Dringen bij de pisbakken

Rond het Amsterdamse homo-monument wordt iedere vierde mei weer het homoleed van de Tweede Wereldoorlog herdacht. Onderdrukking en vervolging sloegen toen diepe wonden in de homogemeenschap. Hoewel, was het echt zo erg? ‘De nazi’s hadden het zo druk dat ze amper aan homovervolging toekwamen.’
ZO'N VIERHONDERD mensen kwamen op 4 mei naar het Homo-monument bij de Westerkerk in Amsterdam om daar de homoseksuelen te herdenken die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de nazi’s zijn vermoord. De schrijfster Karin Spaink hield een toespraak. ‘Het heeft lang geduurd’, aldus Spaink, ‘voordat het besef doorbrak dat de vervolging van homoseksuelen een bloedserieuze zaak is geweest en grote schade heeft aangericht, en nog langer voordat men begreep dat het wegmoffelen van juist deze vervolging verband hield met de nog altijd voortdurende discriminatie.’

Waar de vervolging van homoseksuelen heeft plaatsgevonden, liet de spreekster in het midden. In Duitsland, in Nederland of in heel bezet Europa? Gevraagd om een toelichting, zegt Spaink dat ze doelde op de vervolging van homo’s in nazi-Duitsland. Inderdaad zijn vrijwel alleen Duitse homoseksuelen vanwege hun homoseksualiteit in concentratiekampen terecht gekomen. Wel zijn er natuurlijk homoseksuele verzetsstrijders uit andere landen naar de kampen gedeporteerd, maar zij kregen niet de roze driehoek opgenaaid.
In Spainks toespraak bleef ook onduidelijk wanneer die vervolging plaatsvond. Spaink lijkt er stilzwijgend van uit te gaan dat homoseksuele mannen en vrouwen tijdens de oorlog werden vervolgd. In werkelijkheid stopte de ‘homovervolging’ in Duitsland nagenoeg op het moment dat de oorlog uitbrak. Vanaf dat moment kregen de strijd tegen de geallieerden en de jodenvervolging prioriteit.
De vervolging van homo’s in Nederland is nooit van de grond gekomen vanwege diezelfde prioriteitenstelling. 'De Duitsers hadden het zo druk dat ze daar nauwelijks aan toe zijn gekomen’, zegt Gert Hekma, docent homostudies aan de Universiteit van Amsterdam. 'Toch hangt er bij de herdenking bij het Homo-monument op 4 mei een bijna religieuze sfeer, waarbij je een traantje moet wegpinken en moet roepen dat het allemaal zo erg is geweest. Als je daar rondloopt en een grapje tegen iemand maakt, krijg je bijna een klap in je gezicht. Het Homo-monument staat voor een ouderwetse opvatting van homoseksualiteit: gehuil en zwelgen in slachtofferschap.’
Volgens Harry Oosterhuis, historicus aan de Rijksuniversiteit Limburg, is het een mythe dat Nederlandse homo’s tijdens de oorlog zijn vervolgd. 'Die kranslegging op 4 mei bij het Homo-monument is misplaatst. Er is in Nederland helemaal geen homovervolging geweest. Die term “homovervolging” suggereert dat homo’s hetzelfde is overkomen als joden. Dat is belachelijk. De nazi’s hebben nooit, zoals met de joden, geprobeerd om alle homoseksuelen uit te roeien. De homo-emancipatiebeweging legt traditioneel erg de nadruk op de onderdrukking van homo’s. Blijkbaar kan alleen vorm worden gegeven aan strijdbaarheid door middel van slachtofferschap. De Tweede Wereldoorlog is dan een dankbaar aanknopingspunt. Maar daarmee worden wel allerlei mythen in het leven geroepen.’
Michiel van der Voort, voorzitter van het Amsterdamse COC en verantwoordelijk voor de organisatie van de jaarlijkse herdenking bij het Homo-monument, vindt het 'een onzinnige stelling’ dat de vervolging van homoseksuelen een mythe is. 'Dat homoseksuelen tijdens de oorlog onderdrukt werden, is duidelijk’, zegt hij. 'Ze hebben in hogere mate onder de oorlog geleden dan hetero’s omdat er tegen hen extra repressieve maatregelen zijn genomen. Achteraf kun je zeggen dat het allemaal is meegevallen, maar dat is erg gemakkelijk. Het gaat erom hoe homo’s de bezetting hebben ervaren, niet om de cijfers. Om het leed van verschillende groepen langs een meetlat te leggen, is academische flauwekul. De vervolging van homo’s zal minder ingrijpend zijn geweest dan die van joden en zigeuners. Maar je mag het ene kwaad niet tegen het andere kwaad wegstrepen.’
