Drek van dublin

In zijn messcherpe schelmenroman ‘De ster Henry Smart’ herschrijft Roddy Doyle de desastreuze geschiedenis van het Ierse nationalisme vanuit het perspectief van een idioot.

HET IS EEN zonnige dag in Dublin als aanvoerder James Connolly, een nationale socialist, zijn ongeregelde troepen het bevel geeft dat tot op de dag van vandaag na-echoot in de Ierse politiek: ‘Linksaf, aanvallen!’
Eindelijk is ook in Ierland de twintigste eeuw aangebroken: Tweede Paasdag, maandag 24 april 1916. Europa heeft zich ingegraven in loopgraven en vecht de Eerste Wereldoorlog uit, maar Connolly’s legertje van ruim honderd man heeft een eigen program: het wil strategische plekken in Dublin, waaronder het hoofdpostkantooor aan Sackville Street, bezetten om zo de politieke zelfstandigheid van Ierland op het moederland Groot-Brittannië te veroveren.
Het mislukt jammerlijk. Connolly’s bevel dat de bevrijding van Ierland had moeten inluiden, loopt uit op een ramp. Zijn legertje bezet wel het postkantoor maar vergeet de telefooncentrale te bezetten - die brug naar de buitenwereld - en bevindt zich al meteen in een hopeloos isolement. Als Patrick Pearse, de wereldvreemde intellectueel, dichter en docent Iers, vóór het postkantoor de onafhankelijkheidsverklaring voorleest, luisteren de Dubliners nauwelijks. Ze schelden Pearse zelfs uit. En het wordt nog erger. Wanneer de politie zich terugtrekt in afwachting van de bestorming van het postkantoor door Britse troepen, duiken er Dubliners uit de nabijgelegen krottenwijken op die de etalageruiten van onbeheerde winkels aan diggelen slaan en gaan plunderen. De bezetters kijken verbijsterd toe. Is dit de dank van Dublin voor hun levensgevaarlijke inspanningen voor een soeverein Ierland los van het moederland? Een stoet 'doekenvrouwen met mannen in de loopgraven’ rukt op naar de hoofdingang om hun uitkering te eisen. Ze worden met lege handen teruggestuurd door de nieuwe Ierse leiders. De nationalistische beweging Sinn Féin wordt verwelkomd met onverschilligheid, cynisme, boosheid en plundering. Eerst eten, de moraal is sluitpost. Van idealen alleen kan de kachel niet branden en kunnen kinderen niet gevoed worden.
CONNOLLY, PEARSE, Eamon de Valera, Michael Collins en hun voetvolk weten het - ten koste van honderden doden - bijna een week in het hoofdpostkantoor uit te houden, waarna ze moeten vluchten en gevangen worden genomen. Een aantal leiders, onder wie de gewonde Connolly en Pearse, wordt door het Britse gezag geëxecuteerd. Maar wat ondanks jarenlange Ierse politieke agitatie en de wanhoopsbezetting van het postkantoor niet lukt, namelijk het verwerven van een massa-aanhang, weet de reactie van het Engelse gezag in die ene meimaand van 1916 te bewerkstelligen. De executies zijn de lont in het kruitvat, de lucifer die een bijna uitdovend vuurtje plotseling doet oplaaien tot een uitslaande brand die door de Britten niet meer te blussen is. De gedode bezetters worden mythische helden. Na het falen komt toch de triomf. Noem het een 'heroïsche ethiek van de mislukking’. Sinn Féin krijgt dankzij koloniale intolerantie en bruut geweld de wind in de zeilen en wint tussentijdse verkiezingen, niet in de laatste plaats omdat de leiders in Britse cellen zitten. 'Sinn Féin had heel snel aanzien gekregen, de partij van de pastoors en van de mensen uit de middenklasse die pienter genoeg waren om te weten wanneer de wind uit een andere hoek begon te waaien. Het was de partij van geld en ge loof, en daarbij ook opwindend door zijn band met de begraven martelaren; zij was verboden door de Britten, maar behaaglijk.’
