De Europese crisis

Dringend gezocht: bedreiging

In de eerste veertig jaar van haar bestaan kon de Europese eenwording rekenen op consensus onder bijna alle Europeanen. Met dank aan de oorlog en de Russen. Door een te haastig ingezette monetaire unie begon het Europese project vanaf de jaren negentig te wankelen. Misschien kan de dreigende macht van China de Europeanen opnieuw binden.

Medium 08 05 10 euro klr

10 mei 1943: Duitse troepen verwoesten het getto van Warschau. Geconfronteerd met gewapend verzet van Pools-joodse strijders steken ze huis voor huis in de fik, waardoor sommige inwoners levend worden verbrand en anderen uit hun kelders worden verdreven. ‘Vandaag zijn in totaal 1183 joden levend gevangen genomen’, staat in het officiële rapport van SS-commandant Jürgen Stroop te lezen. ‘187 joden en bandieten zijn doodgeschoten. Een onbekend aantal joden en bandieten is vernietigd door het opblazen van bunkers. Het totale aantal joden dat tot nu toe is verwerkt is gestegen tot 52.683.’

Een appendix bij dit document omvat de inmiddels beroemd geworden foto van een doodsbang jongetje met een veel te grote pet, zijn handen omhoog stekend ten teken dat hij zich overgeeft. Marek Edelman, een van de weinige leiders van de opstand in het getto van Warschau die de oorlog heeft overleefd, besloot zijn onmiddellijk na de oorlog gepubliceerde memoires met de woorden: ‘Zij die in de strijd werden gedood, hadden tot het eind toe hun plicht vervuld, tot de laatste druppel bloed die in het trottoir werd gezogen… Wij, die niet zijn omgekomen, laten het aan jullie om de herinnering aan hen levend te houden – voor altijd.’

Precies zestig jaar later is het 10 mei 2003, een maand voordat Polen een referendum houdt over de vraag of het land zich bij de Europese Unie moet aansluiten. Op een bijeenkomst van de ‘ja’-campagne in Warschau staat op een banier in de Poolse nationale kleuren, rood en wit, te lezen: ‘We gaan naar Europa onder de Poolse vlag.’ Buiten het gerestaureerde koninklijk kasteel begint een koor van jonge meisjes in gele en blauwe T-shirts – verwijzend naar de gele sterren op een blauwe achtergrond van de Europese vlag – te zingen. Op de muziek van het officiële volkslied van de EU, dat afkomstig is uit het laatste gedeelte van de Negende Symfonie van Beethoven, zingen ze – in het Pools – de woorden van de Ode aan de vreugde van de Duitse dichter Friedrich Schiller. Spoedig zullen deze jonge Polen zich naar believen vrijwel onbeperkt over het hele continent kunnen bewegen, om te studeren, werken, zich ergens te vestigen, trouwen en alle voordelen van een genereuze Europese verzorgingsstaat te genieten – in Dublin, Madrid, Londen of Rome. ‘Een omarming voor miljoenen tegelijk! Een kus aan de hele wereld! Broeders, boven het uitspansel van de sterren moet wel een liefhebbende vader wonen!’

Om te begrijpen hoe een voorspelde crisis van de Europese Monetaire Unie zich kon ontwikkelen tot een existentiële crisis van het hele naoorlogse project van de Europese eenwording moet je het unieke pad onder ogen zien dat Europa heeft afgelegd van die ene 10de mei naar die andere. Zowel de herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog als de opofferingen die men zich moest getroosten tijdens de Koude Oorlog hebben ervoor gezorgd dat drie generaties Europeanen de vreedzame eenwording enthousiast omarmden. Dit was uniek in de Europese geschiedenis en kende zijn gelijke niet op enig ander continent. Maar het project nam al snel na de val van de Berlijnse Muur een verkeerde wending, toen de West-Europese leiders haastig koers gingen zetten naar een structureel zwakke monetaire unie.

