Isaac Lipschits over de commissie-Van Kemenade

Drijfzand

Het bedrag dat de commissie-Van Kemenade noemt voor rechtsherstel van de joodse gemeenschap, is volgens emeritus hoogleraar Isaac Lipschits niet meer dan een aalmoes. ‘Je zou haast de Rekenkamer loslaten op dat rapport.’

‘DE HOOGTE VAN het bedrag interesseert me niet’, zegt professor Isaac Lipschits, emeritus hoogleraar eigentijdse geschiedenis. ‘Het gaat mij erom waarop het gebaseerd is. Ik zit als jood niet te wachten op een aalmoes van de overheid. Wat ik wil is dat berekend wordt voor welk bedrag de Nederlandse overheid zich verrijkt heeft aan de holocaust en dat dat bedrag vermenigvuldigd wordt naar de huidige waarde. Hoeveel of weinig het ook is, dáárop hebben we recht.’


Al twee weken is er heibel rond de jongste commissie-Van Kemenade, die formeel Contactgroep Tegoeden WO-II heet. De commissie onderzocht opzet en uitvoering van het ‘vermogensrechtsherstel’, waarmee doorgaans de pogingen worden aangeduid om degenen die door de nazi’s zijn kaal geroofd te herstellen in recht en bezit. De historicus P.W. Klein zag het aankomen. Hij stelde in zijn deelonderzoek, dat als enige bij het eindrapport als bijlage is opgenomen: ‘Oordelen over het naoorlogse vermogensrechtsherstel is — zo gezien — oordelen over Nederland en zijn natie. Dat maakt de geschiedenis van het naoorlogse rechtsherstel er niet eenvoudiger op.’


Bij de presentatie verspeelde de commissie alle goodwill die ze in haar bijna driejarige bestaan moeizaam had verworven. De gordiaanse knoop van morele implicaties en rechtmatigheid werd niet doorgehakt. Van Kemenade in de Volkskrant: ‘We hebben een heel jaar gedelibereerd over onze conclusies en aanbevelingen. Een rekenkundige benadering bleek niet mogelijk. Het verschil tussen wat er geroofd en wat er teruggegeven is, was niet te becijferen, omdat er te veel onzekerheden in het spel zijn. Grondig onderzoek heeft helaas geen uitsluitsel kunnen geven. De precieze bedragen van de schade en de precieze belanghebbenden blijven onbekend.’ De belangrijkste aanbeveling aan de regering: ‘Tegenover de joodse gemeenschap ruiterlijk (…) erkennen dat ondanks de goede bedoelingen van de overheid destijds, onderdelen van het rechtsherstel en sommige aspecten van het overheidshandelen tot consequenties hebben geleid die als onbillijk of onrechtvaardig moeten worden beschouwd.’


Daarnaast werd de regering aangeraden een bedrag van 250 miljoen gulden in een fonds te storten dat deels zou worden beheerd door de joodse gemeenschap. Het bedrag werd bepaald met de natte vinger — ‘naar redelijkheid en billijkheid’ — en toegekend op ‘morele gronden’, als ‘tegemoetkoming voor de tekortkomingen in het rechtsherstel en andere aspecten van het overheidshandelen ten opzichte van de joodse bevolking en de nabestaanden na de oorlog.’ Een historische kans om de discussie over het ‘rechtsherstel’ van de door de nazi’s volledig uitgeklede joden en zigeuners (aan wie nauwelijks aandacht werd besteed in het onderzoek) in een voor de nabestaanden bevredigende richting te sturen was verkeken.



ONMIDDELLIJK BARSTTE een koor van proteststemmen los in de joodse gemeenschap. Normaal gesproken laat die zich niet zo gemakkelijk verenigen, maar nu stonden alle neuzen zeer nadrukkelijk dezelfde kant op. Professor A. Heertje verwoordde de joodse woede in NRC Handelsblad: ‘In het huidige tijdsgewricht, waarin veel leden van de joodse gemeenschap ondanks het eeuwige verdriet dat zij met zich dragen, op een constructieve wijze bijdragen aan de Nederlandse samenleving in al haar geledingen, is een tegemoetkoming op morele gronden een slag in het gezicht van de joodse bevolking.’ Elk bedrag dat geen verband hield met de werkelijke omvang van de roof diende volgens hem zonder meer afgewezen te worden. In Israel werden alternatieve berekeningen gemaakt die wezen in de richting van anderhalf miljard gulden. Maar dat zit er niet in. Premier Kok had zelfs de grootste moeite de ‘ruiterlijke erkenning’ uit de aanbevelingen van Van Kemenade om te zetten in een excuus aan de joodse gemeenschap. Dat kwam er pas na alom verontwaardigde reacties. Her en der werd geopperd dat die excuses zo langzamerhand best gericht mochten zijn aan de hele Nederlandse bevolking wegens de beschamende vertoning.


