden meestal thuis; hun ouders woonden in Amsterdam of ze waren spoorstudent.
Toch ging het er in de jaren twintig al wilder aan toe. Was aanvankelijk één fles wijn genoeg om tien Arktosieten rozig te maken, in 1925, zo weet Hetty Klautz-Deenik, werden de Arktos-bijeenkomsten overgoten met wijn: 'Er stonden altijd grote kisten wijn bij Zus Tjeenk Willink in de gang. Die kreeg ze van haar vader. “Niet schudden, Tjeenk Willink.”’
In de jaren dertig was Arktos het eerste meisjesdispuut met een stamkroeg, Ogni Beni in de Reguliersdwarsstraat, en kreeg het het adagium 'Zij stierven terwijl zij dronken’ opgeplakt. Natuurlijk stierven ze niet. Het adagium was, aldus Anneke Hooymeijer, ingegeven door een 'half elf bedtijd met limonade-mentaliteit’. Die mentaliteit is inmiddels voorgoed verdwenen. 'Nu lopen alle meisjes dronken rond’, zegt de jongste geïnterviewde. Het damestoilet van het nieuwe sociëteitsgebouw aan de Warmoesstraat heeft dan ook, net als de heren-wc, een eigen kotsbak. Je zou het bijna nog als een verworvenheid zien ook.
Arktos was van begin af aan de kwajongen van het corps. Zoals Annelies Tobi (1942) zegt: 'We deden alles om de brave burgeressen in de AVSV te choqueren.’ Na de oorlog schreef het dispuut de teksten voor het groenentoneel - steeds schunniger teksten die door het AVSV-bestuur van tevoren werden gecensureerd, waarna alle gekuiste coupletten in het 'Lied van de verboden liederen’ werden samengebracht. Arktos was in die dagen hèt toneeldispuut. Uit het gesprek met oud-Arktosiet Annet Nieuwenhuijzen (1951) blijkt dat het studententoneel toen heel wat voorstelde: 'Mensen als Elise Hoormans en Ton Lutz deden allemaal hun eerste regies bij het studententoneel. Daardoor maakte je op een gedegen manier kennis met het vak. Het was echt avant-garde wat we deden, Dürrenmatt, Tennessee Williams. Wij speelden stukken waar het beroepstoneel belangstelling voor had.’
Tijdens de seksuele revolutie en al eerder in de jaren vijftig stelde Arktos zich vrijmoedig seksueel op. Lot Boom-van Stipiaan (1951): 'We waren makkelijker dan andere meisjes. Wat meer aan het experimenteren. Arktosieten hadden de reputatie dat ze met jongens naar bed gingen. Nou, dat was ook zo.’
De pil bestond toen nog niet, over abortus werd angstig gesmoesd. De losbandigheid van Arktos was dan ook relatief, herinnert Rita Kohnstamm (1955) zich: 'Er waren echt verhoudingen. En we sliepen ook bij elkaar. Dat was slapen in één bed, maar wat er uiteindelijk gebeurde… daar moet je je niet te veel bij voorstellen. Ik denk niet dat iedereen een zogenaamde “ring” (pessarium, red.) had. (…) Als er werd gezegd: “Zij heeft een ring”, dat ging toch wel ver.’ Gniffelend voegt ze eraan toe: 'En die keurige meisjes uit die keurige disputen moesten meestal ineens trouwen! Ja, dan lachten wij toch wel in ons vuistje.’
ARKTOS HANTEERDE dan wel naast de 'gezelligheidsstrategie’ een 'provocatiestrategie’, het dispuut veroorzaakte natuurlijk niet meer dan een storm in een corporaal borrelglaasje water. Het pleegde verzet binnen een elitaire wereld van twinsets en parelkettinkjes. Tegenover de maatschappelijke bewegingen van haar tijd - het feminisme, de bezetting van het Maagdenhuis - stond Arktos ronduit ambivalent. Maar Arktos was wel een enclave waarbinnen de studentes met hun vrouwelijke identiteit konden experimenteren, waar ze niet 'echt’ vrouwelijk hoefden te zijn. Toch kan je zeggen dat heel wat Arktosieten feministisch avant la lettre waren. Ze namen hun studie veelal serieus; opvallend veel van de vooroorlogse dispuutsgenoten verkozen werk boven het huwelijk.
'Er was achteraf geen man voor wie ik mijn werk had willen opgeven’, concludeert Magda te Winkel (1927). 'Vlak na de oorlog’, zegt Renée Kropveld (1945), 'dreef het feminisme op ongetrouwde vrouwen. De vrouwen die geen gezin hadden, moesten werken om de kost te verdienen uiteraard. Ik ook. Ik was een soort vrouwelijke man, bij wijze van spreken. De groep ongetrouwde, werkende vrouwen kwam via hun werk in aanraking met de problemen en achterstanden van vrouwen.’