DE PAASOPSTAND van 1916 speelt in 1999 nog steeds mee op de achtergrond van de huidige vredesonderhandelingen rond Noord-Ierland, het territorium waar het katholiek-republikeinse Ierland nog steeds rechten op meent te hebben. Want de twintigste-eeuwse terreuracties van de IRA, de militaire tak van Sinn Féin, hebben alles te maken met de al geciteerde 'ethiek van de mislukking’. Die woorden vormen, om mijn bron te vermelden, een citaat uit Michael Collins (1998), de hagiografische film over leven en dood van Paasopstandeling Collins door de cineast Neil Jordan, die als auteur naam maakte met de verhalenbundel Night in Tunesia (1983) en Zonsopgang met zeemonster (1995), een roman over een wegkwijnende vader en een zoekende zoon.
Het is de vraag of Roddy Doyle zich in zijn nieuwste roman De ster Henry Smart - een schelmenroman over een verdwijnende vader en een zoekende zoon waaruit het Sinn Féin-citaat is gelicht - door Jordans film heeft laten inspireren of dat beiden in dezelfde tijd toevallig met hetzelfde intrigerende thema bezig waren: het Ierse nationalisme met al zijn desastreuze gevolgen. Er zijn scènes bij Jordan die vooruit lijken te wijzen naar Doyles roman, sterker nog: Doyle heeft die tot een metafoor uitgewerkt. De duidelijkste is deze: op de vlucht voor zijn vroegere medestrijders voor de Ierse vrijheid duikt de compromisloze ex-kompaan van Michael Collins - minister en mede-architect van het compromis dat Ierse Vrij staat heet - letterlijk en figuurlijk onder door een putdeksel op te tillen en in een onderaardse Dublinse rivier (riool?) te springen. Onder het putdeksel ligt de laatst overgebleven vluchtroute. Doyle maakt er werk van in zijn roman, het eerste picaresque deel van de historische romantrilogie 'De laatste oproep’, die onherroepelijk in het maffiose Chicago zal eindigen, zoals enkele vooruitwijzende zinnetjes aangeven.
Maar waar Neil Jordan een mythe in stand wil houden - de mythe van de onbesmette en onzichtbare held Michael Collins die misbruikt wordt door de lafaard en politieke intrigant De Valera - vertelt Roddy Doyle het verhaal van de onzichtbare (want verzonnen!) Paasopstandeling Henry Smart vanuit een heel ander perspectief om juist de mythe van Tweede Paasdag 1916 kapot te schrijven. Het kikkerperspectief is nog te verheven. Doyle laat zijn verteller wegzakken in de onderbuik van Dublin, in zijn onderaardse rivieren en riolen. Doyle wenst zijn verhaal over de krankzinnige Ierse historie na de Paasopstand te vertellen vanuit een naamloze uit de Dublinse krottenwijken, vanuit een niemand aan de rand van Nighttown, een maatschappelijke nul, een marginale moordenaar die zich laat gebruiken door samenzweerders die de handel nooit uit het oog verliezen. Vochten de zogenaamde idealisten om Ierland? Welnee, het land is slechts 'een kluit modder’. In De ster Henry Smart groeit Ierland uit tot een bordeel, tot een hoerenkast met een uitsmijter die Henry Smart & Co heet, vader en zoon die na elkaar de tent bewaken en de vuile zaakjes opknappen van de eigenaar, totdat de zoon ontdekt dat de superpooier een dubbele agenda heeft en hij eigenhandig een daad stelt.
