Drijfvuilvisser

‘WIJ HOUDEN VAN onze stad. MÇt al zijn vuil. De meeste Amsterdammers zien de schoonheid van hun stad niet meer. W¡j wel, want vanaf het water is Amsterdam het mooist. Soms varen mensen een stuk met ons mee. Die weten niet wat ze zien. Schitterend, die stad.

We werken altijd met z'n twee‰n. Eentje staat vuil te vissen, de ander stuurt. Degene die voorop staat, haalt met een schepnet aan een lange steel het drijfvuil binnen en gooit het in het ruim. Het is heel belangrijk dat de stuurman weet wat hij doet. Een keer ergens tegenop varen en je maat gaat te water. Als je overboord valt, vaart de boot gewoon door. Als je tussen de wal en het schip valt en de boot komt op je af, kun je niet wegkomen. Dan moet je eronderdoor zwemmen. Als je in de schroef terechtkomt is het afgelopen. Daarom dragen we onze zwemvesten niet, want duiken gaat niet met zo'n ding aan.
Zwaar werk? Ach, wat is zwaar. Een vuilniszak die een poosje in het water heeft gelegen weegt veertig kilo en het schepnet een kilootje of tien. Als u het een dagje zou doen, zouden uw armen de volgende dag dienst weigeren. Maar om het dan meteen zwaar werk te noemen? W¡j zijn het gewend. Dingen die £ makkelijk afgaan zijn voor ons weer zwaar. Het is maar hoe je het bekijkt.’
‘IK WERK AL een jaar of zeven samen met Hannes. We hebben het best gezellig met zijn twee‰n. Van lieverlee word je maatjes. We zien elkaar haast elke dag, vaker dan we onze vrouwen zien.
We zitten de godganse dag op ons vullesbootje. We verzorgen hem goed. Ik heb hem net in de grondverf gezet. Als ik even tijd heb, lak ik hem af. Ziet-ie er weer piekfijn uit. We hebben ons eigen kajuitje met een keukentje waar we lekker kunnen lunchen. Dat is ons heiligdom. Er is geen toilet. Als we moeten, doen we het in de puts. Zo'n emmer met een touw eraan. De inhoud kieperen we overboord. Die vinden we niet meer terug. Drollen drijven niet.
Je wordt wel goor van dit werk. Af en toe hebben we een vette klus. Hebben ze weer eens een blik motorolie in de gracht geflikkerd. Als we staan te vissen met onze netten, druppelt het oliewater op het dek. Wordt alles spekglad. Vreselijk hoe ons kajuitje er dan uitziet met al die vettigheid. Daar worden we niet goed van.
Maar we mogen niet klagen. Iedereen kent ons. Op het water zijn de mensen vriendelijk voor elkaar. Vaak gaan de duimpjes omhoog. Mensen zijn blij met ons. We houden ook h£n grachtje schoon. En altijd aanspraak vanaf de wallekant, hŠ. “Hebben jullie nog dooien gevonden?” roepen ze dan. Gezellig, hoor. We gaan ze natuurlijk niet aan hun neus hangen dat we inderdaad soms mensenlijken opvissen.’
'HET WATER in onze grachten is vrij schoon. Elke drie dagen worden de sluizen opengezet om het te verversen. Maar toch vinden we ontzettend veel vuil. Als wij die troep niet opvissen, gaan de grachten dichtzitten.
Het is ongelooflijk wat er allemaal ronddrijft. Vuilniszakken, stoelen, banken, hele rollen tapijt, matrassen, winkelwagentjes, ijskasten. En klein vuil. Condooms - vol, leeg, verpakt -, injectienaalden van junkies. Moet je heel voorzichtig mee zijn. Als je het ruim schoonmaakt moet je oppassen dat je er niet intrapt. De stad zit nu propvol toeristen. Dan heb je vanzelf meer drijfvuil. Hoe meer mensen, hoe meer rotzooi. Doe je niks aan.
Portemonnees, koffers en tassen maken we vaak open. Uit portemonnees is altijd het geld verdwenen. Geript, hŠ. We kijken altijd of we nog iets met een naam erop kunnen vinden, voor de politie. We zoeken natuurlijk niet alles uit wat we vinden. Is geen beginnen aan.
Dooie eenden, ratten, vissen, honden en katten moeten zo gauw mogelijk het water uit. Ik heb een keer een half varken opgevist. Overboord geslagen bij de de proviandering van een zeeschip.
Botulismebestrijding is een belangrijke taak. Dat zit in dode eenden met een soort parasiet. Als je het niet snel opruimt, komen er larfjes uit het lijk. Andere beesten vreten die op. Zeemeeuwen, andere eenden. Voorheen gooiden we dode beesten in het ruim bij het andere vuil. Maar binnenkort moeten dooie beesten in een speciale ton. Een paar keer in de week komt een destructiebedrijf ze ophalen. Ik hoorde dat ze er dierenvoedsel van maken. Het wordt vermalen, verhit en gecentrifugeerd of zoiets. Beesten eten dus lijken. Wat wij opruimen komt weer in de voedselketen terecht. Ik begrijp daar geen snars van.
