Driedubbelgelaagd bloedeloos

Peter Schmink, Het slinkende papier: Verhalen. Uitgeverij L. J. Veen, 141 blz., f29,90
ER BESTAAT, grof gezegd, literatuur van het brein en literatuur van de zintuigen. Er zijn boeken die zich in de eerste plaats richten op het intellect en het analyserend vermogen van de lezer, en er zijn er die een directe en meer lichamelijke dan intellectuele communicatie nastreven. Op dit moment is er in de Nederlandse literatuur een tendens, vooral onder de jongste lichting auteurs, naar een realistische manier van schrijven, met een voorkeur voor een hedendaags, herkenbaar decor waarin de versnelde cultuur van dit moment, met alle uitwassen en technologische verworvenheden, een centrale plaats inneemt. Die verschuiving komt onder meer voort uit de wens afstand te nemen van het doorgedraaide, in zichzelf gekeerde en in zijn eigen ideetjes verstrikt geraakte postmodernisme dat de laatste jaren zo'n belangrijke positie heeft ingenomen in de Nederlandse literatuur.

Hoe sterk en oprecht de hang naar een nieuw realisme ook mag zijn, altijd zullen er schrijvers zijn die hun werk juist niet willen plaatsen in de tijd waarin het ontstaat, die verhalen willen vertellen die ‘tijdloos’ moeten zijn, die zich in de eerste plaats bezighouden met thema’s als de dunne grenzen tussen fictie en realiteit of de verhouding tussen lezer en schrijver. En zulke boeken moeten er ook blijven.
Maar net zoals literatuur die nadrukkelijk 'literatuur van de straat’ wil zijn, steevast mislukt door een gebrek aan diepgang en blijvende zeggingskracht, zo sterft nadrukkelijke 'literatuur van de bovenkamer’ onherroepelijk aan bloedarmoede, autisme en ijdelheid. Boeken waarvoor het analyse- en denkvermogen van de lezer in topvorm moeten zijn om de scherpzinnige kunstjes van de schrijver te kunnen volgen, dienen alleen zichzelf. Dat zijn boeken die vergeten dat ze ook nog gelezen moeten worden.
ROMANS EN verhalenbundels met 'sneeuw’, 'woord’, 'taal’, 'schrijver’ of 'papier’ in de titel maken een grote kans op de categorie '100 procent breinrumoer’. Het eerste boek van Peter Schmink (1954), de verhalenbundel Het slinkende papier, is zo'n boek. Het heeft, inderdaad, 'papier’ in de titel.
En daar voegt het achterplat het volgende aan toe: 'De verhalen in “Het slinkende papier” activeren de speurzin. Ze gaan uit van literaire cliches, waarbij genres en stijlen eigenzinnig tegenover elkaar komen te staan. De lezer krijgt achtereenvolgens een gangsterkomplot, een film noir en een strip voorgeschoteld. Hij raakt verstrikt in een Egyptische vegetatiemythe en wordt overrompeld door jazz en soul.’ Dat zegt natuurlijk helemaal niets, maar het wijst er wel op dat dit boek over Het Schrijven en De Literatuur gaat.
En dat gaat het ook. Dat gaat het zo erg dat ik me ben gaan afvragen waarom dat me ook alweer zo boeide, schrijven en literatuur. Het slinkende papier is namelijk een ontoegankelijk en vaak onbegrijpelijk boek, vol ontoegankelijke en vaak onbegrijpelijke verhalen.
Dat begint al in het openingsverhaal. De belofte van de flaptekst - ik, de lezer, zal verstrikt raken in een Egyptische vegetatiemythe - wordt nagekomen. Hopeloos verstrikt raak ik. Helaas niet in die mythe maar vooral in de manier waarop die tot verhaal is gemaakt. Het heet 'Het laatste woord’, wat voor een openingsverhaal natuurlijk een heel diepzinnige titel is, en begint zo: ’ “De twee jonge gangsters duwden hem met zo veel kracht het kantoor binnen dat hij struikelde en met zijn handen tegen het bureau tot stilstand kwam.” Een acceptabel begin, vond Riossi. Zo er een verhaal van kwam, dan klonk de eerste zin lang niet gek.’
De eerste zin van dit eerste verhaal is de eerste zin die een schrijver in het verhaal gebruikt voor zijn verhaal. Vervolgens ontspint zich een soort gangster- (kom)plotje en neemt meneer Riossi fysiek deel aan de wereld die net nog zo fictief leek. Hij betreedt zijn eigen imaginaire universum, moet dan 'echt’ tussen kogels door sprinten en slippend door bochten scheuren, raakt 'echt’ gewond, om door een mooie vrouw verzorgd te worden. Die vrouw is gekidnapt, en uit de manier waarop Riossi naar haar kijkt en over haar denkt, is op te maken dat hij haar al veel langer kent, namelijk als haar schepper. Virgina is een van de personages uit een detectiveserie die hij al langere tijd schrijft. Met die wisselwerking tussen schepper en schepsel, vertellen en beleven, wordt dan verder gespeeld. Heel leuk allemaal.
