Klassieke muziek: Bach

Drijvend eiland

Pianisten, voorop Glenn Gould die ze zelfs twee keer opnam, maakten Bachs Goldbergvariaties groot. Dat kan helemaal niet. Bach schreef zijn aria plus dertig variaties of Veränderungen, gepubliceerd in 1742, voor een tweemanualig klavecimbel met, simpel gezegd, voor elke hand een eigen toetsen-bord. Wat soms bittere noodzaak is, omdat op één klavier linker- en rechterhand elkaar te vaak onhandig in de weg zitten als ze hun krachten samenballen in hetzelfde register. Het speelt rot.

‘Het moet nu duidelijk zijn’, schrijft de Amerikaanse klavecinist en musicoloog Ralph Kirkpatrick al in 1938 in de inleiding bij zijn editie voor muziekuitgeverij Schirmer, ‘dat de klaviermuziek van Bach geen pianomuziek is, en dat elke versie voor piano een transcriptie is.’ Zeg dat. In de uitgave van Kirkpatrick, ‘edited for the harpsichord or piano’, zie je in welke bochten hij zich in variaties als 5, 8 en 11, 17 heeft moeten wringen om al die kruisende stemmen in één gesmeerd lopende klavierpartij te persen. Dat heeft virtuozen van Gould en Maria Tipo tot aan te onzent Hannes Minnaar er niet van weerhouden er geweldige uitvoeringen van te geven, maar het blijft een soort sublieme fraude.

Lang verhaal kort: zolang niemand die pianisten vraagt waar ze nou helemaal mee bezig zijn, hoeven de saxofonisten van het Berlage Saxofoon Kwartet zich geen zorgen te maken over de authenticiteit van het Goldberg-arrangement dat hun medespeler Peter Vigh voor vier saxofoons maakte. In kwartetverband kan elke stem, ook als het er samen minder zijn dan vier, zich tenminste vrij bewegen. En Vigh is in zijn afwisselend drie- en vierstemmige zettingen niet verdwaald in de veelstemmige verkeersstromen. Ik ken zijn bron niet, maar hij lijkt op de hoogte van de correcties en aanvullingen die werden aangetroffen in Bachs in de jaren zeventig opgedoken ‘Handexemplar’ van de eerste uitgave; daar noteert Bach ‘al tempo di giga’ bij variatie 7 en ‘adagio’ bij variatie 25. Vigh heeft zich slim beperkt tot de herschikking en herverdeling van de stemmen. Knap werk.

Aan een blazersbewerking kleeft één zwaarwegend nadeel. De typische klavierattack valt weg. Je mist de uitgeharde bassen die het bouwwerk aan de aarde vastklinken. Je zaagt de poten van de stoel af, haalt de botten uit het lijf. Het perspectief verlegt zich van het verticale naar het horizontale. Het fantastische Goldberg-rijk wordt een drijvend eiland, dat soms opstijgt als een contrapuntische flight of the bumblebee.

Hoe de rondigheid van toon deze bewerking parten speelt hoor je in variatie 4. Daar moeten de basnoten woest verende knallen uitdelen als de eerste tellen van een psychotische wals, had de keurig reproducerende baritonsax een verwilderde scheur mogen opzetten. In variatie 16, ouverture van wat je deel 2 van de cyclus zou kunnen noemen, valt door de mellowness van het geluid de theatrale overdruk in de gepuncteerde ritmen weg. Anderzijds voegt het horizontale perspectief ook iets toe. Het continuüm van drie of vier innig verweven, om hun thematische as draaiende partijen brengt een soort horizontale draaikolk op gang; een breinbrekende, lichtgevende drie- of vierdubbele helix. En in het Quodlibet begint dit prachtige gezelschap, in de eerste speelhelft met Bachs heiligheid als staart tussen de benen, zowaar bevrijd freestyle te saxen.


Berlage Saxofoon Kwartet, Goldberg Variationen (MDG)