Terwijl veel regeringen, ondernemingen en huishoudens onhoudbare schuldenlasten aan het opbouwen waren, zagen jonge Europeanen van Portugal tot Estland en van Finland tot Griekenland de vrede, vrijheid, welvaart en sociale zekerheid als iets vanzelfsprekends. Toen de zeepbel barstte, bleven velen bitter teleurgesteld achter. Dit leidde tot enorme verschillen tussen de ervaringen van de diverse landen. Nu de huidige crisis nog steeds niet is opgelost ontbreekt het Europa aan de drijvende krachten die het continent ooit hebben aangezet tot eenwording. Zelfs als een gedeelde angst voor de gevolgen van de ineenstorting van de eurozone haar voor het ergste zal behoeden, heeft Europa iets anders dan angst nodig om het weer tot het aantrekkelijke project te kunnen maken dat het een halve eeuw is geweest. Maar wat zou dat ‘iets’ kunnen zijn?

De herinnering aan de oorlog

Historici hebben vele factoren aangewezen die hebben bijgedragen tot het proces van Europese integratie, waaronder de vitale economische belangen van de Europese naties. Toch was de belangrijkste drijvende kracht op het hele continent de herinnering aan de oorlog. Onder degenen die in mei 2003 door de straten van Warschau liepen, bevond zich de bebaarde hoogleraar Bronislaw Geremek, die als tienjarig Pools-joods jongetje het getto van Warschau had zien branden. Het was geen toeval dat hij een van Polens vurigste pleitbezorgers van de Europese integratie werd – als leider van de Solidariteit-beweging, als minister van Buitenlandse Zaken van Polen en als lid van het Europees Parlement.

Het is een feit dat de overlevende uit het getto van Warschau, de nazisoldaat, de Britse officier, de Franse collaborateur, de Zweedse zakenman en de Slowaakse boer ieder een heel andere oorlog hadden meegemaakt. Toch klonk uit al hun kelen dezelfde gepassioneerde kreet: ‘Nooit weer!’ Ondanks alle verschillen in nationale en subnationale ervaringen binnen het zeer uiteenlopende continent, kon de historicus Tony Judt niettemin een geschiedenis van Europa over de zestig jaar tot 2005 in één woord samenvatten: ‘Postwar’ (‘Na de oorlog’). Meer dan in enig ander opzicht sloeg de favoriete slogan van de Europese Unie, ‘Eenheid in verscheidenheid’, wat dit aangaat de spijker op z’n kop. Deze herinneringen speelden een belangrijke rol voor de Britse Conservatieven – voor het merendeel veteranen uit de Tweede Wereldoorlog – die het Verenigd Koninkrijk in 1973 lieten toetreden tot de Europese Economische Gemeenschap, de voorloper van de Europese Unie. Maar bovenal motiveerden de persoonlijke ervaringen de continentale Europeanen, tot en met de Franse president François Mitterrand en de Duitse bondskanselier Helmut Kohl, die de Europese Unie van vandaag de dag hebben geschapen. In een gesprek dat ik na de Duitse eenwording met hem voerde, sprak Kohl een zin uit die ik nooit zal vergeten. ‘Besef je wel’, zei hij, ‘dat je hier tegenover de directe opvolger van Adolf Hitler zit?’ Als de eerste bondskanselier van een verenigd Duitsland na Hitler, zo legde hij uit, was hij zich diep bewust van zijn historische plicht om de zaken anders aan te pakken.

De Europese integratie is terecht omschreven als een project van de elites, maar de Europese volkeren deelden deze herinneringen. Als het project dreigde te mislukken, wat vele malen is gebeurd, was het antwoord van de elites de vlucht vooruit, hoe ingewikkeld ook. Tot de jaren negentig, toen de gewoonte zich begon te verspreiden om nationale referenda te houden over Europese verdragen, werd de Europeanen zelden rechtstreeks gevraagd of zij het eens waren met de gevonden oplossingen, ook al konden ze van tijd tot tijd de politici wel wegstemmen die de oplossingen gevonden hadden. Niettemin gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat het project van de Europese eenwording minstens veertig jaar lang kon rekenen op ten minste een passieve consensus onder het grootste deel van de Europeanen.

Die veertig jaar waren de jaren van de Koude Oorlog, het tweede conflict dat vorm gaf aan de EU. Van de jaren veertig tot en met de jaren zeventig was het voornaamste argument voor de integratie van West-Europa het pareren van de sovjetdreiging, die voor iedereen zichtbaar was in de aanwezigheid van het Rode Leger in Oost-Duitsland en het verdeelde Berlijn. Naast de herinneringen aan de door Europa zelf begane barbaarse wreedheden stonden er – om het zo te zeggen – nu dus ook ‘barbaren aan de poort’. De sovjetleiders, van Jozef Stalin tot en met Leonid Brezjnev, zouden postume medailles moeten krijgen voor hun verdiensten voor de Europese integratie.