De echte revolutionaire geest, gevoed door socialisme en volksbelang, is al vroeg verkwanseld en verpest door eng nationalisme, antisemitisme en eigenbelang. Dat schemert op bijna elke bladzijde van Doyles roman door, verpakt in een vertelling vol hilarische overdrijvingen, waardoor de toon opgeruimd en tegelijkertijd wanhopig is. Doyles historische roman herschrijft de Ierse historie vanuit een idioot met een grenzeloze overlevingsdrang, vanuit een bezitloze uit een Dublinse achterbuurt die met zijn vertellust en de seksuele lust (Smart, met zijn blauwe veroveraarsogen, is een volkse Don Juan) een heel eind komt. Maar de macht wordt door anderen uitgeoefend. Ondanks zijn uitgekooktheid en zijn hondentrouw mag Smart niet eens aan de macht ruiken. Hij blijft het straatschoffie. 'Ik voel me thuis tussen vodden en schaarste, vuil en zwakte.’
Doyles creatie Henry Smart is een schaduw in de Ierse geschiedenis, een gewiekste commentator in de coulissen die, met het hart op de tong, de lezer zowel aangename als ongemakkelijke momenten bezorgt.
DE PRELUDE OP Doyles trilogie 'De laatste oproep’ zit al verborgen in Paddy Clarke Ha Ha Ha (1993). Deze fragmentarische roman over een opgroeiende jongen in de jaren zestig die op de laatste bladzijde van het boek zijn vader voorgoed uit huis ziet gaan, bevat een scène waarin een schooljuffrouw die Ierse les geeft een theedoek meeneemt waarop de onafhankelijkheidsverklaring prijkt 'omdat het vijftig jaar na 1916 was’. De eerste ondertekenaar van de proclamatie is een naamgenoot van Paddy: Thomas J. Clarke. Dat is mijn opa, bazuint Paddy rond. Maar de leugenaar die per se deel van de geschiedenis wil uitmaken wordt ontmaskerd door de schooljuf. Zij leest voor van de theedoek: 'Op dit cruciale moment moet de Ierse natie, met de heldhaftigheid en discipline die haar eigen is, en met de bereidheid van haar kinderen zich op te offeren voor het algemeen belang, bewijzen het verheven lot waartoe zij is geroepen waardig te zijn.’
Diezelfde proclamatie wordt in De ster Henry Smart snedig becommentarieerd en aangevuld door de veertienjarige Smart op Paasmaandag 1916 in het postkantoor. Een kind is hij nog, maar vroegrijp. Hij wordt ontmaagd door een Cumann na mBan-vrijwilligster - zijn vroegere schooljuf voor één dag - die meer wil dan typen en theezetten voor de bezetters. Henry Smarts eerste daad in het postkantoor is het kapotschieten van de etalageruiten aan de overkant van Sackville Street, een uitnodiging aan de armen van Dublin zich te laven aan Ierse eigendommen, want zij 'stemmen met hun voeten en hun ruggen’. Zijn tweede daad is het uitdelen van geld uit de goedgevulde laden aan de vrouwen wier mannen in de loopgraven van Frankrijk creperen. Zo becommentarieert en verandert Roddy Doyle het verleden. Want waarom zou de literatuur de geschiedenis niet mo gen herschrijven en de gemiste kansen van toen niet alsnog benutten? Het verleden is geen verzameling voldongen feiten, het ligt open.
DE GEBOORTE van Henry Smart, op 8 oktober 1901, heeft veel voeten in de aarde. Het vuil en roet vormden toen de lijm die Dublin bij elkaar hield. Daar komt hij uit voort: 'We bestonden uit drek van Dublin.’ Zijn vader heeft een raadselachtig verleden. Als uitsmijter van een bordeel hanteert hij zijn houten been als moordwapen. Hij heeft vele gedaanten en namen, net als zijn zoon later. 'Hij wou er niet aan onderdoor gaan: zijn verha len hielden hem overeind. Verhalen waren het enige wat de armen hadden. Een arme man, die schonk zichzelf een leven.’ De vader begint te leven als de zoon wordt geboren. Op een cruciaal ogenblik wijst de vader zijn zoon de weg door het natte ondergrondse labyrint van Dublin: de Engelse koning Edward(VII maakt een rijtoer door Dublin en zoonlief roept dat die rijke stinkerd moet opflikkeren. Hij roept dat niet omdat hij Ier is of Sinn Féiner maar omdat hij die rijkdom niet kan rijmen met zijn Dublin.
