Het nieuwe Rijks Museum van niemand

Drie ton voor een Schoonhoven: te duur

Het leek soms een soap, de verbouwing van het Rijksmuseum. Wat mis kon gaan, ging mis. Maar tien jaar renoveren moet een louterende ervaring zijn geweest. Het Rijks is het sterkste merk van Nederland. Op de kunstmarkt krijgt het echter geen voorrang.

Tien jaar was het Rijksmuseum dicht, totdat onze aftredende vorstin dit weekend een heel grote gouden sleutel omdraaide en oranje-blanje-blue vuurwerk uit het dak van het gebouw knalde. Er was champagne, er waren letterlijk toeters en bellen, er waren bekende Nederlanders die kunstjes deden. Er gingen 75 mensen per minuut het gebouw in, en 75 per minuut eruit, en aan het einde van de zaterdag stond het bezoekersaantal op twintigduizend, zondag kwamen daar nog eens dertien-en-een-half-duizend bij, waarmee het eerste open weekend wordt afgesloten met meer dan 33.500 bezoekers, een aantal waar de gemiddelde voetbalclub jaloers op zou zijn.

Het was een feestje, en waarom niet? De lyrische recensies waren al binnen, het ontwerp van architecten Cruz y Ortiz was door de wereldpers ontvangen als nieuw en fris en vol internationale allure, terwijl alle typische traditionele elementen van Pierre Cuypers weer als vanouds naar voren kwamen; Simon Schama schreef over ‘het weerzien met zijn oude vrienden’, die er in de Eregalerij mooier bij hingen dan ooit. Het enige wat vooralsnog ontbreekt is een 9-min van Johannes van Dam voor het museumrestaurant, maar dat zit wel snor, De Dikke van Dam is mild geworden deze dagen.

Wanneer je zelf door het museum loopt, kun je daar alleen maar dingen aan toevoegen. De Eregalerij behoort inderdaad tot de mooiste ruimtes van Nederland, de warme, gloedvolle doeken van Rembrandt komen geweldig tot leven op de donkergrijze muren, het celestiale licht van Vermeer lijkt alleen maar helderder. Het speciaal ontworpen glas in de verschillende vitrines is zo doorzichtig dat je van een afstandje twijfelt of er überhaupt wel glas in zit (Glassex zal de komende jaren al zijn commercials in het Rijks willen opnemen). De schilderijen uit de Middeleeuwen zijn zo goed gerestaureerd, zo fris, zo helder, dat het lijkt alsof ze gisteren zijn gemaakt.

Je bent bijna blij als je iets kritisch kunt opmerken. Bijvoorbeeld dat de wc’s niet even handig zijn; dat je in het trappenhuis gevaarlijk snel naast de leuningen grijpt die zijn ingebouwd in de muur; dat het aanbod in de museum­winkel nauwelijks de ansichtkaart en de bedrukte koffiemok overstijgt – een gemiste kans om het geheime wapen van het Van Gogh Museum te evenaren, namelijk de geweldige omzet van de merchandising. Klein spul.

Het beste compliment kwam ondertussen van de architect zelf, Antonio Ortiz, in het slotdeel van de Het uur van de wolf-documentaire Het nieuwe Rijksmuseum, waarin hij door het atrium loopt en opmerkt dat het gebouw volledig vanzelfsprekend overkomt, alsof het er altijd zo uit heeft horen te zien. Hij staat in het atrium als hij het zegt, hoog en licht, en kijkt omhoog naar de ‘haaienkooi’ die in de lucht hangt, de geweldige constructie die de akoestiek van de aankomsthal reguleert, waardoor het niet galmt. Hij kijkt niet naar de entree aan de fietsers­passage, het heetste hangijzer van de verbouwing.

Entrees zijn moeilijk. Directeur Wim Pijbes noemde de afgelopen jaren vaker de entree van het Louvre, de omgekeerde glazen piramide van I.M. Pei, als de best denkbare ingang van een museum – gewaagd, herkenbaar. De fietsersbond die de passage niet los wilde laten zat hem dwars, waardoor het Rijks het nu moet doen met vier draaideuren. Maar van binnen is de entree van het Louvre op drukke dagen een chaos (en wanneer is het niet druk?), met veel rijen voor veel verschillende kassa’s waarbij het nooit echt snel duidelijk is waar je moet aansluiten. De trap naar het Metropolitan Museum in New York is klassiek en iconisch, maar zodra je binnen bent moet je in een lullig opgekropt rijtje tussen twee glazen deuren aansluiten voor tassencontrole. De entree van het Prado in Madrid valt in het niet bij de rest van het classicistische gebouw; de National Gallery in Londen loop je zo vanaf Trafalgar Square binnen, maar daar hoef je geen tickets te kopen.

Nu kom je het Rijks binnen via een van de vier draaideuren, oriënteer je je op de aankomsthal terwijl je de trap af loopt, geniet je (hopelijk) van het gebouw en het gevoel dat je een andere wereld betreedt en word je daarna pas geconfronteerd met de rij voor de tickets. Een geluk bij een ongeluk, laten we het daarop houden.

Afgelopen zondag was het laatste deel van Het nieuwe Rijksmuseum te zien, de documentaireserie van Oeke Hoogendijk, die met gemak thuishoort bij de beste non-fictie die de laatste jaren op tv was. Zelden werd het museum zo mooi gefilmd, in prachtige kraanshots, en zelden kwamen alle mensen die de revue passeerden zo in al hun eigenzinnigheden tot leven. Ondanks alle bizarre tegenslagen zie je de liefde die conservatoren blijven houden voor hun afdeling, zie je ze als kleine kinderen op sinterklaasavond toekijken hoe nieuwe kunstwerken worden uitgepakt. Kijk nou toch, moet je zien, blijft conservator Oost-Aziatische kunst Menno Fitski tegen zichzelf zeggen als zijn Japanse tempelwachters worden uitgepakt, alsof hij het zelf niet kan geloven.

