Tom Wolfe

Dreigende terugval in de oersoep

Tom Wolfe, De wereld en Wolfe

Vertaald door Paul van den Hout

Uitg. Prometheus, 251 blz., ƒ39,50

Tom Wolfe, een van de vaders van de Nieuwe Journalistiek, beweerde eind jaren zestig dat Amerikaanse romanschrijvers de boot misten en het contact met de maatschappij (Vietnam, racisme, seks, drugs en rock ’n roll) kwijtraakten. Dat was natuurlijk niet waar voor wie Ken Kesey, Norman Mailer of William Burroughs las, maar het klonk wel goed en bewogen. New Journalism, dat de dooie literatuur nieuw leven in moest blazen, betekende meer ik in de zakelijke verslaggeverij, meer dramatische scènes of halfgefingeerde dialogen. Wie die aan de fictie ontleende stijlen goed beheerste, kon uitgroeien tot een satirische journalist die misstanden hekelde en kongsies ontmaskerde.

In zijn nieuwe stukkenverzameling De wereld en Wolfe verwijst Wolfe naar de jaren zestig en naar zijn New Journalism-bloemlezing The Painted Word (1981). Dat tijdperk was «het decennium waarin manieren en moraal, levensstijlen en visies op de wereld het land drastischer veranderden dan welke politieke gebeurtenis dan ook». Wolfe is sterk voor eenvoud, hij is een zelfverklaard realist, ook in de kunst. Al in The Painted Word zag hij niet veel in de moderne beeldende kunst, dat wil zeggen Abstract Expressionisme, Action Painting, Pop Art en Minimal Art en woordvoerders als Clement Greenberg, Harold Rosenberg en Leo Steinberg. Te veel theorie, te veel woordkunst: «De moderne kunst is een volkomen literaire aangelegenheid geworden: de schilderijen en andere kunstwerken zijn er alleen maar ter illustratie van de tekst.» Voor de antirealistische kunstcritici die de markt dicteerden, koesterde Wolfe minachting. In «De onzichtbare kunstenaar» (De wereld en Wolfe) houdt hij een pleidooi voor herkenbaarheid en artistieke ambachtelijkheid als hij de carrière belicht van de beeldhouwer Frederick Hart (1944-1999), maker van een realistische beeldengroep als onderdeel van het Vietnam-monument in Washington. Tijdens zijn leven is Hart door de New Yorkse kunstbobo’s genegeerd, en Wolfe maakt zich daar boos over. Het kunstwereldje wordt nog steeds door Foucault- en Derrida-adepten en «rococomarxisten» gedomineerd, meent hij. Ook in de literatuur krijgt het realisme — geïnspireerd op Dickens en Zola of op Anderson, Lewis en Steinbeck — volgens Wolfe geen poot aan de grond. Wereldvreemde schrijvers die de maatschappij links laten liggen overheersen. Evenals de filosoof Richard Rorty komt Wolfe met Oude Voorbeelden aanzetten, niet gehinderd door enige lectuur van naoorlogse schrijvers, laat staan van jonge en boze auteurs als Jonathan Fransen, Rick Moody, Dave Eggers, Richard Powers of Lorrie Moore. Als er één land is waar de literatuur altijd al commentaar op de wereld heeft gegeven, is het Amerika wel. Een van Wolfes boude beweringen in De wereld en Wolfe luidt: «Amerikanen konden prat gaan op een in de wereldgeschiedenis ongeëvenaarde vrijheid en macht.» Over de keerzijde daarvan, na 11 september nog wranger, raken talloze Amerikaanse schrijvers maar niet uitgesproken. Wolfe eist in zijn essay «Mijn drie aangevers» — waarin hij Mailer, Updike en Irving als te arrogant kapittelt — het alleenrecht op daarover diepgaand te hebben geschreven in In alles een man. Een beetje meer zelfrelativering had dit stuk over waar het met de literatuur naartoe moet belangwekkender gemaakt.

Subtieler, serieuzer en beter op dreef blijkt Wolfe als hij het actuele debat over genetica en nature versus nurture volgt volgens zijn eigen New Journalism-recept. Dan weet hij meeslepend te vertellen over de uitvinder van de transistor of de microchip, over de ondernemingsgeest van een handjevol piraatachtige Amerikanen uit het puriteinse achterland. In die stukken van liftboy tot tycoon stelt hij opeens vragen die ertoe doen: over het geloof onder sociobiologen in sociale conditionering; over Nietzsche als onheilsprofeet die de rampen van de twintigste eeuw voorzag als voorspel van een nog grotere apocalyps; over tranquillizers of antidepressiva en de afgang van Freud en Marx; over de dreigende terugval van de mens in de oersoep, of over de dood van God en de dood van de ziel. Want over juist díe dood maakt Wolfe zich druk. Als niet klasse (Marx) of onderbewustzijn (Freud), maar genen het lot bepalen, waar blijft de mens dan?

De wereld is één permanente voorstelling van «de menselijke komedie», zegt Wolfe Balzac na. Maar hij heeft gelijk als hij zegt dat het doorgronden van de menselijke geest en het bestuderen van de hersens een fascinerend wetenschappelijk onderzoek vol haken en ogen blijft in het digitale tijdperk. Wie mocht denken dat het menselijk brein slechts «een belicht negatief (is) dat alleen nog maar in de ontwikkelaar hoeft te worden gedompeld», en alles ligt een leven lang vast, die vergist zich. Wolfe verliest zijn geloof in de onberekenbare ziel niet, een ziel die nimmer volledig door darwinistische wetenschappers zal worden betrapt. Verslaafde genetici die de mens als een machine zien met «bij de geboorte ingeponste codes» halen hun schouders op bij zulke ongrijpbare begrippen als eigen wil, charisma of creativiteit.

Ondanks zijn oogklepachtige opvattingen over realisme in de kunst pleit het voor Tom Wolfe dat hij zich nog bekommert over de toekomst van Amerika en de wereld, die «global village» van Marshall Mcluhan die zich tijdens een lunch met Wolfe deze tot nadenken stemmende woorden liet ontvallen: «Morele verontwaardiging is een trucje om de domkop met waardigheid te bekleden.»

De wereld en Wolfe is meer dan de wereld van Wolfe.