Van Kemenades rapportage ‘is gebaseerd op drijfzand’, meent Lipschits. ‘Men doet het voorkomen dat nog veel onbekend is en niet te achterhalen: bij Liro ingeleverde sieraden, kunst- en cultuurvoorwerpen. Het vermogen uit onroerend goed en bedrijven wordt niet bepaald ruimhartig geïnterpreteerd met als excuus het ontbreken van samenvattend archiefmateriaal. Bovendien: de geroofde bedragen zijn gesteld in guldens van 1942 en wat er is gerestitueerd in guldens uit pakweg 1960. Daar zit een flinke rekenfactor tussen, bepaald door renteverlies en inflatie, gigantische percentages in verband met de oorlog.’


Volgens Lipschits zijn twee zeer belangrijke archieven nauwelijks geraadpleegd. Die van het Jokos, met zeer gedetailleerde gegevens over joodse huisraad, en van het bedrijfsarchief van de Nagu (Niederländische Aktiengesellschaft für Abwicklungen von Unternehmungen) dat op het Rijksarchief in Den Haag ligt. Toen Lipschits Van Kemenade daarmee confronteerde, noemde die hem een leugenaar. Maar uit het rapport blijkt dat de commissie niet overal even secuur te werk ging: ‘In het bij het Niod en ARA (het Rijksarchief — jb) aanwezige archiefmateriaal betreffende de Nagu hebben wij geen gegevens aangetroffen die een raming van de totale geldelijke omvang van de roof van bedrijven mogelijk zou maken.’ Lipschits: ‘Dat archief beslaat tweeëneenhalve kilometer!’ Elders in het rapport: ‘Wij hebben geen enkele mogelijkheid gevonden om door onderzoek in nog bestaand archiefmateriaal te bepalen welk deel van die vergoeding voor huisraadschade aan Joodse eigenaren en nabestaanden is uitgekeerd. Wel bestaat de mogelijkheid om het totaal van de Sec-uitkeringen uit alle Jokos-dossiers (circa 29.000) op te tellen. Dat was in het kader van dit onderzoek echter qua tijdsbeslag niet haalbaar.’ Lipschits: ‘Logisch dat ze geen duidelijk bedrag durven stellen als schadevergoeding. Ze hebben niet genoeg hun best gedaan.’



VAN KEMENADE heeft steeds benadrukt dat de overheid goedwillend was bij het rechtsherstel. Ook Kok stelde bij het aanbieden van de excuses dat het naoorlogse handelen ‘goed bedoeld’ was. Van Kemenade heeft het echter mis. Op 14 oktober 1998 berichtte De Groene Amsterdammer over vergaande zelfverrijking van de overheid. Zo betaalden de joden na de oorlog hun eigen rechtsherstel. De kosten voor de afwikkeling van de schade-uitkeringen en de liquidatie van de roofinstellingen werd betaald uit het joodse vermogen. Dat werd mogelijk door een legale truc: de roofinstellingen die over het joodse bezit beschikten werden aangemerkt als ‘vijandelijke onderdanen’, waarmee het joodse vermogen dat ze bezaten verwerd tot ‘vijandelijk bezit’ waarover de overwinnaars vrijelijk konden beschikken. Dat kostte de joodse gemeenschap zo’n dertien miljoen gulden voor de liquidatie van de Liro (de roofbank Lippmann-Rosenthal & Co, Sarphatistraat Amsterdam) en de VVRA, de instantie die het totale bijeen geroofde joodse vermogen beheerde. Later werden ook de kosten van het uitgebreide Cadsu-apparaat — de Nederlandse instelling die het Duitse ‘Wiedergutmachungsgeld’ verdeelde — betaald uit geld dat onder meer beroofde joden toebehoorde. Uit het Cadsu-eindverslag (1966): ‘Van de aanvang af werd derhalve bepaald dat de kosten van het Cadsu niet ten laste van de rijksbegroting mochten komen, doch geheel goedgemaakt zouden moeten worden door bijdragen van belanghebbenden zelf.’ Dat betekende dat wie na een lange bureaucratisch weg uiteindelijk een schadevergoeding kreeg, vijftien procent van het bedrag moest afstaan om de administratiekosten te dekken. Het eindrapport signaleert het voordeel ‘dat zonder enige financiële consequentie voor het rijk enige tientallen ambtenaren aan het werk konden worden gehouden, die anders ten laste van het rijk op wachtgeld gezet hadden moeten worden’.


