Het volksoproer dat niet kwam

Dreiging van de straat

Direct na de moord op Pim Fortuyn braken er relletjes uit op het Binnenhof. In de dagen die volgden was van een volksoproer nauwelijks sprake. Op aandringen van de LPF gingen de verkiezingen gewoon door, maar dan zonder campagne. De LPF’ers waren evenwel niet van de buis te slaan.

«Ik was geen moment bevreesd voor een volksopstand», zegt Klaas de Vries, minister van Binnenlandse Zaken en eerstverantwoordelijke voor de openbare orde op het moment dat Volkert van der G. in het Hilversumse Mediapark de fatale schoten op Pim Fortuyn loste. De Vries gaf die middag een speech in Doetinchem. Binnen een halfuur werd hij telefonisch op de hoogte gesteld door zijn directeur-generaal veiligheidszaken, Ton Annink, die toen reeds op zijn Haagse post zat en uit voorzorg het Nationaal Coördinatie Centrum (NCC) op de vijftiende verdieping van het departement had geactiveerd.

De staf van het NCC vergaarde informatie over de veiligheidstoestand in het land, regelde waar nodig politiebijstand en voorzag vooraanstaande politici van lijfwachten, sluiproutes of geheime slaapadressen. Achteraf stellen de ex-minister en zijn ambtenaren dat ze alles van meet af aan onder controle hadden. De Vries: «Het grootste deel van de avond hielden we ons in het kabinet bezig met de vraag of de verkiezingen op 15 mei moesten doorgaan. En de vraag waar we zo gauw ambtenaren vandaan moesten halen die over voldoende grondwetskennis beschikten om ons te adviseren.» Ook Annink was naar eigen zeggen in de uren en dagen na de moord «geen moment nerveus». De toestand was soms even spannend, maar Nederland had zich al snel «herpakt».

Inderdaad bleven grote ongeregeldheden uit, ook toen Fortuyn enkele uren later formeel dood was verklaard. De verwachte onlusten bleven beperkt tot de Haagse binnenstad en eindigden kort na middernacht. De volgende dag bleef het overal rustig, zelfs in Fortuyns politieke hoofdstad Rotterdam. Een aanslag met molotovcocktails op het Amsterdamse stadsdeelkantoor Westerpark, laat op de avond van de zesde mei gepleegd door een 26-jarige inwoner van de stad, bleek niets met de moord op Fortuyn te maken te hebben. Al met al lijkt de «crisistiendaagse», zoals Annink de periode tussen de moord en de verkiezingsdag noemt, door het NCC en de verantwoordelijke ministers Kok, De Vries en Korthals (Justitie) voorbeeldig te zijn afgewikkeld.

Zodoende kon de mythe postvatten dat de Nederlandse democratie in 2002 — net als in 1977, toen de verkiezingen ondanks de Molukse kapingen ook doorgang vonden — robuust genoeg was om de moord op een aanstormende politicus met een miljoen aanhangers te doorstaan. In zijn verklaring voor de televisie op 7 mei presenteerde Wim Kok het besluit om aan de verkiezingsdatum van 15 mei vast te houden als een bewijs van democratische veerkracht: «De moord op Pim Fortuyn trekt een zware wissel op het vermogen van onze burgers om een afgewogen oordeel te vormen. Maar onze bevolking kan veel aan.» En NRC Handelsblad schreef die avond in zijn hoofdartikel: «Iedere vergelijking met 1977 gaat natuurlijk mank, maar gemeenschappelijk is de noodzaak niet te wijken voor geweld van welke aard dan ook. Uitstel is een verkeerd precedent.»