Dit is de oerscène van De ster Henry Smart. De zoon treedt in de voetsporen van zijn vader. De geboorte van de zoon heeft de vader verlost en de zoon lost hem af als uitsmijter, kille killer en vrouwenverleider. Vanuit de krochten en krotten werkt het kind Henry Smart zich omhoog, maar hij brengt het uiteindelijk niet verder dan vallende ster, een ploeteraar in de haven die verpest wordt door fosfordampen en graanstof. Hij is een politieke veldwerker die een plek in het parlement wel kan vergeten. 'En geen van de anderen uit de sloppen en krotten bracht het tot een plaats op de lijst. Wij waren naamloos en vervangbaar, net zo dood als de soldaten in Frankrijk. We transporteerden geweren en berichten. We waren lokvogels en de lul. We voerden bevelen uit en moordden.’
Zeker, Smart mag zich rekenen tot de twaalf apostelen die de kern vormen van Michael Collins’ spionagenetwerk. Hij neemt zelfs af en toe de naam van zijn opdrachtgever aan, die zegt dat hij 'niets’ is en dat de onruststokers van nu straks geloosd moeten worden. In Neil Jordans film Michael Collins is het Collins zelf die soortgelijke opmerkingen maakt tegenover zijn politieke tegenspeler De Valera. Maar waar Jordans film geen oog voor heeft, dat laat Roddy Doyles roman zien: dat het vuile werk door de loopjongens wordt opgeknapt en dat zij stank voor dank krijgen; dat zij vage schaduwen in de geschiedenis blijven; dat de echte Ieren in het westen geen weet hadden van wat er precies in Dublin speelde.
SAOIRSE HEET het dochtertje dat Henry Smart aan de strijd overhoudt. Het is Iers voor vrijheid. Maar aan het einde van Doyles roman, die veel Ieren willens en wetens tegen de haren in wil strijken, moet Henry Smart de vrijheid elders zoeken omdat hij afgedankt is. Hij wordt niet bedankt voor zijn diensten aan de militaire strategen die de handel nooit uit het oog zijn verloren.
Henry Smart ontvlucht Ierland na zijn laatste en beslissen de moord. Hij ontkomt, net als zijn vader, en verdwijnt. Het is een klassiek Iers einde van een messcherpe roman. Wat blijft erover? Stilte, ballingschap en sluwheid. Het is het credo van Stephen Dedalus, die aan het slot van Joyce’ A Portrait of the Artist as a Young Man (1916, het jaar van de Paasopstand) aan het verstikkende geestelijk klimaat van Ierland ontstijgt en naar Europa vlucht. Henry Smart gaat de andere kant op, via Liverpool naar de Nieuwe Wereld.
Ierland is een land waarvan de geschiedenis een kettingreactie van exodussen vormt: uiterlijke en innerlijke emigratie. Nadat Henry(VIII, koning van Ierland, halverwege de zestiende eeuw zijn katholieke geloof afzwoer, werden de Ieren fanatiek rooms. Wat zei de dichter William B. Yeats over zijn landgenoten? Het zijn wilde ganzen die hun grijze vleugels over elke vloed uitspreiden, verdreven door de honger, het zijn de joden van Europa want de ene uittocht volgde op de andere.
Wij zijn een 'belated race’, schreef James Joyce, een volk dat telkens weer door het duister wordt overvallen. Maar het land bezit wel een literatuur die meer is dan een lichtpuntje. Misschien zijn de gedichten en verhalen van onder anderen Shaw, Yeats, Joyce, Synge, Beckett, O'Brien, Heaney, Jordan en Doyle af en toe een alternatieve wegwijzer.