Drie kinderen, vier schaduwen

Het smelt, de debuutroman van Lize Spit (1988), telt een kleine 480 bladzijden, maar meteen op de eerste pagina komt ze inhoudelijk en stilistisch ter zake. Hoofdpersonage en verteller Eva ontvangt op een dag een enveloppe met het bericht dat de plot in werking zet. Nu is de katalyserende brief in de opening van een roman inmiddels zo familiair als beginnen met een ontwakende protagonist, maar Spit trekt zich daar weinig van aan en zet overdrijving en ironie in om haar twintiger Eva en het verhaal vorm te geven.

‘Het gewicht van de zegels die op hun beurt weer extra port moesten hebben gekost stemde me in eerste instantie hoopvol: er zijn nog steeds dingen die elkaar mogelijk maken.’ Hoopvol is Eva dus niet, ze kijkt naar de wereld als een verloren zaak, wanneer ze door haar huis loopt kan ze niet besluiten ‘wat erger was: een keer een indringer aantreffen of steeds al die lege kamers’. Somber figuur of niet, Eva leeft onder een dwingende tijd, want het openingshoofdstuk is getiteld 9.00 uur. Er lijkt dus vaart te worden gemaakt, wanneer uren zo expliciet worden genoemd, zal er wel niet veel meer dan een dag verstrijken. Aan het einde van de roman blijkt dit te kloppen, alle verhaallijnen zijn dan uitgelopen en alle vragen hebben antwoord gekregen, waarmee de implicaties van die eerste pagina zijn ingelost. De hele roman zal Spit die combinatie van cliffhangers en cabaret volhouden, van ernst en de ondermijning ervan.

Medium lize 20spit 20voor 20das 20mag c2 a9keke 20keukelaar

Het ontregelende bericht dat Eva ontvangt is een uitnodiging voor een inhuldiging van een melkerij in haar geboortedorp in de Vlaamse Kempen. De eigenaar van de melkerij, Pim, is een jeugdvriend van haar. Tijdens de inhuldiging zal ook Pims broer Jan worden herdacht, die op diezelfde dag dertig zou zijn geworden. Eva voelt weerzin, tegen de uitnodiging, tegen het verleden. Dan doet ze iets opzichtig mysterieus, ze rijdt met een enorm blok ijs in de kofferbak naar haar oude dorp. Een lezer van genrefictie weet en wenst dat zijn nieuwsgierigheid naar het waarom hiervoor pas aan het einde zal worden bevredigd.

Eva’s gestokte emotionele ontwikkeling zou ik willen herleiden tot het gezin waaruit ze ontspringt

Het smelt speelt zich af in twee tijden, tijdens het nu en de zomer van 2002. Voor beide periodes heeft Spit de onvoltooid tegenwoordige tijd gereserveerd, een beslissing die nauw is verbonden met de plot, die ik niet al te veel zal verraden. Dat het merendeel van de hoofdstukken en alinea’s toch in de onvoltooid verleden tijd is gesteld, is omdat het verhaal vooral om Eva’s herinneringen draait. Die zijn niet vrolijk. Haar moeder is een alcoholist en haar vader dreigt met zelfmoord. Eva is de middelste van drie, haar broer Jolan is de overlevende helft van een tweeling, Eva’s jongere zus Tesje is vernoemd naar het doodgeboren meisje (‘We waren met drie, maar hadden vier schaduwen’). Boerenzoon Pim en slagerszoon Laurens, die als enigen in het dorp in hetzelfde jaar als Eva zijn geboren, zijn Eva’s beste vrienden (‘de drie musketiers’). Dan, in de zomer van 2002, een jaar na de traumatiserende dood van Pims broer Jan, wanneer ze een jaar of veertien zijn, verandert deze band onherroepelijk vanwege een ontsporend seksueel spel.

Een West-Vlaams dorp, boeren en slagers, zelfmoord en zuipende ouders, verveelde en verlaten kinderen die zich verliezen in grensoverschrijdend gedrag: de setting van de roman is niet de meest opmerkelijke. Spit lijkt in te spelen op het besef bij de lezer van de clichés die ze opvoert door niet in al te onverwacht detail te treden over de wereld van haar roman: ‘We hadden twee cafés. Vaak liepen er mannen uit De Nacht, om zich na even twijfelen, zich optrekkend aan de deurpost, toch naar De Welkom te begeven, waar ze alweer bier schonken in de eerste vroege uurtjes.’ Spit beschrijft vele handelingen en objecten, maar het lijkt alsof ze betekenis, de zoektocht naar het waarom achter al die activiteiten en spullen, opoffert aan snedige punchlines. ‘Bij het fietsen doorkruis ik soms warme, soms koude stromen lucht. Mocht ik me niet tussen huizen maar in een zwembad bevinden, zou ik anderen ervan verdenken net in het water te hebben gepist.’ Nog een willekeurig voorbeeld van een uitsmijter die lekker bekt maar uiteindelijk geen waardevol inzicht oplevert: ‘Klokken mogen niet zomaar stilvallen. Het zijn de aanvoerders van mensenharten.’

Hoewel er meer dan een decennium tussen de verhaallijnen zit en jonge Eva en oudere Eva elk verteller zijn van hun eigen tijdlijn, is er schrikbarend weinig verschil tussen hun stemmen. Dit kan op literair onvermogen duiden, maar ik ben bereid om dit als een bewuste keuze op te vatten, omdat het dan zou aansluiten op iets wat me opviel en aangreep in de roman. Eva’s gestokte emotionele ontwikkeling zou ik niet willen herleiden tot de meest schreeuwerig traumatische gebeurtenis in het boek, maar tot het gezin waaruit ze ontspringt. In scènes die samen een boeiende novelle zouden kunnen beslaan, komt de destructieve kracht van het onttakelde huwelijk van haar ouders overtuigend tot uiting. Dat Spit subtiel kan zijn, bewijst ze in de beschrijving van Jolan, die, nadat hij met Eva de psychisch gestoorde Tesje naar het ziekenhuis heeft gebracht, gebiologeerd een bundel watten opent met iets onbestemds vlezigs erin, uit ‘een vuilbak op spoed gevist’. Eva en haar broer en zus zijn slachtoffers van tragisch wrede ouders die het na de laatste bladzijde definitief van hun kinderen hebben gewonnen.