Het tegenovergestelde was echter het geval. Een reconstructie van de eerste twee dagen leert dat de paarse politici juist zijn geweken voor geweld of de dreiging daarvan, voornamelijk van de kant van enige honderden relschoppers wier misbaar rond het Binnenhof door de media werd versterkt. De angst voor een regelrechte bestorming van het Binnenhof was reëel. Zelfs De Vries, die de golf van verwijten inzake de beveiliging van Fortuyn al op zich af zag komen, maakte volgens collega-politici die avond een fletse en allesbehalve daadkrachtige indruk. De toch al weifelachtige Kok was volgens getuigen door de gebeurtenissen volledig overmand. En het is jammer dat Annink, die onlangs is overgestapt naar Defensie, de pers niet meer te woord wil staan, want politici die zich op de bewuste avond naar het Binnenhof spoedden en midden in de rellen terechtkwamen, schetsen een heel ander beeld van de veiligheidssituatie.

Toenmalig VVD-lijsttrekker Hans Dijkstal: «Annink praat ook maar naar dat hij verstand heeft. Die avond was niemand in staat om de situatie in te schatten, om te bepalen of de emoties de overhand zouden krijgen en de openbare orde gevaar zou lopen. Net als op het Binnenhof kon op allerlei andere plaatsen de vlam in de pan slaan.» Jan Marijnissen ontving kort na zes uur al een telefonische bedreiging van dien aard dat zijn vrouw en dochter het huis moesten verlaten. «Het oproerklimaat beheerste de gesprekken. Iedereen was uit het veld geslagen, niet alleen door de moord op Fortuyn, maar ook door de rellen en bedreigingen die we aan den lijve ondervonden», beaamt toenmalig kamervoorzitter Jeltje van Nieuwenhoven. «Het was een grote rotzooi», zegt ook Thom de Graaf, «ik kon nergens naartoe zonder bodyguards en politie begeleiding. De emotie van het moment overheerste. Ik kon me niet eens voorstellen dat we onder die omstandigheden nog verkiezingen konden houden.»

Maar hoe groot was de dreiging van de straat, of zelfs van een «volksoproer» zoals het in de eerste uren door sommige media en websites werd genoemd? Wie waren de oproerkraaiers die rond het Binnenhof tekeergingen en tot wie premier Kok zich leek te richten toen hij ’s avonds om acht uur in een geïmproviseerde persconferentie tot «kalmte» opriep? Bij nader inzien was het oproer bij het Binnenhof niet meer dan een flinke voetbalrel, aangestookt door een handvol rechtse activisten en allerminst representatief voor de gevoelens van de grote meerderheid van de Nederlanders. «Die zogenaamde demonstranten waren voor ons bekende gasten», zegt een Haagse politieman die op de bewuste avond bijstand verleende: «Een paar extreem rechtse figuren en een paar honderd Ado-supporters en kroegfiguren met een meter pils achter hun kiezen. Wij zien ze elke week rond het voetbalveld. Politici schrikken misschien als dat volk zich voor de verandering tegen hen keert.»

Daar komt bij dat de demonstranten eerder door de media naar het Binnenhof werden gelokt dan andersom. De eersten die ter plekke waren, waren enige tientallen journalisten en cameramensen. De eerste Fortuyn-aanhangers, aldus verslaggever Robbert Salome van de Haagsche Courant, zijn «een man in trainingsbroek met een onrustige pitbullterriër aan een riem en een grote man in een zwarte regenjas». Even later krijgen ze versterking van tientallen Ado-supporters, herkenbaar aan hun sjaaltjes. Skinheads roepen dat ze «die kankerlijers» in het kamergebouw in elkaar willen beuken. Onder hen is ook de 32-jarige Kobus V. die de vooravond in de kroeg heeft doorgebracht en al een paar biertjes, een baco en twee joints op heeft wanneer hij op zijn mobieltje door vrienden wordt «opgepiept».

De labiele, van drank, drugs en vecht partijen levende Kobus is er in zijn eentje verantwoordelijk voor dat die avond inderdaad even de «vlam» in de pan slaat. Terwijl voor het kamergebouw de eerste gemeentelijke potplanten door de lucht vliegen, de politie dranghekken plaatst en minister Pronk op weg naar het kabinetsberaad in een fuik loopt en door demonstranten wordt geduwd en uitgescholden, zoekt Jacobus zijn toevlucht in de parkeergarage. Met een brandende krant steekt hij de banden aan van de eerste de beste auto die hij tegenkomt, een «kanker-Smart». De banden vatten vlam en steken ook die van een belendende Volvo aan.