Karin Spaink beaamt dat. 'De schaal waarop joden werden vervolgd was vele malen groter dan de vervolging van homoseksuelen. Maar aan beide vervolgingen lag dezelfde gedachte ten grondslag: het idee dat je een bepaalde groep kunt onderscheiden van anderen, dat die groep niet deugt en dat je daar van alles mee mag doen. Dat dit bij joden in veel sterkere mate is gebeurd, doet niets af aan het feit dat het ook heel verkeerd is om dat bij andere groepen te doen.’
MAAR OOK DEZE conventionele wijsheid ligt onder vuur. Volgens historicus Pieter Koenders streefden de nazi’s niet dezelfde doelen na in hun politiek ten aanzien van respectievelijk joden en homo’s. Hij gebruikte in zijn studie Homoseksualiteit in bezet Nederland nog de term 'homovervolging’, maar spreekt nu liever van 'repressie van homoseksualiteit’. Koenders: 'Omdat homo’s niet zoals joden en zigeuners zijn te registreren op afkomst of geloof, besloten de nazi’s om niet homoseksuelen aan te pakken, maar homoseksualiteit. Een angstinboezemend systeem dat homoseksuele handelingen zwaar bestraft, levert meer resultaat op dan pogingen alle homo’s op te pakken, want die groep valt niet af te bakenen. Het uiteindelijke doel van het nazisme was de totale repressie van homoseksualiteit, niet het uitroeien van homoseksuelen.’
Al op 31 juli 1940 werd 'tegennatuurlijke ontucht’ tussen volwassen mannen door de Duitse bezetter in Nederland verboden. Er kwam een gevangenisstraf van vier jaar te staan op homoseksueel contact, terwijl dat in Nederland als sinds 1811 niet meer strafbaar was. Vervolgens werd hier het hele systeem van repressie gekopieerd zoals dat in Duitsland bestond. Alle homo’s die bij de politie bekend waren, werden centraal geregistreerd in Den Haag. Bij verschillende politiekorpsen werden speciale secties opgericht voor de bestrijding van homoseksualiteit. Een centrale inspectie van de politie hield toezicht op het beleid ten aanzien van homoseksueel gedrag 'en andere seksuele afwijkingen’. Het apparaat was er dus wel, maar vervolging bleef uit.
In Duitsland had dit repressiesysteem, waarbij de nationaal-socialisten de politie het werk lieten doen, vanuit de optiek van de nazi’s goed gefunctioneerd. Zo'n honderdduizend Duitsers werden in de jaren 1936-'39 aangeklaagd vanwege homoseksualiteit en de helft daarvan werd schuldig bevonden. Het grootste deel van de veroordeelden belandde in gevangenissen en tuchthuizen. Zo'n tienduizend mensen kwamen in concentratiekampen terecht, waarvan twee derde de oorlog niet overleefde.
In Nederland had dit systeem veel minder resultaat, omdat de Nederlandse politie onvoldoende was genazificeerd en zich ook in de loop van de oorlog niet liet nazificeren. Traditioneel besteedde de politie in Nederland weinig aandacht aan homo’s. 'Homosexueelen zijn niet de gevaarlijkste psychopaten’, stond al in 1925 in het Algemeen Nederlandsch Politieweekblad te lezen.
In januari 1941 klaagde de Generalkommissar belast met justitie dat het resultaat van het verbod op homoseksueel gedrag 'praktisch gleich Null’ was. Hij schreef aan de Obermedizinalrat dr. Reuter: 'Succesvolle bestrijding van homoseksualiteit is alleen mogelijk als van de kant van de Nederlandse politie het vereiste initiatief wordt genomen en niet slechts wordt gewacht op toevallige aanwijzingen. De voor een effectieve bestrijding absoluut noodzakelijke maatregelen, zoals onderzoek in ruimten die door homoseksuelen bezocht worden, controle van de zich daar bevindende personen, verhoor van homoprostitues, enzovoort, vereisen ervaring, vaardigheid en beroepstrots. Deze drie voorwaarden zijn echter bij de Nederlandse recherche op het gebied van homoseksualiteit niet vervuld.’ Een groot contrast met de bekende uitspraak van Eichmann over de deportaties van joden uit Nederland: 'Daar verliepen de transporten zo vlekkeloos dat het een lust was om naar te kijken.’