De concurrentie uit de tijd van de Koude Oorlog verklaart voor een groot deel waarom de Verenigde Staten zoveel steun gaven aan de Europese eenwording, van het Marshallplan uit de jaren veertig tot de diplomatie rondom de Duitse hereniging en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1989/91.

Voor het deel van Europa dat zich achter het IJzeren Gordijn bevond – en door de Tsjechische schrijver Milan Kundera het ‘gekidnapte Westen’ werd genoemd – ging de wil om ‘naar Europa terug te keren’ hand in hand met de strijd voor nationale en individuele vrijheid. De toenemende welvaart in West-Europa oefende een magnetische aantrekkingskracht uit op degenen die dat zagen, met eigen ogen of op de westerse televisie. Het is historisch bedrog om te suggereren dat iets kan zijn veroorzaakt door een gebeurtenis die later heeft plaatsgevonden, maar iets wat pas in 1992 zou gebeuren heeft toch bijgedragen aan het uitbreken van de ‘fluwelen revoluties’ van 1989. Het jaar 1992, de deadline die de Europese Economische Gemeenschap zichzelf had gesteld voor de voltooiing van de gemeenschappelijke markt, leidde tot het urgente gevoel steeds verder achterop te zullen raken – niet alleen bij de volkeren van Oost-Europa, maar ook bij de hervormingsgezinde leiders van het sovjetblok, inclusief Michail Gorbatsjov.

Dit brengt ons bij de laatste grote drijvende kracht achter de Europese integratie, tot de jaren negentig: West-Duitsland. De West-Duitsers, zowel de elites als een groot deel van de bevolking, legden een uitzonderlijke toewijding aan de Europese integratie aan de dag. Zij deden dit om twee heel goede redenen: omdat ze het wilden en omdat ze wel moesten. Ze wilden aantonen dat Duitsland had geleerd van zijn verschrikkelijke geschiedenis van vóór 1945 en wilden zichzelf volledig rehabiliteren in een Europese gemeenschap van waarden, zelfs als dat betekende dat het land een groot deel van zijn soevereiniteit en zijn nationale identiteit zou moeten inleveren. Nadat ze de slechtste Europeanen waren geweest, wilden de Duitsers nu graag de beste worden. (Een grapje uit die tijd was dat als iemand zichzelf voorstelde als een ‘Europeaan’ je onmiddellijk wist dat je met een Duitser te maken had.)

Maar ze hadden ook een duidelijk nationaal belang bij het demonstreren van deze Europese toewijding, want alleen door het herwinnen van het vertrouwen van hun buren en internationale partners (inclusief de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie) konden ze het langetermijndoel van een Duitse hereniging verwezenlijken. Zoals Hans-Dietrich Genscher, de vroegere minister van Buitenlandse Zaken van Duitsland, ooit heeft opgemerkt: ‘Hoe Europeser ons buitenlands beleid is, des te nationaler het is.’ De West-Duitse Europa-gezindheid was niet louter instrumenteel – want ze weerspiegelde een echte morele en emotionele betrokkenheid – maar ook niet puur idealistisch.

Nadat de twee Duitse staten in 1990 waren herenigd, vroegen veel waarnemers zich af of het feitelijk groter geworden West-Duitsland nu nog wel zou willen vasthouden aan deze buitengewone toewijding aan de Europese integratie. Lang voordat de crisis in de eurozone uitbrak, was het antwoord al zonneklaar. Het herenigde Duitsland was geworden wat sommige deelnemers aan het ‘post-Muur-debat’ een ‘gewone natiestaat’ hebben genoemd – een ‘tweede Frankrijk’, in de treffende woorden van analist Dominique Moïsi. Net als Frankrijk zou het nieuwe Duitsland zijn nationale belangen waar en wanneer dat maar mogelijk was via Europa nastreven, maar als het nodig was op eigen houtje – zoals dat bijvoorbeeld gebeurde toen het zijn energiebehoeften in een ‘bilateraaltje’ met Rusland veiligstelde, door middel van de overeenkomst over de Nord Stream-pijpleiding uit 2005. De Duitse leiders, die zich tegenwoordig in Berlijn ophouden en niet langer in Bonn, proberen nog steeds goede Europeanen te zijn, maar trekken nu niet meer zo snel hun chequeboek als Europa roept.

