Commentaar: politiek

Drempelvrees bij referenda

Op de website van de Amsterdamse televisiezender AT5 wordt vrolijk gediscussieerd over de toekomst van het correctief referendum. Na de grote, maar niet valide verklaarde overwinning van de tegenstanders van de deelraad Binnenstad, vorige week, is daar ook alle reden toe. De meerderheid van de respondenten in de AT5-poll neigt er teleurgesteld door de recente ervaringen toe het democratische lapmiddel maar te schrappen. De belangrijkste reden voor deze mensen is de huidige Amsterdamse kiesdrempel die als onredelijk wordt ervaren. Om een raadsbesluit terug te draaien, moeten bij een referendum niet alleen meer mensen tegen stemmen dan voor, maar moet ook minimaal de helft van de opkomst bij de laatste raadsverkiezingen plus één zijn (tegen)stem uitbrengen. Om verschillende redenen werd bij de referenda van de laatste jaren deze drempel niet bereikt. Bij de volksstemming van vorige week bleek vooral het onderwerp dat ter discussie stond voor de meeste mensen maar weinig duidelijk.

Door de kiesdrempel bleek de uitslag voor het gros van de Amsterdammers al helemaal onduidelijk: de meerderheid van de stemmers was tegen de deelraad Binnenstad en tóch zou het raadsbesluit doorgang vinden: onbevredigend en op termijn de dood in de pot voor het referendum, vinden velen. Politicologen als Philip van Praag, referendumpleitbezorger van het eerste uur, roepen na vrijwel iedere verloren race dat het de laatste zal zijn. «Referenda in Amsterdam lopen ten einde», kopte de Volkskrant in 1997 na de keuze tussen vogeltjes of huizen bij het IJburg-referendum. En ook nu weer was het Van Praag die vorige week als eerste in Het Parool sprak van «het einde van het Amsterdamse referendum».

Natuurlijk, een referendum zorgt voor wat leven in de politieke brouwerij. Maar voor hoe lang? Er zijn genoeg redenen te verzinnen om de experimenten met de volksraadpleging stop te zetten en, de AT5-poll indachtig, het referendum inderdaad af te schaffen. Columnist Lex Dura betoogde al eens verontwaardigd dat hij niet voor niets iedere vier jaar een aantal raadsleden kiest. Die mensen zijn in zijn ogen capabel genoeg om zélf belangrijke besluiten te nemen. Bovendien kunnen ze in het totaalpakket van raadsbesluiten, met kennis van de verschenen nota’s en adviezen, waarschijnlijk de beste afweging maken over wat prioriteit zou moeten zijn in het beleid en op welke wijze een politieke totaalvisie het best uitgedragen kan worden. Daarbij komt nog: als raadsleden niet aan de verwachtingen voldoen, kan hun partij bij de eerstvolgende gemeenteraads verkiezing daarop worden afgerekend.

Natuurlijk zijn er zwaarwegender argumenten dan borrel- en columnistenpraat. De opkomstpercentages bij verkiezingen in het algemeen bijvoorbeeld. Die worden namelijk almaar lager. Als daar ook nog ieder jaar (of zoals in 1997 in Amsterdam zelfs twee keer in één jaar) een referendum bijkomt, zal de animo om de gang naar de stembus te maken er niet direct groter op worden. Terwijl het referendum beoogt de afstand tussen politiek en burger te verkleinen, zou het op deze wijze die afstand juist kunnen vergroten.