Uiteindelijk werden negentig mannen veroordeeld wegens homoseksuele handelingen. Zij moesten hun straf uitzitten in reguliere Nederlandse gevangenissen. Koenders heeft in zijn onderzoek slechts drie gevallen van naar Duitsland gedeporteerde homoseksuelen met zekerheid kunnen vaststellen. Hij meent dat het er in totaal niet meer dan enige tientallen kunnen zijn geweest. Het precieze aantal is niet meer te achterhalen omdat de nazi’s aan het eind van de oorlog een deel van hun archieven vernietigden. Bij deportaties was soms sprake van verzwarende omstandigheden, omdat de aangeklaagde homoseksueel contact had gehad met een Duitser. 'Die waren dus niet helemaal koosjer’, zegt Gert Hekma.
Terwijl de nazi’s homoseksuele activiteiten verboden, vergrootte de verduistering de mogelijkheden voor homoseksueel contact. Sommige getuigen zeggen dat het tijdens de oorlog dringen was bij de pisbakken. Een belangrijk deel van de homofiele mannen wist na de oorlog niet dat homoseksualiteit onder de Duitsers verboden was geweest. Niettemin ontstond al kort na de oorlog in de kleine kring van activisten rond het blad Levensrecht, voorloper van het COC, het idee dat homoseksuelen op ongeveer dezelfde schaal als de joden waren vervolgd. Koenders verklaart dit uit onwetendheid. Hekma oordeelt: 'Het leed van de oorlog werd gebruikt om maatschappelijke legitimiteit te krijgen. De strategie was: we hebben recht op tolerantie, want wij zijn ook oorlogsslachtoffers. Homo’s probeerden op het schip van de joden mee te varen.’
In bredere kring werd pas door de homo- emancipatiebeweging van de jaren zeventig op de vervolging van homo’s gewezen. Toen werd met getallen van twee- tot vierhonderdduizend slachtoffers gesmeten, cijfers die volstrekt uit de lucht waren gegrepen.
VANAF DE JAREN zeventig wordt de repressie van homo’s tijdens de Tweede Wereldoorlog vaak gekoppeld aan discriminatie vanwege seksuele geaardheid na de oorlog. Het Homo-monument is opgericht om de vervolging van homo’s en lesbiennes waar en wanneer dan ook te gedenken. 'Het gebeurt nog steeds dat mensen vanwege hun seksuele voorkeur worden vermoord’, zegt Karin Spaink. 'Als een flikker in het Vondelpark in elkaar wordt geslagen, hoe vreselijk het ook is, mag je dat niet gelijk stellen met het bestaan van vernietigingskampen. Maar het besef tot een kwetsbare groep te behoren, is blijven bestaan. In andere landen bestaat de vervolging nog steeds en die kan weer erger worden.’
'De nazi’s functioneerden geheel binnen de christelijke beschaving, die antihomoseksueel is’, zegt Koenders. 'Hun ideologie was een genazificeerde vorm van het christendom. Het is goed om de ernstigste consequentie van een antihomoseksuele cultuur als symbool te nemen voor alle vormen van repressie van homoseksueel handelen die er in de loop der eeuwen zijn geweest.’
Harry Oosterhuis is het daar niet mee eens. 'Om een soort eeuwigdurende samenzwering tegen homoseksuelen te veronderstellen, vind ik zo'n simplisme. De kranslegging op 4 mei suggereert een verband tussen de zogenaamde vervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog en andere vormen van onderdrukking. Ik betwijfel dat zeer. Natuurlijk hebben homo’s het voor en na de oorlog in Nederland moeilijk gehad. Maar dat is toch niet op een lijn te stellen met een extreem politiek systeem als het nazisme, dat met geweld allerlei doeleinden probeerde na te streven. In het Derde Rijk kwamen Duitse homo’s terecht in concentratiekampen, waar ze grote kans liepen om er niet levend uit te komen. Zulke vergaande maatregelen zijn voor en na de oorlog nooit genomen. Het is een vreemde kronkelredenering om te zeggen: de positie van Nederlandse homo’s tijdens de oorlog was ongeveer hetzelfde als daarvoor en daarna, dus het was heel erg. Ik zou zeggen: gelukkig was het dus in Nederland zo erg niet.’