De geboorte van een misvormde unie

De onmiddellijke oorzaken voor de misvormde muntunie die het epi­centrum vormt van de huidige Europese crisis liggen eveneens in het stormachtige moment van de Duitse hereniging en de nasleep daarvan. Na de val van de Berlijnse Muur op 9 november 1989 oefende Mitterrand, gealarmeerd door het vooruitzicht van een Duitse hereniging, veel druk uit op Kohl om hem vast te pinnen op een tijdschema voor wat toen nog de ‘economische en monetaire unie’ heette. Dat voorstel was al uitgewerkt om de Europese Economische Gemeenschap te helpen zijn gemeenschappelijke markt te voltooien en het probleem aan te pakken van het onder controle houden van de wisselkoersen binnen die markt. De algemene doelstelling van Mitterrand was het binden van het verenigde Duitsland – als die twee Duitslanden dan inderdaad verenigd moesten worden – in een verenigder Europa; zijn specifieke doelstelling was om Frankrijk meer controle te laten krijgen over zijn eigen munt en zelfs enige hefboomkracht op de Duitse munt te laten ontwikkelen.

In een opmerkelijk gesprek met Genscher, de West-Duitse minister van Buitenlandse Zaken, op 30 november 1989, ging Mitterrand zelfs zo ver om te zeggen dat als Duitsland zich niet aan de Europese monetaire unie zou committeren, ‘we naar de wereld van 1913 zullen terugkeren’. Ondertussen stookte Mitterrand de Britse premier Margaret Thatcher op om de alarmbel te luiden alsof het 1938 was. Volgens een Brits verslag van hun privé-gesprek tijdens de cruciale topconferentie van Europese leiders in Straatsburg in december 1989 zei Mitterrand dat ‘hij bang was dat hij en de premier zich straks in dezelfde positie zouden bevinden als hun voorgangers in de jaren dertig, die niet hadden gereageerd op de voortdurende druk naar voren van de Duitsers’.

David Marsh, de beste kroniekschrijver van de geschiedenis van de euro, concludeert dat de ‘cruciale deal’ om door te gaan met de monetaire unie in Straatsburg werd bereikt. Er volgden harde onderhandelingen, en twee jaar later werd een verdrag overeengekomen in Maastricht, waarin de basisvoorwaarden werden uiteengezet voor wat nu de eurozone is. Het is te simplistisch om dit als een regelrechte ruilhandel te kenschetsen: ‘Heel Duitsland voor Kohl, en de halve D-mark voor Mitterrand’, zoals een grappenmaker destijds zei. Maar de Duitse wens om zijn nauwste Europese bondgenoten – en vooral Frankrijk – zijn nationale hereniging te laten steunen, oefende een beslissende invloed uit op het tijdschema en het ontwerp van de Europese monetaire unie.

Zeker, Kohl was een zeer toegewijd Europeaan. Hij werd nooit moe te herhalen dat de Duitse en de Europese eenwording ‘twee zijden van dezelfde munt waren’. Daarom had hij, zo zei hij drie dagen na de top van Straatsburg tegen de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken James Baker, nu zelfs ingestemd met een Europese monetaire unie. Welk krachtiger bewijs was er mogelijk voor de Duitse Europese geloofs­brieven? Kohl ‘nam dat besluit tegen de Duitse belangen in’, aldus de Duitse notulen van deze ontmoeting. ‘De president van de Bundesbank was bijvoorbeeld tegen de huidige ontwikkeling. Maar de stap was politiek belangrijk, omdat Duitsland vrienden nodig had.’ En dat is nu eenmaal zo als je probeert Duitsland zonder bloed en ijzer te verenigen.