De rookontwikkeling is enorm en dat is weer een teken voor de verzamelde meute, inmiddels aangegroeid tot zo’n driehonderd man, om op te rukken in de richting van het Torentje onder het roepen van «Melkert moordenaar». Stenen vliegen door de lucht, de hondenbrigade heeft handenvol werk en ten slotte kan alleen een charge van de ME de samenscholing verspreiden. De rellen verplaatsen zich naar de nabijgelegen Korte en Lange Poten en de Vijverberg, waar de politie in de loop van de avond en vroege nacht 27 arrestaties zal verrichten. Aldus eindigt de «volksopstand» van 2002, naar politiemaatstaven niet meer dan het gebruikelijke plaatje van een roerige voetbalavond. Maar het kwaad is geschied: voor de komende dagen en weken is de stemming gezet door die ene brandende «kanker-Smart», een symbolische ontheiliging van het kamergebouw die niet alleen bij de demonstranten, maar ook bij journalisten en politici Dionysische driften aanwakkert. Bij de rookpluim uit de luchtkoker, op alle tv-journaals te zien, ontstaat een soort speaker’s corner voor extreem rechtse types.

De televisie stapelt hun uitspraken en de beelden van de «brandende parkeergarage» boven op de schokkende opnamen van de vermoorde Fortuyn en het eerste rouwvertoon dat binnen een uur losbarst. Bij Fortuyns villa in Rotterdam verzamelen zich enige honderden mensen die bloemen neerleggen en bij de inderhaast geplaatste dranghekken blijven treuren. Mat Herbens eerste woorden na de moord, namelijk dat «de kogel van links kwam», keren in talloze varianten terug. Op een spandoek bij Fortuyns huis staat: «Vermoord door de hetze van zittende politici en een blatende pers». De politie registreert die avond tientallen bedreigende of beledigende e-mails gericht aan het adres van zittende politici. Zo ontstaat een «virtuele» volkswoede die geen moment massaal, laat staan bedreigend voor de openbare orde wordt.

Dat de meeste politici, althans van paarsen huize, ervoor door de knieën zijn gegaan bewijst eens te meer hoever ze van hun achterban en de rest van Nederland vervreemd waren. In eerste instantie waren alle spraakmakende paarse politici namelijk voor uitstel van de verkiezingen: Ad Melkert (PvdA), Gerrit Zalm, Hans Dijkstal en vice-premier Annemarie Jorritsma (VVD) alsmede Els Borst en Thom de Graaf (D66). De Graaf: «Maandagavond om half tien kwamen de fractievoorzitters bijeen in de Eerste Commissiekamer in het Kamergebouw. Ik heb toen, net als Els Borst, gezegd dat ik uitstel wenselijk vond. Voordat de kiezers in staat waren de politieke keuzes te onderscheiden van de emoties moest naar mijn mening eerst het tumult zijn weggezakt. Het leek mij ook in het belang van de LPF, die de kans moest krijgen zich te herstellen.» Onder de voorstanders van uitstel bevond zich overigens ook Jan Marijnissen (SP) die dat standpunt luid en duidelijk in de media uitdroeg.

Het besluit om niettemin vast te houden aan 15 mei werd dan ook niet ingegeven door bezorgdheid om des kiezers ziel of grondwettelijke overwegingen. Het werd afgedwongen door de LPF met instemming van de paarse politici, bevreesd als ze waren voor de wraak van de publieke opinie en uitbarstingen van onbeheersbaar geweld. «Al op maandagavond was iedereen het erover eens dat we de LPF het laatste woord moesten geven», zegt toenmalig kamervoorzitter Jeltje van Nieuwenhoven. «We hebben de beslissing gewoon in handen van die partij gelegd», zegt Dijkstal. «Door de moord op Fortuyn was een volstrekt onverwachte, voor het moderne Nederland ongekende situatie ontstaan. Onder de paarse politici was de verslagenheid op dat moment totaal. En als gevolg van die verslagenheid waren we kwetsbaar, ontvankelijk voor de dreiging van het straatrumoer honderd meter verderop en voor hevige reacties van de kiezers. In dat klimaat moesten we de LPF binnenboord zien te halen, zoveel mogelijk ontzien en bij alles betrekken.»