Natuurlijk overheerst in de serie het drama van de verbouwing, waarbij alles misgaat wat mis kan gaan, bouwtechnisch, financieel, politiek. In de vier delen zie je directeuren, conservatoren en politici, voor elkaar plaats­maken, afdruipen eigenlijk. We zien hoe directeur Ronald de Leeuw zijn baan opzegt, tot schrik van zijn medewerkers (de term ‘in de steek laten’ valt), en dat aan zijn architect vertelt. Zoals je misschien weet, zegt De Leeuw opgewekt tegen een vermoeide Ortiz, heb ik net een appartement in Wenen gekocht. Nee, zegt Ortiz met de droge humor van een man die al te langdurig getergd is: ‘I did not know you had properties all over the world.’

We zien tot tweemaal toe live gebeuren hoe de Rijks-medewerkers angstvallig staan te wachten hoe de concurrerende inschrijvingen van grote bouwaanbestedingen op de deadlinedag moeten binnenkomen, en er vervolgens maar één inschrijving komt. Niks geen concurrentie; de rekeningen zijn zwaar over budget. We zien hoe directeur collecties Taco Dibbits verlekkerd naar een werk van Jan Schoonhoven kijkt, uit 1961. Een goed jaar, lacht Pijbes: ‘Ik kom ook uit ’61!’ Dibbits zegt dat het stuk een centre piece in de opstelling van de twintigste eeuw zou kunnen zijn, ‘de moeder der Schoonhovens’, maar daarvoor zou je richting de drie ton moeten gaan, een recordprijs. ‘Nou, kopen!’ roept Pijbes. En vervolgens zien we een gesoigneerde heer namens het Rijks plaatsnemen in de bankjes bij veilinghuis Sotheby’s, waar de Schoonhoven te koop wordt aangeboden. Hij belt met Dibbits, die zelf uit het veilingwezen komt en onderuit gezakt in een stoel naar de gang van zaken vraagt.

Is het een volle zaal? vraagt Dibbits. ‘Het is een… lekkere zaal’, zegt zijn stroman. Veel telefoons? ‘Er zijn wel wat telefoons.’ Mannetjes. En vervolgens horen we door de telefoon van Dibbits de bedragen oplopen, tachtigduizend, vijfentachtig, negentig. De bedragen gaan verder, naar de tweehonderdduizend. ‘Ik wacht’, zegt Dibbits nog resoluut, maar in een halve minuut schiet de prijs omhoog naar die drie ton. Dibbits laat bieden om binnen twee seconden over­boden te worden. ‘Kunt u bieden?’ vraagt de stroman. Een recordprijs, inderdaad, maar niet die van Dibbits. ‘Ik kan niet bieden’, zegt Dibbits, die strak voor zich uit blijft kijken, niets meer zegt, en aanhoort hoe het werk uiteindelijk voor 450.000 euro wordt verkocht.

Het pleit voor Dibbits dat hij niet meer biedt; hij geeft het geld van iedereen uit, zei hij al eerder. Hij bedoelt: geld van de belastingbetaler. Het is een van de vele oefeningen in nederigheid: je bent het machtige Rijksmuseum, maar dat betekent nog niet dat je iets in te brengen hebt in de internationale kunsthandel, waar de één procent vermogens de dienst uitmaken. Je bent het machtige Rijks, maar dat betekent nog niet dat je iets te zeggen hebt over de deelraad Zuid, of over de actievoerders van de fietsersbond, of over de duiven op je zolder die het binnenhof onderkakken. De kern van het probleem werd wellicht het meest treffend verwoord door Pijbes zelf: het probleem was dat het van niemand was. Het was niet van het museum, niet van het ministerie van oc, niet van de gemeente. Niemand kon er bezit van nemen en dus had niemand het mandaat om het probleem op te lossen.

Dat verklaart misschien ook waarom de soap van het Rijks zo verlekkerd door de media werd gevolgd: het is zo Nederlands, of zoals we Nederland willen zien. De tien jaar verbouwing moet een louterende ervaring zijn geweest. In de documentaire horen we iemand uitleggen dat het Rijks het sterkste merk van Nederland is, sterker dan Philips of Shell, dat mensen speciaal voor het Rijks naar Nederland komen – en tegelijk zie je hoe niemand dat triple A-merk voorrang wil geven, of, met een ander woord, mandaat. Kop maaiveld. Naar goed Hollands gebruik worden de problemen helemaal vast­gepolderd, komt er zoveel water bij de wijn dat het glas overloopt. In de documentaire zegt Ortiz dat de inspraakrondes die het museum dwarszitten niets met democratie te maken hebben. ‘Ik heb een meer verheven idee van wat democratie is’, zegt hij. Wat hij bedoelt is dat democratie ook betekent dat je verantwoordelijkheid moet nemen en niet alleen je eigen belangen behartigt.

Eind goed, al goed, kunnen alle hoofdrolspelers nu zeggen. Maar als de collectie van het Rijks, zoals directeur Pijbes graag zegt, ‘het verhaal van Nederland vertelt’ door de eeuwen heen, dan vertelt de verbouwing het verhaal van tien jaar politiek in Nederland.


Het uur van de wolf: Het nieuwe Rijksmuseum van Oeke Hoogendijk is terug te zien via uitzendinggemist.nl