Medium 89 kohl mitterrand

Het ontwerp van de hieruit voortgekomen monetaire unie kan, zoals zo veel andere zaken in de geschiedenis van de Europese integratie, worden beschouwd als een Frans-Duits compromis. Op aandringen van Duitsland, en vooral van de Bundesbank, werd de Europese Centrale Bank een Bundesbank in het groot. Anders dan in de Franse traditie was ze onafhankelijk en met protestants elan toegewijd aan de enige echte god van de prijsstabiliteit (om te voorkomen dat de nachtmerrie van de hyperinflatie uit de tijd van de Weimarrepubliek zou terugkeren). De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Kohl wilde dat de monetaire unie zou worden gecompleteerd door een begrotingsunie en een politieke unie, zodat er controle kon worden uitgeoefend op de overheidsuitgaven en het economisch beleid tussen de staten kon worden gecoördineerd, en de hele onderneming een betere politieke legitimatie zou krijgen. ‘Een politieke unie is de cruciale tegenhanger van een economische en monetaire unie’, zei hij in november 1991 tegen de Bondsdag. ‘Uit de recente geschiedenis, niet alleen de Duitse, blijkt dat het op de langere termijn absurd is te denken dat je een economische en monetaire unie kunt scheppen zonder een politieke unie.’

Maar Frankrijk wilde hier niets van weten. Voor dat land was het belangrijkste dat het enige greep kreeg op de Duitse munt, en niet dat Duitsland greep kreeg op de Franse begroting. De discussie over een begrotingsunie leidde uiteindelijk tot een reeks ‘convergentiecriteria’, die van kandidaatleden van de monetaire unie eiste dat ze hun staatsschuld onder de zestig procent van het bbp hielden en hun begrotingstekort onder de drie procent.

Op deze manier werd in de ‘Sturm und Drang’ van de grootste geo­politieke verandering in Europa sinds 1945 een ziekelijk kind verwekt. De meeste Duitsers waren ertegen gekant hun geliefde D-mark op te geven. Maar hun werd niets gevraagd; de West-Duitse grondwet voorzag niet in referenda, en Kohl was niet van plan dit te veranderen. Alexandre Lamfalussy, het hoofd van het Europese Monetaire Instituut, de voorganger van de Europese Centrale Bank, herinnerde zich later dat hij tegen hem zei: ‘Ik weet niet hoe je de Duitsers zo ver wilt krijgen dat ze de D-mark opgeven.’ Kohl antwoordde toen: ‘Het zal toch gebeuren. De Duitsers aanvaarden sterk leiderschap.’

In Frankrijk werd het Verdrag van Maastricht bij een referendum in september 1992 met de kleinst mogelijke meerderheid goedgekeurd. De passieve consensus over verdere stappen in het Europese integratie­proces, die de nationale soevereiniteit steeds verder zouden uithollen, begon zelfs in de kernlanden van het naoorlogse project ineen te storten.

Een aangekondigde crisis

Met een dankbetuiging aan Gabriel García Márquez zou een geschiedenis van de Europese monetaire unie een ‘Kroniek van een Aangekondigde Crisis’ kunnen worden genoemd. Tegen de tijd dat de elf lidstaten van de eurozone zich erop aan het voorbereiden waren om op 1 januari 1999 de gemeenschappelijke munt in te voeren, waren de meeste problemen die de euro tien jaar later parten zouden spelen al voorspeld.

Critici vroegen zich destijds af hoe een gemeenschappelijke munt zou kunnen functioneren zonder gemeenschappelijk ministerie van Financiën, hoe één uniform rentetarief voor zo’n uiteenlopende groep economieën zou kunnen gelden, en hoe de eurozone economische schokken zou moeten opvangen die van regio tot regio zouden verschillen – wat economen ‘asymmetrische schokken’ noemen. Want Europa kende noch de arbeidsmobiliteit noch het niveau aan begrotingsoverdracht tussen de afzonderlijke staten die de Verenigde Staten kenmerkten.

‘Sinds 1989 hebben we gezien hoe weigerachtig de West-Duitse belastingbetalers zijn geweest om zelfs maar voor hun landgenoten in het Oosten te betalen’, schreef ik in 1998. ‘Verwachten we nou echt dat ze nu wel willen gaan betalen voor de Franse werklozen?’ Verwijzend naar het wijdverbreide inzicht dat de monetaire unie vroeg of laat met een crisis zou worden geconfronteerd, en dat dit als een katalysator zou werken op de noodzakelijke politieke eenwording, waarschuwde ik: ‘Het is een werkelijk dialectische geloofssprong om te suggereren dat een crisis die de verschillen tussen Europese landen aanscherpt precies de juiste manier is om ze te verenigen.’

