FILM: Marley

Dreadlock rastaman

In de jaren zeventig beleefde de cultuur van het Caribische gebied een renaissance op velerlei gebieden: de overheersing van het West-Indisch cricketteam met vier bowlers (werpers) die de veelzeggende bijnaam ‘Ruiters van de Apocalyps’ hadden, Jimmy Cliff als acteur in de actiethriller The Harder They Come en de populariteit van ska en reggae die uiteindelijk samenkwamen in de unieke muziek van Bob Marley.

Medium film 43007193 st 6 s high

Als uitvloeisel van het feit dat de cultuur van de eilanden op zich een smeltkroes vormt waren al deze dingen met elkaar verbonden. Dat heeft iets mystieks. Zoals Bunny Wailer van Bob Marley and the Wailers het stelt in de prachtige cricketfilm Fire in Babylon (2011): ‘Wij, het Caribische volk, hebben nu eenmaal een soort kennis over hoe je een cricketbat moet vasthouden, of hoe je een cricketbal moet bowlen.’

Ook Bob Marley hield van cricket, hoewel hij meer een voetballer was. En wat voor een. Kevin MacDonalds nieuwe documentaire Marley bevat beelden van de reggaester aan het voetballen tussen opnamen door. Zijn lichaamsbeweging tijdens het ballen met vrienden had dezelfde schoonheid als zijn danspasjes op de muziekpodia van de wereld.

De link tussen Marley en sport laat zien hoe de grens tussen cultuur en politiek vervaagt. Marley was een muzikant, maar zijn muziek was maar een deel van zijn identiteit. En andersom: de filmmakers en sporters uit dat gebied werden gebonden door iets essentiëlers dat misschien te maken had met de gedeelde geschiedenis van onderdrukking als gevolg van het kolonialisme. Dit blijkt verder uit het feit dat Viv Richards, een van de grootste cricketspelers aller tijden en lid van het magische West-Indisch elftal uit die tijd, een nauwe band met Bob Marley had, of zoals Bunny Wailer het stelt: ‘Had he not been involved in cricket, he would surely have been a dreadlock rastaman.’

Ook in Marley is deze connectie tussen land en cultuur en sport en muziek evident. De film begint met een oude man die in een stadje ergens in de noordelijke Jamaicaanse provincie St. Ann vertelt hoe Bob als jongetje ervan hield op de rug van een ezel te zitten. De man staat voor een stalletje te praten met andere mannen. De sfeer is loom. Er klinkt reggae. De camera brengt het gebied vervolgens in vogelvlucht in beeld: zwevend over een landschap vol diepgroene heuvels als molshopen dat tot aan de horizon strekt.

Zo’n dertig jaar later. De jongen die als kind graag op de rug van een ezel zat is stervende. Zijn magere gezicht lijkt vertrokken van pijn, zijn ogen zijn waterig, van de dreadlocks is niets meer over. Dat vond hij nog het ergste: het uitvallen van het haar dat een symbool van zijn geloof én zijn muziek werd. Hij stierf in 1981 op 36-jarige leeftijd.

MacDonald, die eerder de uitstekende documentaire over bergbeklimming en overleving Touching the Void (2003) maakte, vertelt het verhaal van Marley en zijn muziek verfrissend op epische wijze. De afwisseling tussen gesprekken met familieleden, collega’s en kennissen en langzame totaalshots van het landschap brengt spanning in de vertelling. Uiteindelijk slaagt de filmmaker erin de essentie van Marley’s echte, veelzijdige identiteit in contrasterende beelden en gesprekken te vangen: de haast bizarre religieuze elementen van de rastafari-beweging die destijds in Haile Selassi van Ethiopië een Jezus-achtige koning-verlosser vond; de triomfantelijke wijze waarop Marley schotwonden opgelopen tijdens een aanslag op zijn leven tijdens een optreden toonde; en vooral zijn liefde voor het getto Trench Town in Kingston waar hij later woonde en waar hij emotioneel gezien eigenlijk nooit wegging.

Te zien vanaf 10 mei

Beeld credits: Entertainment One Benelux