Het was niet de eerste keer dat het rijk geld verdiende aan de shoah. In 1943 sloot het ministerie van Financiën een lucratieve belastingdeal met de nazi’s, die bekend staat als de ‘Pausch-regeling’. Tot eind 1942 waren de joden belastingplichtig aan de Nederlandse overheid. Die belasting werd betaald door de Liro-bank, die immers het ‘beheer’ voerde over de joodse tegoeden. Toen op last van de Duitsers de joodse belastingbetaling werd stopgezet, protesteerde het ministerie van Financiën: nog lang niet alle belastingaanslagen van joden over 1941 en 1942 waren betaald. Op aandrang van het ministerie maakte Liro in 1943 alsnog acht miljoen gulden over. Na de oorlog is daarvan volgens het eindrapport van de LVVS (de curatoren van Liro en VVRA) in 1952 tweeëneenhalf miljoen gulden teruggestort. Rest dus nog een bedrag van 5,5 miljoen gulden (exclusief rente en inflatiecorrectie over de periode 1943-1952). De huidige waarde daarvan moet omgerekend meer dan zeventig miljoen zijn.


De naar aanleiding van de Liro-affaire ingestelde commissie-Kordes — wier aanbevelingen nota bene deel uitmaken van Van Kemenades rapportage — onderzocht deze overheidspraktijken. In december 1998 verklaarde ze de Pausch-deal onrechtmatig - zijnde een maatregel van de vijand. De financiering door de gedupeerden van hun eigen rechtsherstel, alsmede het tegen een spotprijsje terugkopen door de overheid van de uit joods vermogen betaalde doorgangskampen Westerbork en Vught, werd vanuit moreel oogpunt verworpen. Het rijk diende volgens Kordes 48,4 miljoen gulden aan ‘smartengeld’ onverwijld ter beschikking te stellen aan de joodse gemeenschap. Over de correctie van de geldontwaarding weigerde Kordes zich uit te laten. Dat leek hem een regeringsaangelegenheid. Rente was de overheid volgens Kordes niet verplicht te vergoeden. Lipschits: ‘Logisch. Stel dat je op dat bedrag die factor 22 van de verzekeringen zou loslaten, dan zit je al op ruim een miljard.’



NIOD-ONDERZOEKER Gerard Aalders gooide twee weken geleden de knuppel in het hok van de successierechten die worden geheven op erfenissen. De overheid zou, zo stelde hij, tussen de 300 en 400 miljoen gulden (huidige waarde) kunnen hebben verdiend aan de vererving van joods eigendom. Volgens Aalders koos de toenmalige minister Lieftinck voor een wettelijk bepalingssysteem van de overlijdensdatum van kampslachtoffers dat de schatkist de hoogst mogelijke mate van geldelijk gewin opleverde. Lieftincks maatregel, die door het parlement werd aangenomen, stelde volgens Aalders onder luid protest ‘de schatkist vele extra miljoenen aan successiegelden in het vooruitzicht. Het lijkt moeilijk vol te houden dat dit in overeenstemming was met het principe geen profijt te trekken uit de holocaust.’ De contactgroep van Van Kemenade was niet van mening dat de overheid hier te ver was gegaan. Het uiteindelijk opgestreken bedrag zou niet zijn vast te stellen. Het betrof bovendien een wettige regeling.


Een en ander schreef roofgoeroe Aalders in een ingezonden stuk in NRC Handelsblad, daags voordat de contactgroep met haar bevindingen kwam. Onmiddellijk brak een rel uit die ongeveer gelijktijdig met de discussie over de 250 miljoen zijn hoogtepunt bereikte. Joodse organisaties betrokken de successiemiljoenen in de discussie over de ‘tegemoetkoming’, de commissie-Van Kemenade stond op haar achterste benen. Het artikel doorkruiste volledig de aanbevelingen van de contactgroep.


