GRENZEN AAN BEMOEIZORG

Drempelvrees

Ingrijpen tot ‘achter de voordeur’ is de nieuwe trend in bestuurlijk Nederland. Onder wetenschappers en sociaal werkers begint een discussie over hoe ver die bemoeizorg mag gaan.

AANVANKELIJK WAS ZE BLIJ met het bezoek van de groep mannen die zichzelf voorstelde als het ‘huurteam’. De stemming van de Australische bewoonster van een appartement aan het Rotterdamse Marconiplein sloeg om toen een van de mannen, in plaats van de veiligheid van het balkon te onderzoe-ken, boven in de slaapkamer begon te speuren tussen de kleren, de toiletspullen en in het bed. Het bleek bij nader inzien te gaan om een interventieteam, op zoek naar uitkeringsfraude.
Het voorbeeld wordt genoemd in het kritische onderzoek van de Rotterdamse ombudsman naar de praktijk van de huisbezoeken, Baas in eigen huis. Het rapport werd bij het verschijnen eind vorig jaar direct afgeschoten door vrijwel alle partijen in de gemeenteraad. De conclusies zouden gekleurd zijn, de 48 getuigenissen niet representatief en verouderd.
Vorige week deed burgemeester Ivo Opstelten van Rotterdam daar nog een schepje bovenop. Aanlei-ding was het jaarverslag van de ombudsman. Daarin worden de interventieteams, bestaande uit inspec-teurs van de sociale dienst, energieleveranciers, medewerkers van de woningbouwcorporatie en andere organisaties, opnieuw gehekeld. Hoewel diverse aanbevelingen van de ombudsman zijn overgenomen, zouden de teams bij de 25.000 huisbezoeken die ze jaarlijks afleggen burgers nog steeds ‘overrompe-len’ en ‘intimideren’. Alleen de – gekleurde – onderkant van de samenleving wordt gecontroleerd, aldus de ombudsman. En het huisrecht van een verdachte in een opsporingszaak is beter gewaarborgd dan dat van een Rotterdamse burger die te maken krijgt met een onaangekondigd huisbezoek. Ook de ver-menging van doelen wordt veroordeeld: de interventieteams doen aan repressie, controle en hulp. Op-stelten sprak van een ongenuanceerd beeld. De aanbevelingen van de ombudsman konden beter niet overgenomen worden door de raad, aldus de burgemeester en kersverse VVD-voorzitter.

De Rotterdamse perikelen staan niet op zichzelf. Vorig jaar werd de gemeente Zeist door de rechter te-ruggefloten. Vertegenwoordigers van de gemeente, sociale dienst, politie, de belastingdienst en de wo-ningbouwcorporatie bezochten overlast gevende jongeren en hun vrienden en familie, soms met zo’n tien mensen. Na klachten van enkele families oordeelde de rechter dat deze interventieteams te ver wa-ren gegaan. Zo was het voor de betreffende families niet duidelijk wat het doel van het bezoek was. In-middels werkt de gemeente met kleinere interventieteams, die bovendien meer nadruk leggen op hulp-verlening.
‘Achter de voordeur’ heet deze aanpak,
waarbij door middel van huisbezoeken wordt ingegrepen bij mensen met problemen. En het is razend populair. Aleid Wolfsen, burgemeester van Utrecht, wil het. De Amsterdamse wethouder Lodewijk As-scher ook. De ministersploeg van Balkenende lijkt VVD-leider Rutte’s negatief bedoelde predikaat van ‘het kabinet van achter-de-voordeur’ zelfs als een geuzennaam te koesteren. In tal van plannen voor de veertig
Vogelaarwijken komt de term terug. Een gemeente als Den Haag heeft zich voorgenomen bij alle bewo-ners van de ‘Prachtwijken’ een kijkje voorbij de drempel te nemen.
Niet voor niets spreken onderzoekers Eefke Cornelissen en Taco Brandsen in hun rapport Handreiking ‘Achter de voordeur’ over ‘een
nieuwe trend’. Instanties gaan bij bewoners langs, in plaats van andersom. ‘In wezen grijpt dat terug op een oude traditie: de tijden dat de woonopzichteressen en pastors langskomen zijn ver terug, maar niet vergeten’, schrijven ze.
De ‘achter de voordeur’-aanpak onderscheidt zich door de grootschaligheid en integrale aanpak, vertelt Cornelissen, tevens oprichter van het Kennisnetwerk Achter de Voordeur: ‘Mensen worden massaal, huis-aan-huis benaderd vanuit een heel brede vraag: “Hoe gaat het met u?”’ Daarin ligt het verschil met bijvoorbeeld de al langer bestaande – en omstreden – huisbezoeken door alleen medewerkers van de sociale dienst.
Maar de interventieteams die nu in het nieuws komen, zijn niet de enige projecten ‘achter de voordeur’. Op veel plaatsen draait het enkel om hulpverlening, zonder dat dit gecombineerd wordt met handhaving. Problemen in achterstandswijken, sloopbuurten of bij huishoudens die de huur niet betalen, worden in kaart gebracht met een bezoekje aan huis door sociaal werkers of medewerkers van de woningbouw-corporatie. Ze wijzen de bewoners de weg naar het bestaande hulpaanbod en treden op als een soort zorgmakelaar. Zo stellen teams
in de Amsterdamse wijk Overtoomse Veld huis-aan-huis vragen over gezondheid, inkomen, opvoeding en – in het kader van de strijd tegen radicalisering – levensbeschouwing.
De voordeur is daarmee niet langer het onneembare bastion dat ze was, constateert cultuurpsycholoog, publicist en oud-GroenLinks-politicus Jos van der Lans. Het huis is geen overheidsvrije zone meer. Van der Lans ziet een nieuwe fase in het welzijnswerk, de ‘er op af-beweging’. In de periode van de Weder-opbouw zaten de bevoogdende professionals ‘boven op’
de burger, schrijft hij in een opiniestuk in Het Experiment, het blad van de Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting. Dat veranderde met de emancipatiegolf in de jaren zestig en zeventig in ‘er naast’. Later, met de opkomst van het marktdenken in de jaren tachtig, werd het ‘er vandaan’. Slechts als er een vraag kwam om hulp, was een aanbod gerechtvaardigd.
Dat werkt niet, constateert Van der Lans: ‘Nogal wat problemen hebben nu eenmaal
niet de neiging om zich op afspraak te laten behandelen. Burenoverlast, kindermishandeling, seksueel geweld, psychiatrische crises, huurschulden – het zijn geen zaken waar mensen mee te koop lopen.’
Na de dood van het meisje Savannah en
andere zogenoemde ‘gezinsdrama’s’ kwam daarom de bemoeizorg op. En dat is goed zo, denkt Van der Lans. Hij is niet bang voor een conservatief paternalisme. Daarvoor zijn zowel de hulpverleners als de burgers te veel veranderd ten opzichte van de jaren vijftig. De eerste zijn professioneler geworden, de laatste mondiger. Sterker nog: dit kabinet is eerder ‘niet betuttelend genoeg’, zo luidt de provocerende conclusie van Van der Lans.
De ‘achter de voordeur’-aanpak is daarom zeker niet automatisch een stokpaardje van rechtse, conser-vatieve politici, waarbij links waarschuwt voor het in gedrang komen van de privacy. Dat laatste kan net zo goed dienen om onverschilligheid ten opzichte van sociale misstanden te maskeren. In haar column in de Volkskrant prees Evelien Tonkens, bijzonder hoogleraar actief burgerschap aan de Universiteit van Amsterdam, dan ook de nieuwe aandacht voor problemen bij gezinnen thuis. Ze spreekt van ‘een ont-nuchterende les voor feministen als ikzelf’: ‘Honderdduizend kinderen en tachtigduizend volwassenen, vooral vrouwen, worden jaarlijks in het gezin mishandeld. Met de schijnwerper op het gezin zien we on-gezonde maaltijden, drankgelagen en torenhoge schulden. We zien kinderen die op hun derde al een onoverbrugbare ontwikkelingsachterstand hebben.’ Ze concludeert: ‘Als criminaliteit, huiselijk geweld, schulden, vroegtijdig schoolverlaten en werkloosheid alles met opvoeding en huiselijke omgang te ma-ken hebben, dan is het forceren van de voordeur onvermijdelijk.’