Ik moet daaraan toevoegen dat ik drie belangrijke factoren niet had voorzien. In de eerste plaats had ik niet verwacht dat het de monetaire unie zó lang voor de wind zou gaan. Bijna tien jaar leek de euro een sterke munt te zijn die zou kunnen concurreren met de dollar als een mondiale handels- en reservemunt. Voor ondernemingen nam hij het risico van wisselkoersschommelingen binnen de eurozone weg. Voor de rest van ons was het heerlijk om van het ene naar het andere einde van het continent te kunnen reizen zonder steeds geld te moeten wisselen. Als je naar Dublin, Madrid of Athene ging, zag je steden die bloeiden als nooit tevoren. Geen wonder dat die jonge Polen in 2003 Schillers Ode aan de vreugde zongen bij het vooruitzicht om zich bij de gelukkige Ieren, Spanjaarden en Grieken te mogen aansluiten. En ik werd, net als anderen die sympathiek tegenover het project stonden, in slaap gewiegd door een vals gevoel van veiligheid.

Omdat de crisis later kwam dan oorspronkelijk werd verwacht, was hij uiteindelijk des te erger. In de loop van de tijd waren er enorme onevenwichtigheden ontstaan tussen de kernlanden uit Noord-Europa (vooral Duitsland) en de grotendeels Zuid-Europese periferielanden.

Zeker, de eerste schokken van de aardbeving kwamen van buiten Europa – van de Amerikaanse markt voor subprime-hypotheken. In die zin maken de problemen van de eurozone deel uit van een bredere crisis van het westerse financiële kapitalisme. Maar de tweede factor die we in de jaren negentig niet helemaal hadden voorzien was de mate waarin de eurozone zou zorgen voor haar eigen asymmetrische schokken. Terwijl Duitsland, dat nog steeds gebukt ging onder de financiële last van de Duitse hereniging, zijn arbeidskosten op indrukwekkende wijze omlaag wist te brengen, zijn overdrachtsuitgaven wist te beperken, en weer concurrerend wist te worden, lieten veel periferielanden hun arbeidskosten per eenheid juist stijgen. Terwijl Duitsland en een paar andere Noord-Europese landen vasthielden aan de begrotings­discipline en een gematigd schuldenniveau lieten veel periferielanden juist alle teugels vieren. Op sommige plekken, zoals in Griekenland, waren het de overheidsuitgaven die de pan uit rezen; op andere, zoals in Ierland en Spanje, waren het de particuliere bestedingen. Het ‘Sesam, open u!’ dat tot beide soorten excessen had geleid was hetzelfde: overheden, bedrijven en individuen konden geld lenen tegen een ongekend lage rente, dankzij de geloofwaardigheid van het lidmaatschap van de eurozone. In feite kon Griekenland, dat zich in 2001 met behulp van vervalste statistieken in de eurozone had genesteld, bijna lenen alsof het Duitsland was.

Toen Duitsland werd gevraagd deze landen te hulp te schieten, waren de Duitse kiezers begrijpelijkerwijs verontwaardigd. ‘Waarom zouden wij harder werken en nog later met pensioen gaan’, zo vroegen ze zich af, ‘als die roekeloze Grieken, Portugezen en Italianen eerder met pensioen kunnen en lekker op het strand kunnen gaan zitten?’ ‘Verkoop jullie eilanden maar, failliete Grieken’, snoefde Bild in oktober 2010.

De Duitsers hadden wel een punt: zij hadden zich opmerkelijk behoedzaam gedragen, terwijl de periferielanden het geld over de balk hadden gegooid. Maar dit verhaal kende ook een keerzijde. Het moment waarop het ‘Pact voor Stabiliteit en Groei’ (dat voor de eerder genoemde ­‘convergentiecriteria’ in de plaats was gekomen) tandeloos bleek te zijn, was het moment waarop Duitsland zelf, samen met Frankrijk, in 2003/04 de limiet voor het begrotingstekort van drie procent van het bbp overschreed. De boetes die in het Pact waren voorzien werden niet eens opgelegd.

