Drie sterren, zes nullen

Televisie gaat over televisie – dat is bekend.
Maar de televisie gaat ook over onze cultuur.
Het is domweg het invloedrijkste medium.
Onlangs zag ik columnist X op bezoek bij het veelbekeken programma van presentator Z. X had net een boekje uit. X was trouwens ook televisiepresentator. Presentator Z vond het boekje geweldig zonder te zeggen waarom. X zei daarop dat hij zijn carrière aan Z had te danken, want in een vorig leven was Z hoofdredacteur geweest. Vervolgens vroeg Z aan de anderen in de zaal wat ze van X zijn optreden voor tv vonden. Iedereen vond X geweldig. Er werd geapplaudisseerd, X hield nog even zijn boekje in beeld – en iedereen feliciteerde elkaar, en iedereen was blij.
Nogmaals: er was met geen woord over de inhoud gesproken. Sterker: het gesprek ging alleen over de uiterlijkheden van X: hoe hij praatte, hoe brutaal hij was in televisieprogramma’s, et cetera et cetera.
Dat hij zwatelt en zwamt werd zelfs hooglijk gewaardeerd, want was altijd ‘amusant om naar te kijken’.
Natuurlijk is het corrupt. In een klein land kan dat niet anders.
Maar het vreemde is dat deze corruptie gewaardeerd wordt. Niet alleen door de kijkers met een hoog cijfer, maar ook door de critici, de recensenten.
De culturele corruptie neemt daardoor onder meer toe.
Er zijn nog wat oorzaken voor.
Invloedrijke andere media (kranten, radio) nemen af aan invloed. Ze zijn minder rendabel dan vroeger, er is geen behoefte meer aan, ze zijn minder in getal. Bij een afnemende invloed moet je je aanpassen aan datgene met de meeste invloed en daarin moet je je dan ook nog onderscheiden.
Ik probeer steeds namen te vermijden, maar laat ik daar even mee stoppen.
Op het moment dat ik dit schrijf, lees ik dat er van het boek van Kluun meer dan een miljoen exemplaren zijn verkocht. De film die over dat boek wordt gemaakt, wordt, als het zo doorgaat, de best bekeken Nederlandse film aller tijden. De recensenten vonden het, op een uitzondering na, een slecht boek en een tamelijk slechte film, maar zij hebben, kunnen we nu zien, totaal geen invloed. Van invloed was dat de hoofdrolspelers en de schrijver bij alle invloedrijke televisieprogramma’s van Nederland waren. Bij DWDD, bij P&W, bij Paul de Leeuw, noem maar op. Bij sommige programma’s – ik meen bij DWDD – werd er zelfs twee keer aandacht aan besteed omdat men meende met een belangrijk maatschappelijk verschijnsel van doen te hebben (‘vreemdgaan als je vrouw kanker heeft’).
Je kunt dan ook stellen dat de literatuur die Kluun maakt en de film die Oerlemans in elkaar heeft gedraaid de top zijn van onze cultuur.
Recensenten vinden het dan ook ‘tamelijk’ goed. Twee tot vier sterren, gemiddeld drie. Dat is ‘tamelijk’ (en is een prachtig voorbeeld van adaptatie).
Het vervelende is nu dat verzet hiertegen totaal zinloos is.
Baart me dit zorgen?
Ach, ik weet dat er honderden collega’s zijn die in nog veel diepere ellende zitten. Ik mag eigenlijk niet klagen. Ik heb een eigen radioshow, ik kom op televisie, ik krijg mijn boeken nog uitgegeven, ik schrijf in de krant.
Ik ben net zo corrupt als de anderen.
En ik moet wel. Want om mee te kunnen doen in televisieland moet ik mensen uitnodigen die u kent van televisie.
Anders kijkt u niet.
En die mensen moeten u amuseren, anders wilt u me niet.
Dus kies ik Kluun, mijn vriend X en graag ook Z (al komt die denk ik niet).
Wanneer ze komen, is mijn kijkcijfer gegarandeerd. Dus ook mijn toekomst.
Ik doe daarom maar net of ik aan cultuur doe.
Wie drie sterren maakt, krijgt zes nullen – zo moet je het zien.