De vraag is volgens Tonkens niet óf de overheid en hulpverleners achter de voordeur moeten komen, maar wat ze daar gaan doen en hoe ver ze daarin gaan. Het debat hierover komt langzaam op gang. WRR-onderzoeker Marguerite van den Berg noemde in het Tijdschrift voor sociale vraagstukken de Rot-terdamse aanpak een brug te ver. De combinatie van zorg en repressie is volgens haar contraproduc-tief: ‘Het aanbieden van zorg werkt het beste in een veilige omgeving, zonder dwang; niet terwijl de poli-tiek zoekt naar strafbare feiten.’
Van den Berg haalt in dat kader de politiek filosoof Michael Walzer aan, die over ‘sferen van rechtvaar-digheid’ spreekt: ‘Handhaving en controle behoren (…) tot een andere sfeer van rechtvaardigheid dan zorg, onderwijs en welzijn. Iedere sfeer van rechtvaardigheid kent eigen waarden, een eigen logica en principes. Het bewaken van de grenzen van die sferen is belangrijk omdat de vermenging ervan tot on-rechtvaardige resultaten leidt.’
Eefke Cornelissen van het Kennisnetwerk Achter de Voordeur is het daar niet mee eens. Voor de betref-fende huishoudens is de vermenging van handhaving en hulpverlening juist logisch, denkt zij: ‘Iemand die precies weet hoe de overheid in elkaar zit en werkt, kan daar vraagtekens bij zetten. Maar als je als sociaal werker bij mensen aanbelt, dan ben jij voor de meeste van hen “de” overheid. Die hoort overal van af te weten, van het onderhoud van de woning tot de veiligheid op straat. Als er iets niet wordt be-grepen, is het wel de strikte scheiding tussen al die functies.’
Ze vindt dat er een veel te negatief beeld wordt geschetst van de Rotterdamse huisbezoeken: ‘Als je daar een dagje meeloopt, zie je dat het grotendeels om zorg en hulpverlening gaat, niet om handhaving. Kijk, natuurlijk moet alles op juridisch vlak goed geregeld zijn. Maar de discussie dient te gaan over of je wel of niet wilt ingrijpen achter de voordeur, en dat is een ideologische vraag.’ Zelf is ze overtuigd van het nut van de aanpak: ‘Gezien de situatie die de teams daar aantreffen, is het nodig.’
Wat ontbreekt in het debat, is wat de mensen er zelf van vinden. Gedegen onderzoek naar de reacties van bewoners op huisbezoeken is nog niet verricht. Laat staan dat bekend is of de vermenging van zorg met repressie tot wantrouwen leidt ten aanzien van het sociaal werk, dat voorheen zijn autonomie ten opzichte van de overheid koesterde.
Cornelissen denkt niettemin dat het overgrote deel van de bezochte mensen enthousiast is: ‘Ze zijn blij dat de overheid eens bij hen thuis langskomt. Tja, dan kun je als criticus volhouden dat die mensen niet weten wat goed voor ze is. Over paternalisme gesproken.’