Boze opzet van Aalders? Hij raakte immers al eerder gebrouilleerd met de contactgroep van Van Kemenade. Een eerdere versie van zijn onderzoek naar roof en restitutie werd door de commissie afgewezen. Vervolgens werd KPMG ingehuurd in de persoon van accountant F. Hoek. Die trok hoegenaamd dezelfde conclusies. Hoewel later alsnog een (herziene) versie van Aalders’ onderzoek in de rapportage werd opgenomen, beweren doorgaans welingelichte zegslieden echter dat het niet bepaald botert tussen Aalders en de commissie. Ook Aalders’ baas, Niod-directeur J.C.H. Blom, maakte deel uit van de contactgroep. Blom was niet blij met Aalders’ briljante timing. Inmiddels heeft hij de onderzoeker ontboden. Met succes: Aalders doet in de pers geen uitlatingen meer over de zaak. Boze tongen spreken van het zoveelste spreekverbod op het Niod. David Barnouw, Niod-woordvoerder: ‘Spreekverboden hebben we hier niet. Wel is het zo dat we maar één officiële woordvoerder hebben. Aalders en Blom hebben inderdaad met elkaar gesproken over die slechte timing. Iedereen mag alles schrijven wat hij wil, maar het mag niet ten koste van iets gaan. Ontslag? We zijn daar gek. Gerard zorgt voor goede krantenkoppen.’


P.W. Klein: ‘Ik was echt woedend toen ik het stuk van Aalders las. Hij rakelt nodeloos iets op wat niet waar is. Het schaadt de slachtoffers. Hij heeft nauwelijks onderzoek gedaan. Ik vond het natuurlijk niet leuk dat hij buiten ons om publiceerde, maar dat was niet de reden van mijn boosheid.’ Samen met KPMG-accountant Hoek schreef Klein een felle repliek op Aalders’ stuk, waarin harde taal niet werd geschuwd. Bronnen rond de contactgroep beweren echter dat Hoek en Klein niet wisten waar Aalders zijn informatie vandaan had. ‘Ze kennen hun archieven niet.’ Hoek zou pas na een telefoontje aan Aalders te weten zijn gekomen waar Aalders’ bronnen te vinden waren. Dat wordt bevestigd door Klein: ‘Hoek heeft gebeld, ja. We wisten ongeveer wel waar Aalders het materiaal vandaan had. Voor echt diepgravend onderzoek hadden we geen tijd. Het rapport geeft niet meer dan een hoofdlijn weer. Dat is onvermijdelijk.’ Lipschits: ‘Hiermee is niemand gediend. Laat ze uitzoeken hoe het wél zit met die successierechten. Je zou haast de Rekenkamer loslaten op dat rapport.’



‘HET BOEK blijft open’, stelde Van Kemenade bij de presentatie van het rapport. Hij had het niet treffender onder woorden kunnen brengen. Inmiddels verlustigt menigeen zich in wilde speculaties. Hield de commissie-Van Kemenade met opzet het bedrag laag om de schatkist niet te zeer te belasten? Waarom deed de Nederlandse ambassade enige jaren geleden een missive uitgaan die voorkwam dat Aalders op een Washingtons congres een spreekbeurt kon houden over joodse tegoeden? Stelde hij de bedragen soms wat al te hoog? Was het toeval dat het rapport van Van Kemenade zodanig werd gepresenteerd dat Kok er niet te veel last van had op de holocaustconferentie in Stockholm? En wat deed die mijnheer van het ministerie van Financiën als ‘waarnemer’ bij de vergaderingen van de Contactgroep Tegoeden WO-II?


‘Als het boek openblijft, moet je ervoor zorgen dat de letters niet vervagen’, zegt Lipschits. Hij toont een kopie van een kaart uit het Jokos-archief. Onwaarschijnlijk nauwkeurig wordt de inboedel opgesomd van een huis waaruit de bewoners zijn gedeporteerd. Van de eettafel en de schilderijtjes aan de muur tot de hoeveelheid glazen en het soort tapijt aan toe. Vier kamers en een gang, volledig gedocumenteerd. ‘Je gaat mij niet wijsmaken’, zegt Lipschits, ‘dat je uit dergelijke nauwgezetheid geen goede financiële reconstructie kunt maken.’ Een reconstructie van geroofde huisraad; de ‘schade’ zou te vergoeden zijn, mocht iemand de hel overleefd hebben, zodat dit boek gesloten zou kunnen worden.


De lijst is overigens opgesteld door de Amsterdamse agenten C.B. Bosch en J.A. Bruijn. In het Duits.