Op den duur kon ook het studentencorps zich niet aan de veranderende tijd onttrekken. In de jaren zeventig liep het sociëteitsgebouw leeg, door de overgebleven leden werd er geblowd en kruidenthee gedronken. 'Het waren softe hippietoestanden’, zegt Diduïne van Delft (1970) met nauwverholen weerzin. 'Er liepen mensen rond in tuinbroek.’ Arktos besloot in 1973 het dispuut op te heffen. Het werd een heuse begrafenis, met doodkist en al. Oud-Arktosiet Kiki Amsberg (1957) maakte voor de VPRO een radioprogramma van de opheffingsvergadering. Vier jaar later werd het dispuut opnieuw opgericht en nog weer eens vijf jaar later meldde ik me aan.
Arktos had tot in de jaren twintig, na de 'kleverige vriendschappen’ van Lida Muntendam, een 'homo’-imago. Marion van der Meij-Gobau (1949) is ervan overtuigd dat in haar generatie en de generaties voor haar nogal wat lesbiennes hebben gezeten die niets met hun geaardheid deden: 'Zoals een jaargenoot, die was zo lesbisch als ik weet niet wat, maar dat wist ze zelf niet.’ Misschien heeft ze het over haar jaargenoot Andreas Burnier, die op haar 22ste trouwde en twee kinderen kreeg. Ze zag destijds nog geen alternatief: 'Er waren enge vrouwen van boven de vijftig in een streng mantelpak. Pia Beck, die vond ik eng. Anna Blaman, héél eng.’
IN DE JAREN tachtig poetsten wij het lesbische blazoen op. We maakten een film voor het corporale filmfestival, Na de film, naar een verhaal van Hugo Claus over een jongen en meisje die de gewoonte hebben samen naar de bioscoop te gaan en na afloop thuis de film na te spelen. De film die ze in Na de film imiteren gaat over een arm doofstom meisje dat de kippen voert en een ruwe stalknecht die haar verkracht. Ze overschrijden bij het naspelen de grenzen van het spel; het meisje voelt zich echt misbruikt. Veel discussie hebben we er niet aan gewijd en aan de consequenties dachten we niet. We lieten de personages 'gewoon’ door twee meisjes spelen omdat we nu eenmaal een meisjesdispuut waren. Marjolijn Bronkhuyzen (1981) was de brute stalknecht; bij de vertoning van de film wilde ze het liefst onder de banken kruipen: 'Het viel echt stil in de zaal. Doodstil. Na afloop zei men dat ze het dapper van me vonden.’ Hoe dan ook, Arktos kreeg er het jaar daarop maar twee nieuwe leden bij.
Net als in de jaren twintig spraken de keurige families in het Gooi schande van het dispuut. 'Ga jij tussen die kutpotten zitten?’ vroegen de broers van Nicolette ten Bosch (1985). Na het filmfestival beleefden we collectief onze coming out. We gingen naar Saarein, vrouwendisco Ditis, de oude potteuze kroegen aan de Zeedijk - de adressen hadden we van Andreas Burnier - en naar Petit Poucet, omdat daar zo'n opwindende pop was met veren in haar billen. We knipten ons haar kort en kochten mannenjasjes op het Waterlooplein. En we gingen vrolijk onderlinge affaires aan - ja, nu werd er wel 'seksueel ontgroend’.
AFGELOPEN ZATERDAG werd niet alleen Rebels binnen de regels gepresenteerd, er werd ook feest gevierd. Ik heb nog nooit zoveel Arktosieten bij elkaar gezien: ruim 130 luidruchtige vrouwen zitten in de sociëteit aan drie oneindig lange tafels voor het lustrumdiner. Het voorgerecht is nog niet opgediend of Mercedes Groot-Scholten (1983) staat op tafel. 'Ik sta dus niet in het boek’, opent ze haar speech verontwaardigd. 'En we worden wel een pottendispuut genoemd’, gaat ze verder, 'maar wie is er eigenlijk voor 1980 met een vrouw naar bed geweest?’ Opgewonden geroezemoes en boegeroep is het gevolg. 'Banaal, banaal’, hoor ik oudere dames om mij heen fluisteren. Niemand steekt een hand in de lucht; iemand zegt dat ze veel vrouwen heeft bemind; een ander roept dat de vraag naar seksuele voorkeur al lang achterhaald is. Niemand hoeft meer naar een tafelonderwerp te zoeken. Het is als vanouds.