Driften

Het wheelen en dealen rondom de senaatsverkiezingen is reden om nu eens echt iets te veranderen aan de Eerste Kamer. Zoals partijen zelf ook willen. Maar het blijft politiek.

ER WAS HET Torentjesgesprek van premier Rutte en PVV-leider Wilders met het Zeeuwse Statenlid van de Partij voor Zeeland, Johan Robesin, om hem ertoe te bewegen bij de verkiezingen voor de Eerste Kamer zijn stem aan VVD of PVV te geven. Er was de oproep van CDA-prominent Herman Wijffels aan Provinciale-Statenleden om toch vooral niet op de regeringspartijen of hun gedoogpartner PVV te stemmen.
Ook was er een VVD-Statenlid dat gezegd zou hebben op de SGP te gaan stemmen en een PVDA-Statenlid dat uit kwaadheid over de instemming met het ritueel-slachtverbod gedreigd had niet op haar eigen partij te gaan stemmen. En er was de onverwachte dreiging van de groene ondernemer Ruud Koornstra, die met een eigen lijst de Eerste Kamer in wilde.
Dan waren er nog de gesprekken achter de schermen over het zo gunstig mogelijk verdelen van de restzetels. Gunstig voor wie, dat hing natuurlijk af van wie die gesprekken voerden. Gesprekken van de coalitiepartijen met de SGP, de inofficiële gedoogpartner van het minderheidskabinet van VVD en CDA. Maar ook de ChristenUnie trok aan de SGP, de partij waar ze voorheen altijd lijstverbindingen mee aanging. De Onafhankelijke Senaatsfractie maakte afspraken met de Ouderenpartij 50Plus van Jan Nagel. En ook andere oppositiepartijen praatten met elkaar.
Ook was er angst. Angst voor CDA'ers die uit onvrede met de gedoogconstructie het rode potlood wel eens bij een kandidaat van een andere partij zouden kunnen neerzetten. En angst voor fouten, want die komen altijd wel voor bij Eerste-Kamerverkiezingen.
Kortom, de verkiezingen voor de senaat stonden in tegenstelling tot anders volop in de schijnwerpers en hadden een hoop voeten in aarde. Maar al het gedoe heeft de coalitiepartijen VVD en CDA en hun gedoogpartner PVV niet aan de zo fel begeerde meerderheid geholpen. Het bleven 37 Eerste-Kamerzetels zoals na de Statenverkiezingen was berekend en daarmee één te weinig om zonder steun van vierden in de senaat de dienst uit te maken. Het minderheidskabinet doet in de Eerste Kamer voortaan zijn naam echt eer aan.
Ook is het niet gelukt om de SGP, de partij waar vervolgens de hoop van de coalitie op is gevestigd om menig wetsontwerp door de Eerste Kamer te krijgen, aan een tweede zetel in de senaat te helpen.
Maar de echte verliezer na al het praten, dreigen en paaien is oppositiepartij D66, die niet de zes zetels haalde waarop na de Statenverkiezingen was gehoopt, maar op vijf bleef steken. Dat had echter niks met al die schermutselingen te maken, maar was het gevolg van een richeltje waarachter het rode stempotlood verscholen lag. Daardoor was de met een andere pen uitgebrachte stem ongeldig. Over overbodige regels gesproken! Of zou het kabinet daar in dit geval minder moeite mee hebben?
Opmerkelijk na al dit rumoer is dat van de zeven partijen in de Eerste Kamer die vijf of meer zetels hebben er zes vinden dat de senaat moet worden afgeschaft, op een andere manier moet worden gekozen, dan wel dat deze een andere rol moet krijgen: VVD, PVV, PVDA, SP, D66 en GroenLinks. Dat staat zo in hun verkiezingsprogramma’s van vorig jaar of is zo verwoord door hun lijsttrekker bij deze Eerste-Kamerverkiezingen. Van de 75 senatoren zijn er daarmee 58 die een taak op zich gaan nemen waar ze eigenlijk bezwaar tegen maken.
Kort gezegd komt dat bezwaar erop neer dat politici die niet rechtstreeks gekozen zijn politiek bedrijven, terwijl de Eerste Kamer wordt geacht wetten op hun wetstechnische kwaliteit en consistentie te beoordelen. Zo hield in het verleden VVD-senator Hans Wiegel om politieke redenen het correctief referendum tegen en torpedeerde de PVDA-senaatsfractie de rechtstreeks gekozen burgemeester.
Door al het wheelen en dealen was juist deze keer des te zichtbaarder dat de Eerste Kamer op een ingewikkelde wijze wordt samengesteld waar de gewone kiezer niet meer aan te pas komt. Maar juist nu het kabinet geen meerderheid heeft in de Eerste Kamer kunnen de theorie over de rol van die Eerste Kamer en de wekelijkse praktijk wel eens nóg verder uit elkaar gaan lopen. Daardoor wordt het principiële bezwaar alleen maar groter.
Politici kun je immers niet verbieden politiek te bedrijven, ook al zijn ze niet rechtstreeks gekozen. De oppositiepartijen zeiden maandag direct na de uitslag weliswaar dat ze wetsvoorstellen op hun eigen merites zullen beoordelen, de verleiding om een minderheidskabinet dwars te zitten op punten waar ze het fundamenteel mee oneens zijn, kan groot zijn. Juist nu, zou je dus kunnen concluderen, is er daarom meer reden dan ooit in de parlementaire geschiedenis om echt iets te gaan veranderen aan de Eerste Kamer.
Maar ook is het juist nu, in een tijd waarin grondrechten van burgers en internationale verdragen niet heilig meer lijken, dat de Eerste Kamer een taak kan vervullen die zo'n twee eeuwen terug zo werd omschreven: ‘Ten einde alle overijling in de raadpleging te voorkomen, in moeilijke tijden aan de driften heilzame palen te stellen…’ Wel werd daar in 1815 nog aan toegevoegd: 'en den troon te omringen door een bolwerk waartegen alle partijen afstuiten’. 'Den troon’ zou hier inmiddels beter kunnen worden vervangen door 'de democratie’ of 'de burger’.
Hoewel de liberaal Johan Rudolf Thorbecke de Eerste Kamer ooit 'zonder grond of doel’ noemde, zag de liberale minister Dirk Donker Curtius in 1848 wel een rol voor de senaat weggelegd: 'niet het stichten van het goede, maar het voorkomen van het kwade’. Vooral de oppositiepartijen zullen dat juist nu beamen. Daarom zullen vier van die zes grotere partijen die de Eerste Kamer willen aanpakken daar op dit moment dan ook niet om staan te trappelen. Het blijft wel politiek.