Binnen enkele uren was de zaak beklonken. Nadat hij op dinsdagochtend in het Torentje een kort gesprek had gevoerd met een zevenkoppige LPF-delegatie, waaronder Fortuyns broer Marten en zijn voorlopige opvolger Mat Herben die beiden wilden vasthouden aan 15 mei, deelde Kok het besluit per telefoon of amice-briefje aan de collega’s mee. De eis dat de verkiezingscampagne moest worden stilgelegd, werd op dezelfde wijze door de LPF afgedwongen. Zodoende kreeg de LPF in de nasleep van de moord alle ruimte om zich te profileren. De fatale tegenstellingen binnen die lijst, waaraan het kabinet-Balkenende een halfjaar later te gronde zou gaan, werden met de mantel der liefde of uit respect voor de dode lijsttrekker toegedekt.

Van Nieuwenhoven: «De LPF wilde per se dat de verkiezingen doorgingen, maar dat de campagnes werden opgeschort. Geloof het of niet, maar uit piëteit met de LPF hebben we ons daarbij vrijwel onmiddellijk en zonder discussie neergelegd. Alleen Marijnissen wilde de campagnes voortzetten, verder was iedereen voorstander van radiostilte. De vraag of de kiezer gebaat was bij zo’n radiostilte is niet eens ter sprake gekomen. Net als de meeste fractievoorzitters heb ik daar pas achteraf bij stilgestaan. Vergis je niet, we hadden net het oproer in Den Haag achter de rug. Dat was behoorlijk intimiderend, ik heb het van dichtbij meegemaakt. Iedereen was uit het veld geslagen, niet alleen door de moord, maar door het geweld en de bedreigingen.»

«Het had geen zin meer om campagne te voeren. We zouden de verkiezingen hoe dan ook verliezen en door de LPF zijn zin te geven konden we erger voorkomen», zegt Dijkstal. Het CDA van Jan-Peter Balkenende ging op zijn beurt akkoord met opschorting van de campagnes omdat die partij verwachtte slapende rijk te worden. Een nooit gepubliceerde Nipo-enquête, kort voor de moord gehouden, wees uit dat het CDA op flinke winst stond en baat had bij het imago van veilige haven voor kiezers met knikkende knieën. Als gevolg van de opschorting was de daaropvolgende periode van tien dagen één lange verkiezingscampagne voor de LPF. De krijgshaftige, verongelijkte en ontdane LPF’ers waren niet van de buis te slaan. In de Rotterdamse kathedraal waar Fortuyn enkele dagen later werd opgebaard hingen louter met bloemen omlijste verkiezingsaffiches van de LPF.

De nazaten van Fortuyn deden niets om de «volkswoede» tot bedaren te brengen. De paarse politici moesten bij de eredienst in Rotterdam de zij-ingang nemen omdat ze zich niet in de boze menigte op het bordes waagden. Zelfs in de kathedraal drongen de hatelijke kreten van buiten door. Sommige lijsttrekkers noemen de opstelling van de LPF achteraf «kwalijk» en zelfs «schandalig». De Graaf weigert toe te geven dat hij zich op het beslissende moment heeft laten intimideren, maar kan zijn verontwaardiging over de LPF-manoeuvres toch niet onderdrukken: «De ochtend na de moord hebben we afgesproken dat we geen campagne meer zouden voeren omdat de LPF daarom vroeg. Volgens Herben was dat nodig om de rust in het land te herstellen, wat mij heel verstandig leek. Vervolgens waren de mensen van de LPF rond de klok op tv te zien. Op de dag voor de verkiezingen kwamen ze zelfs met een paginagrote advertentie in de dagbladen. Ik vond dat hoogst merkwaardig.»