Wanneer ze samen vluchten, werpt de held nog een laatste blik achterom: 'Wat zich in het kantoor afspeelde schreeuwde erom beschreven te worden en Riossi wist dat een situatie als deze normaal gesproken moeiteloos uit zijn machine rolde, maar de vermoeidheid die hem nu overviel verlamde hem volkomen.’ Ze vluchten vrolijk verder, zelfs als de kogels hen om het hoofd gieren: 'Riossi besefte dat hij thuis achter de schrijfmachine de scherpte van de patronen over het hoofd was gaan zien. (…) Dit was erger dan hij zijn personages ooit had laten overkomen.’
HET GAAT NOG een stapje verder als de echte schepper, de auteur Peter Schmink, een volgende verhaallijn introduceert, die Egyptische vegetatiemythe. Virgina en Riossi zitten samen op de bank. Hij denkt weer iets heel intelligents, zeker voor een detectiveschrijver: 'Ooit was deze eeuwige strijd voor het eerst opgetekend en werd de wereld verrijkt met een verhaal dat rechtstreeks uit de aarde opborrelde. Een figuur met een vogelhoofd, die zijn tekens in de dodenkamer van de farao graveerde. Later werden ze op een strook papyrus gepenseeld en vervolgens ontfermde een Griekse orakelpriester zich over de nog steeds originele stof. Daarna dijde het verhaal uit of kromp het onder de druk der omstandigheden ineen.’
Aan de twee werkelijkheden van Riossi wordt er nog eentje toegevoegd - Schmink maakt het zijn lezers niet gemakkelijk. Hij citeert zelfs cursief een paar zinnen uit die mythe, die het verhaal geen greintje helderder maken. Integendeel. Voor Riossi’s ogen verandert Virgina in een levensgrote schoppenvrouw, haar beeltenis klapt naar twee kanten open en in het midden van haar bewegende schoot zetelt plots een kind. 'Maar de duistere belaagde de goede heerser. Hij hakte hem in veertien stukken en verstrooide ze over heel Egypte.’ Riossi wordt op de grond getrokken en stort in het niets. Het wordt hem voorgoed zwart voor de ogen.
En daar zit je dan, als lezer. Met encyclopedieen om je heen, de Verzamelde Egyptische Vegetatiemythen, en Literaire Symboliek van A tot Z. Je bent verstrikt, in het eerste verhaal al. Dat acht bladzijden lang is. Na enig zoekwerk kom je er wel uit, daar gaat het niet om, maar zodra je de puzzel hebt opgelost, ga je je toch dringend afvragen wat je hier nu mee moet. Wat heeft de schrijver hiermee willen vertellen, behalve dat er leuke spelletjes zijn te spelen met personages en de wereld waarin ze vastzitten maar dan toch weer niet vastzitten? Waarom heeft hij dit in godsnaam geschreven? Als literatuur lezers kan laten nadenken, is dat uitstekend, maar ze aan het opzoeken zetten vind ik toch iets heel anders.
DE TOON is dan gezet. Peter Schmink blijkt inderdaad graag verhalen te schrijven waarin verschillende werelden elkaar overlappen of in elkaar worden geschoven. Fictieve personages belanden in de werkelijkheid en 'echte’ personen stappen het rijk van de verbeelding binnen. Hij doet dat op zo'n manier dat je na korte tijd zeker weet dat elk beeld een symbolische betekenis moet hebben, en hij gebruikt zoveel (onduidelijke) beelden dat je je weer even later begint af te vragen of het nu heel erg stom is dat je niet al die oude mythen uit je hoofd kent en direct weet te gebruiken om de puzzeltjes op te lossen.
Schmink verstrikt zichzelf steeds weer in zijn eigen bedoelingen en ondoorzichtige, complexe composities. Hij kan heus wel schrijven, hij bouwt zinnen die deugen, zonder rare fouten of domheden. Ook zit hij niet zomaar wat in het wilde weg te vertellen. Hij weet wat hij doet en wat hij wil. Maar hij wil zo veel! Peter Schmink neemt geen genoegen met een verhaal dat niet minstens driedubbelgelaagd is, waar niet een paar keer een antieke legende om de hoek komt kijken, waar niet de fictie als fictie wordt ontmaskerd of betwijfeld. Het uiteindelijke resultaat is ondoordringbare literatuur. Doordacht maar bloedeloos. Alleen ideetjes en slimmigheidjes maken geen goed boek. Daar zijn ook een krachtige stijl en een meeslepende manier van vertellen voor nodig.