Désanne van Brederode, Barsten: Zomerdagboek

Driemaal kraait de haan

Désanne van Brederode

Barsten: Zomerdagboek

L.J. Veen, 237 blz., e 16,50

Het «zomerdagboek» dat schrijfster Désanne van Brederode in opdracht van uitgeverij Veen bijhield, beslaat de periode september-november 2004. Een korte periode dus, weinig met zomers gefladder te maken bovendien, maar toch heb je het gevoel een heel leven te leren kennen. Het is een intens geschreven dagboek, waarin zowel plaats is voor dagelijkse beslommeringen en wereldse problematiek als intieme zielenroerselen. Een roerige periode, voor de schrijfster persoonlijk om dat haar derde roman hierin verschijnt, voor Nederland in het algemeen omdat Theo van Gogh wordt vermoord. Ergens halverwege schrijft Van Brederode dat ze niet valt op vleiers, leugenaars, draaikonten, dwepers. (Nota bene naar aanleiding van een negatieve kritiek op haar roman, maar daarover straks.) En dat ze ook niet houdt van mensen die «als ze je persoonlijk leren kennen, in eens een andere, gunstiger mening over je werk hebben». Toch is juist in het geval van een dagboek dat publiek wordt gemaakt de persoon van de schrijfster in het geding. Je hoeft haar niet eens persoonlijk te kennen of haar wel eens een lezing te hebben horen houden (al weet ik uit ervaring dat dat een belevenis is die je niet licht vergeet en die voortaan of je nu wilt of niet alle kennisneming van haar werk zal kleuren), om het gevoel te krijgen dat je dicht bij haar komt. Zo dichtbij dat je als lezer weinig anders kunt dan haar wel of niet in je hart te sluiten. Haar dagboek laat je niet onberoerd, laat ik het zo zeggen.

Drie thema’s bepalen de grondtoon van Barsten: het geloof, het werk en het gezinsgeluk. Van Brederode is belijdend katholiek, en is al sinds haar kinderjaren niet meer opgehouden na te denken over zaken als lijden, naastenliefde en God. De laatste is voor haar een constante aanwezigheid, die door de jaren heen op z’n hoogst verschillende krachten krijgt toebedeeld. «Meende ik ooit een wit voetje bij God te kunnen halen door me in te laten met paria’s – die tijd is voorbij. Als Hij al bestaat deelt Hij, gok ik, vooral strafpunten uit. (…) Iedere keer dat Hij mij hoort kwezelen ‹Ja, maar het gaat om het innerlijk, als je je best doet kun je van iedereen houden…› laat Hij wel weer ergens een haan kraaien.»

Dit citaat is kenmerkend voor de zowel vanzelfsprekende en ernstige als luchtige en geestige wijze waarop zij «het geloof» deel laat uitmaken van haar leven. Het maakt haar ontvankelijk voor het geloof van haar buren en haar mede-moeders op het schoolplein, die, zoals te verwachten valt in Amsterdam Oud-West, de islam zijn toegedaan. Net op de momenten dat je, bij het zoveelste blijk van sympathie over en weer, koekjes, cadeautjes en lachpartijen, denkt dat het nu wel erg klef en correct is, zoveel vriendinschap tussen «Dèsannéé» en Aicha, laat Van Brederode echter zelf ook wel ergens een haantje kraaien door zichzelf spottend te betitelen als «moslimvriendin door dik en dun».

Ditzelfde geldt voor de manier waarop zij over haar werk schrijft. In oktober 2004 kwam haar roman Het opstaan uit, die door de kritiek «gemengd» – zoals dat dan eufemistisch heet – werd onthaald. Kan in het gemiddelde schrijversdagboek de verongelijktheid nogal eens van de bladzijden worden af geschraapt, en in één moeite door het zelfmedelijden en de wraakzucht, Van Brederode tapt uit een geheel ander vaatje. Als ze haar eerste – negatieve – recensie binnen heeft, denkt ze na over de recensent in kwestie. En over het feit dat ze er niet (lang) kwaad over is. Want: ze vindt de persoon in kwestie wel een aardige vrouw: «Leuk om te zien ook. Lekkere stem.» Dit kan niet waar zijn, denk ik dan, wederom uit eigen ervaring. Haten moet ze, uit het diepst van haar hart. En dat gaat nooit echt over! Maar wat schrijft Van Brederode een paar regels verderop? «Ik kan jaloers zijn op schrijvers die wél dagenlang woedend kunnen zijn, zonder de be hoefte te voelen af en toe de draak met hun aanstellerige emoties te steken. Ik denk al gauw: ach, die Aleid (het ging om een bespreking in de Volkskrant van de hand van Aleid Truijens – mp) heeft ook een gezin, en ze lijkt me zo iemand die met hart en ziel moeder wil zijn, en…» Een valsig kukeleku hoor ik in de verte, en tegelijkertijd: zo is het natuurlijk ook. Bewaar je energie vooral voor wat beters.

Dat betere is voor Van Brederode behalve haar geloof en haar schrijven, haar gezin. De mooiste bladzijden in het dagboek zijn gewijd aan tramtochtjes met haar zoontje, wandelen door de buurt, kaarsjes aansteken in huis, boenen en schrobben. Zoveel ostentatief beschreven geluk van jongensnekje en glimfornuis, maar ook hier het tegengeluid: «Bedrieg ik mezelf niet als ik zeg dat het smeren van een boterham voor mijn zoontje het grootst denkbare geluk is?»

Het hele dagboek door maakt Van Brederode gewag van haar recente obsessie met het werk van Graham Greene: «Voor Greene is schrijven geen vorm van repareren of genezen, het is de gebarsten mens tonen.» Precies die mens toont zij met dit dagboek. Geloofwaardig, eerlijk, ontwapenend, nieuwsgierig makend. Naar aanleiding van een ansichtkaart die ze jarenlang op haar bureau had, een afbeelding van het prerafaëlitische The Last Rose of Summer, schrijft ze: «Ik geloof dat ik eigenlijk altijd in de afwachtende stemming van het meisje in de roze jurk, van het roosruikende, Britse bijna-bruidje leef.» Dat geloof ík dan weer. In het naschrift neemt ze de lezing op die ze in het voorjaar hield in De Balie over de bronnen van haar eigen schrijverschap. Een mooie verdediging van de volheid van Het opstaan: «Ik wilde minimal music schrijven, liefst nog atonaal ook.» De roman ligt opnieuw op mijn bureau, klaar voor herlezing.