Je werkt altijd in de vuilnisstank, maar dat merk je al gauw niet meer. Alleen maandagochtend. Dan ben je er een weekend uit geweest. Het is geen lolletje hoor, dooie dieren opvissen met deze hitte. Je hebt wel eens dat je bijna over je nek gaat. Een rottende karper. Man, dat stinkt! Maar we hebben die spuitbus Çn natuurlijk de Sannifresh. Dat is zo'n pleeluchtje. Daarvan hebben we jerrycans vol. Dat pleuren we over zo'n beest heen als-ie te veel meurt. Dat doen we niet alleen voor onszelf. Als je met dit mooie weer met je stinkschuit onder een bruggetje vol toeristen vaart en ze hangen over de leuning, dan slaan ze steil achterover. Boem, weg. Kunnen we niet hebben.
Als die plannen met dat tonnetje doorgaan, wordt de stank op de boot minder. Maar zo'n lijk staat dan wÇl de hele dag te broeien. Dat wordt lachen als je ’s(avonds die ton moet legen.’
'ALLES WENT, zelfs het vinden van dooie mensen. Een lijk zinkt eerst, maar dan gaat hij rotten. Door de gasvorming gaat hij drijven, als een dobbertje. Kin op de borst, gezicht in het water. De opgetrokken schouders steken boven het water uit. We halen ze niet zelf uit het water. Als we er eentje zien, bellen we de baas en die geeft het door aan de politie te water. We moeten erbij blijven totdat zij er zijn. Voor je het weet drijft een lijk weg.
Jaren geleden vond ik mijn eerste. Joop, een rondvaartschipper. Hij had een candlelight gemaakt, een avondvaartje om elf uur ’s(avonds. Ze vermoeden dat hij op het ponton stond waar hij zijn boot had afgemeerd. Waarschijnlijk is hij ervanaf gevallen door de golfslag van een speedboot. Hij is met z'n hoofd tegen de kademuur geslagen. We vonden hem ’s(morgens vroeg, dobberend in de Amstel. Hij had een bos bloemen in zijn handen geklemd. Z'n pet lag nog op de steiger. Dat was wel triest. Het was een fijne kerel. We zagen hem elke dag.
We hebben nog niet zo lang geleden een oud vrouwtje gevonden dat zich had verhangen. Aan een hek aan de wallekant een touw geknoopt, om d'r nek gehangen en in de gracht gesprongen. Haar hoofd stak nog net boven het water uit. Negentig was ze. Ben je zo oud, moet je je eigen nog van kant maken. Daar hadden we het best moeilijk mee, maar je k†n niets doen. Wij hebben nog geluk gehad. Arie, een collega, vond twee lijken in ÇÇn week. Dat was ten tijde van de koffermoorden. Vond-ie koffers met in stukken gehakte lichamen. Bij hem is het in zijn kop gaan zitten en gaan opspelen. Niemand ving hem op. Heeft hij veel moeite mee gehad.
Het leven gaat door, het werk ook. Dat we Joop vonden is minstens tien jaar geleden. Toen hadden we nog geen mobilofoon aan boord. ’s(Avonds vertelde je aan de baas wat er gebeurd was. De volgende dag ging je gewoon weer werken. De begeleiding is nu beter. Dat is pas sinds een jaar of vijf. De GGD heeft er een team van psychologen voor. Daar zijn wij nog nooit geweest. Hebben we niet nodig.’
'NA KONINGINNEDAG is het voor ons een toptijd. Door die vrijmarkt belandt er van alles in de gracht. Wat over is flikkeren ze in het water. En anders waait het er wel in. Duizenden en duizenden blikjes en plastic bekertjes. En mijnheer Smiths natuurlijk. Die komen we dan nog wekenlang tegen met zijn klotezakjes. Die werden tijdens koninginnedag gratis uitgedeeld. De mensen zeggen: “Die mijnheer Smiths moet je aanpakken.” Maar het ligt niet aan hem, maar aan de mensen zelf. D¡e gooien de boel in de gracht. Niet mijnheer Smiths.
Er is zoveel schijnheiligheid. Mensen die hun stoepje aan het vegen zijn groeten vriendelijk als we langsvaren. Maar als je omkijkt, ligt die zooi wÇl in het water. Laatst nog een man, die was z'n rozestruikje aan het snoeien. Alle takken vielen in de gracht. We varen langs, duikt-ie weg achter een muurtje!
Natuurlijk hebben we hem vriendelijk gegroet. “Dag buurman!” Dat vond hij vreselijk. Je had hem moeten zien staan, met z'n heggeschaartje. Zielig, hoor. Van ons mag hij ze best in de gracht laten vallen. Waar moet die man anders heen met z'n takken? Ze hangen nou eenmaal boven het water.
Luister, we zijn best coulant met de mensen. We gaan uit van hun goede trouw. Niet iedereen gooit alles in de plomp. Maar soms lijkt het wel of wij de enigen zijn die onze rommel netjes in een vuilniszak gooien. Da’s misschien maar goed ook. Als iedereen dat zou doen, zouden wij ons baantje kwijtraken.’