Drievoudig ‘entartet’

De componist Stefan Wolpe (1902-1972) was idealist in hart en nieren. Zijn opera Zeus und Elida (1928), waarin Wolpe meende kunst en politiek te kunnen verenigen, beleeft in het Holland Festival zijn wereldpremière
De Ebony Band, Capella Amsterdam en diverse solisten o.l.v. Werner Herbers voeren Zeus und Elida en Schöne Geschichten uit op 28 en 29 juni in de Westergasfabriek te Amsterdam, in het kader van het Holland Festival.
DAT STEFAN Wolpe een temperamentvol man was staat buiten kijf. Op het conservatorium schrijft hij uit frustratie over de conservatieve lessen een dermate provocerend muziekje - waarin hij een straatliedje combineert met een bachiaanse fuga - dat zijn leraar hem met een klap in het gezicht van school stuurt. Met evenveel koppigheid ontvlucht hij op achttienjarige leeftijd het letterlijk hardhandige regime van zijn vader.

Tijdgenoten roepen de ‘cyclopische kracht’ in herinnering waarmee Wolpe achter het klavier tekeergaat. En eind jaren twintig zet hij de tekst Arbeit und Kapital op muziek, waarin niet alleen het internationale kapitalisme wordt veroordeeld, maar ook een rechtstreekse aanval gedaan op Henry Deterding, de eerste directeur van Koninklijke Shell Nederland.
Het hoeft dan ook niet te verbazen dat Wolpe zich, samen met Hanns Eisler, ontwikkelt tot de belangrijkste componist van zogenaamde agitprop in Berlijn. Maar anders dan Eisler wordt Wolpe heen en weer geslingerd tussen zijn muzikale ambities en zijn politieke engagement. De componist en de revolutionair in hem strijden om de eerste plaats. Van grote invloed op zijn muzikale ontwikkeling is zijn ontmoeting, in 1921, met Ferruccio Busoni. Teleurgesteld over de manier van componeren die hem op het conservatorium werd voorgehouden, treft Wolpe in Busoni een man die niet alleen zijn muzikale horizon verbreedt maar ook allerlei vraagstukken van esthetische aard aansnijdt. In deze tijd schrijft Wolpe zijn Vijf liederen opus 1 op tekst van Friedrich Hölderlin, die een belangrijke stap in zijn ontwikkeling betekenen.
Stefan Wolpe ondergaat in deze jaren heel diverse invloeden. Zijn affiniteit met de extatische muziek van Alexander Skrjabin en de ritmische ostinato-patronen van Béla Bartók zijn herkenbaar. Uit zichzelf neigt hij naar een soort vrije atonaliteit. Hij wordt in deze voorkeur bevestigd als hij in december 1925 de partituur van Alban Bergs Wozzeck in handen krijgt. De weken voorafgaand aan de première van de opera bestudeert Wolpe deze partituur zo intensief dat hij grote delen al uit zijn hoofd kent. Dit werk is van beslissende invloed op de richting die Wolpe later zal inslaan. Maar ook in de jaren twintig is de klankwereld van Wozzeck al aanwezig in twee belangrijke composities: An Anna Blume (een toonzetting van het beroemde liefdesgedicht van Kurt Schwitters) en Schöne Geschichten, twee stukken die in een zeer chromatisch idioom geschreven zijn.
Zoals zoveel progressieve Duitse kunstenaars in het vooroorlogse Duitsland voelt Wolpe zich aangetrokken tot radicale artistieke bewegingen. Hij komt in aanraking met de Berlijnse dadaïsten rond Raoul Hausmann en Richard Huelsenbeck en doet mee aan verschillende Dada-happenings. Maar ook de Bauhaus-groep rond Walter Gropius in Weimar en de bijbehorende idealistisch-utopische houding spreekt tot zijn verbeelding. 'We reisden naar Weimar zoals pelgrims naar Jeruzalem of Mekka’, schrijft Wolpe later.
En wanneer de nog extremere Novembergruppe, die aanvankelijk bestaat uit schilders, architecten en beeldhouwers, in 1922 zijn deuren opent voor schrijvers en musici, aarzelt Wolpe geen moment. Tot aan 1930 zal Wolpe een actieve rol in dit gezelschap spelen.
Zijn vriend Hans Stuckenschmidt portretteert Stefan Wolpe in 1928 in een artikel over de Novembergruppe als volgt: 'Stefan Wolpe, de jongste van het stel, is een bijzonder geval. Terwijl hij van de ene extase in de andere valt, van het ene extreem in het andere, onderzoekt hij gepassioneerd het materiaal en de ideologie van zijn kunst en in een groot aantal werken in verschillende genres demonstreert hij een buitengewoon talent dat nog tot rijping moet komen. Ideologisch gezien zou ik hem tussen Antheil en Eisler plaatsen. Doorslaggevende technische invloeden wil ik toekennen aan Erik Satie, Arnold Schönberg en Josef Matthias Hauer.’
