Drie vrienden en de dood

In het kinderboek is de dood als onderwerp zo langzamerhand net zo gewoon als gepest worden, gescheiden ouders of de Tweede Wereldoorlog. Meestal is het zo dat een kind het overlijden van een dierbaar familielid krijgt te verwerken met de daarbij behorende gevoelens van verlating, verdriet en onmacht. De kippige, de dikke en ik van de Japanse schrijfster Kazumi Yumoto onderscheidt zich in dit verband omdat het ondanks de fascinatie voor het verschijnsel dood in de eerste plaats over het leven gaat.

Drie gezworen vrienden van een jaar of elf raken geobsedeerd door de dood na de crematie van de nauwelijks gekende grootmoeder van een van hen. Gedreven door nieuwsgierigheid, angst en sensatielust - hoe ziet een ‘dooie’ eruit? - besluiten ze te gaan posten bij het verwaarloosde huisje van een eenzame oude man, van wie ze aannemen dat hij wel met één been in het graf zal staan. Na een mooie periode van Sherlock-Holmesachtige activiteit raakt het drietal langzamerhand betrokken bij het leven van de 'ouwe man’, zoals hij consequent genoemd wordt. Ze ruimen op en maken schoon, knutselen wat aan het krakkemikkige huisje en zaaien de tuin in. Met hun tomeloze energie halen ze de ouwe man terug in de wereld, terwijl deze op zijn beurt de jongens laat delen in zijn levenservaring en verhalen over vroeger.
Op het moment dat de dood totaal op de achtergrond is geraakt, verschijnt hij alsnog en wordt onmiddellijk herkend: 'Het was de eerste keer dat ik een dode zag, maar ik was helemaal niet bang. Ik dacht geen moment aan spoken en monsters en alle enge dingen die we zo spannend vonden. Het lichaam van de ouwe man lag er vreedzaam en vriendelijk bij, als wat oude kleren die heel lang gedragen waren.’
De overledene verdwijnt tijdens de crematie 'als een vrolijke pluim in de wind’, zijn botten worden met grote eetstokjes in een urn gedaan en het beeld van wie hij was, dragen de vrienden met zich mee, duidelijk een stap op weg naar volwassenheid.
Niet eerder las ik een kinderboek waarin de vergankelijkheid van het leven zo vanzelfsprekend en nuchter wordt neergezet. De dood is alom tegenwoordig. In kinderlijke angstdromen neemt hij de vorm aan van spoken. Hij is gruwelijk in oorlogsherinneringen, adembenemend bij het bijna verdrinken van de Dikke, lekker eng in een griezelverhaal, zichtbaar achter het eenzame zwaaien van een demente vrouw en in de ogen van een oude hond. Het knappe is dat de auteur een hoge mate van onnadrukkelijkheid weet te behouden, omdat alles is ingebed in het gedoe en geklets van drie vriendjes met creatieve jongensbreinen. Een vakantie lang scharrelen ze met elkaar en kleuren ze de meeste van hun waarnemingen nog mooi en onbedoeld grappig in met de bij hun leeftijd horende restanten magisch denken. Tijdens het schoolkamp ’s(nachts gedrieën achter de pisbak wordt er bijvoorbeeld opgemerkt: 'We waren tegelijk klaar. Dat bewijst dat we echt goede vrienden waren.’ En omdat de auteur de meest filosofisch en poëtisch ingestelde van haar drietal heeft uitverkoren als verteller, zit het verhaal ook nog vol onverwachte en ontroerend verwoorde observaties.