ALS DE POLITIEKE verhoudingen eind jaren twintig verscherpen, wordt kunst steeds meer een wapen in de klassenstrijd. Ook Wolpe wordt lid van de DKP (de communistische partij), maar ondanks zijn goede bedoelingen heeft Wolpe grote moeite met het simplistische idioom dat vereist is om een bruikbaar strijdlied te schrijven. Hij doet zijn best om zijn muzi kale taal te vereenvoudigen, maar meermalen wordt zijn muziek als te gecompliceerd van de hand gewezen. Dat neemt niet weg dat Wolpe enkele, letterlijk toonaangevende strijdliederen heeft geschreven voor de Arbeiter Theater Bund Deutschlands (ATBD) en voor de Internationale Arbeiter Theater Bund (IATB). En illustratief zijn de zogenaamde 'agitprop-groepen’ waar Wolpe tussen 1929 en 1933 muziek voor schrijft: Der Rote Wedding, Roter Stern, Rote Falken, Rote Stürmer en Rote Blusen. Aan geen van deze gezelschappen is Wolpe vast verbonden, maar hij is tevreden dat zijn muziek zich niet in een 'niemandsland’ bevindt, maar daarentegen gehoord wordt.
In Truppe 1931, een theatergezelschap rond de schrijver, speler en regisseur Gustav von Wangenheim, neemt Wolpe een sleutelpositie als componist in. Hij schrijft muziek voor de drie stukken waarmee het gezelschap furore maakt: Die Mausefalle, Da liegt der Hund begraben en Wer ist der Dümmste? Hoewel in de kritieken nauwelijks aandacht aan de muziek wordt besteedt, groeit met name Die Mausefalle, met driehonderd opvoeringen, uit tot een onvervalst publiekssucces.
De premiere van Wer ist der Dümmste? vindt vijf dagen na de machtsovername door Hitler plaats. De gebeurtenissen volgen elkaar plotseling snel op: het stuk wordt verboden, een deel van de acteurs wordt opgepakt en Wolpes broer wordt door de nazi’s ernstig gefolterd. Zelf drievoudig entartet - jood, communist en avantgardist - weet Wolpe op het nippertje het land te verlaten.
Is deze beslissing letterlijk van levensbelang, de stap die Wolpe vervolgens neemt is van artistiek levensbelang. Op uitnodiging van de sovjetregering verblijft de componist twee maanden in Moskou, maar het aanbod om daar te blijven slaat hij af. In plaats daarvan gaat hij naar Wenen om les te nemen bij Anton Webern, de strengste vertegenwoordiger van de Tweede Weense School. Door alle roerige gebeurtenissen voelt hij zich in muzikaal opzicht van zichzelf vervreemd. 'U moet mij helpen mijzelf weer te vinden’, zegt hij tegen Webern. Wolpe keert terug naar het atonale idioom waar hij zich zo in thuisvoelt. Zijn politieke idealen is hij echter niet vergeten en hij componeert uit eigen beweging een vierstemmig koor dat hij opstuurt naar Moskou. Tot zijn teleurstelling wordt de compositie geweigerd omdat hij te dissonante akkoorden bevat.
Na een verblijf van enkele jaren in Palestina emigreert Wolpe definitief naar de Verenigde Staten. Hij krijgt vooral aanzien als leraar - met onder zijn leerlingen later beroemd geworden componisten als Charles Wuorinen en Morton Feldman, maar ook de jazzmusicus John Carisi. En van Charlie Parker is bekend dat hij graag bij Wolpe had willen studeren.
Ondanks het feit dat hij de laatste tien jaar van zijn leven aan de ziekte van Parkinson lijdt, blijft Wolpe tot aan zijn dood in 1972 in New York onvermoeibaar componeren. Toch is zijn werk tamelijk onbekend en een deel ervan is zelfs nog nooit gespeeld. De reden daarvoor is niet alleen dat Wolpes carrière door de nazi’s werd gebroken en hij in een heel andere context weer opnieuw moest beginnen, ook zijn zijn partituren een probleem voor zelfs de beste musici. Uitvoering van Wolpes muziek eist een bovenmenselijke technische vaardigheid, omdat hij de door hem gewenste nuances in de notatie volkomen op de spits drijft. Dat uit zich in buitengewoon ingewikkelde ritmische figuren, idioot hoge metronoomcijfers maar ook extreme capriolen in de zangpartijen.
Vanwege zo'n gecompliceerd muzikaal idioom werd de 'Zeitoper’ Zeus und Elida uit 1928 niet eerder op de planken gezet. Dat neemt niet weg dat het stuk - waarin Zeus neerdaalt op de Potsdamer Platz en de door de wol geverfde prostituée Elida aanziet voor zijn vroegere geliefde Europa - een dik aangezette satire op de Duitse bourgeoisie vormt. Blijkbaar verkeerde Wolpe toen nog in de illusie dat kunst en politiek verenigbare grootheden zijn.