Medium 23 05 05 balkenende klr

Bovendien had Duitsland het voor een deel juist zo goed gedaan omdat het de periferielanden zo slecht verging. De landen uit de periferie van de eurozone konden niet langer met Duitsland op het niveau van de prijzen concurreren door hun eigen munten te devalueren, en een deel van hun extra bestedingen verdween in de aankoop van nóg meer bmw’s en wasmachines van Bosch. De euro stelde Duitse exporteurs ook in staat hun goederen concurrerender te verkopen op markten als die van China. (In een studie van Nathan Sheets en Robert Sockin van Citigroup wordt geschat dat de lagere wisselkoers van Duitsland, dankzij de euro, het overschot op de Duitse handelsbalans jaarlijks met ongeveer drie procent van het bbp heeft verhoogd.) Zoals de econoom Martin Feldstein opmerkte in Foreign Affairs was het handelsoverschot van Duitsland van tweehonderd miljard dollar in 2011 ongeveer even groot als het gezamenlijke handelstekort van de rest van de eurozone. Duitsland was voor Europa wat China voor de wereld is geworden: het exportland dat afhankelijk is van de consumptie van anderen.

Bovendien hebben Duitsland en andere Noord-Europese landen met overschotten op hun betalingsbalans deze overschotten gedeeltelijk gerecycled door kredieten te verstrekken aan de Grieken, Ieren, Portugezen en Spanjaarden. Dus toen Duitsland de periferielanden van de eurozone te hulp schoot, hielp het ook zijn eigen banken.

De derde factor die weinigen in de jaren negentig hadden voorzien was de steeds groter wordende omvang, snelheid en dwaasheid van de mondiale financiële markten. Het meest buitensporig was dat de obligatie­markten aan de toenemende onevenwichtigheid bijdroegen door het risico op staatsbankroeten in het algemeen verkeerd in te schatten, en de verschillen tussen de risico’s van de individuele lidstaten van de eurozone in het bijzonder. Ondanks de aanwezigheid van een clausule in het Verdrag van Maastricht die steunoperaties verbood, gedroegen obligatie­handelaren zich alsof de risico’s van kredieten voor de regeringen van Griekenland of Portugal slechts een fractie groter waren dan de risico’s van het lenen van geld aan Duitsland of Nederland.

Toen het geloof in de soliditeit van de eurozone al snel na de tiende verjaardag begon in te storten, bewogen de markten zich naar het andere uiterste. Steeds opnieuw straften zij de halve maatregelen waarmee de leiders van de eurozone kwamen af door de rente op staatsobligaties van probleemlanden te laten stijgen, zodat het ene na het andere land zijn leenkosten zag oplopen. Als de rente vijf tot acht procent bedraagt, wordt het voor een regering heel moeilijk haar schulden af te betalen, ondanks de meest voorbeeldige begrotingsdiscipline en structurele hervormingen. Er was een grens aan wat zelfs de meest verstandige en verantwoordelijke leiders, zoals de Italiaanse premier Mario Monti, van hun eigen volk konden vragen.

De niet goed functionerende driehoek van Europa

Europa zit nu structureel gevangen in een niet goed functionerende driehoek, bestaande uit het nationale beleid, het Europese beleid en de mondiale markten. Vanaf het moment dat de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal in 1951 werd opgericht heeft het integratieproces zich voltrokken via de ontwikkeling van een gemeenschappelijk Europees beleid op het gebied van de landbouw, de visserij en de handel, tot en met de formulering van het monetair beleid. De democratische politiek van de EU heeft echter hardnekkig een nationaal karakter behouden.

Terwijl de spanningen onder de uiterlijk kalme korst van de eurozone langzamerhand een kookpunt bereikten, hebben de Europese leiders een groot deel van het eerste decennium van deze eeuw besteed aan ambitieuze pogingen om een ‘grondwet’ voor Europa te schrijven. Om tegelijkertijd ruimte te scheppen voor een verdieping van de EU via een monetaire unie en een verbreding ervan door de historische uitbreiding met de Oost-Europese landen stelden zij een nieuwe reeks institutionele regelingen voor met betrekking tot de (sinds 2007) 27 lidstaten van de EU en hun vijfhonderd miljoen inwoners. Maar bij referenda wezen de kiezers in Frankrijk en Nederland zelfs een sterk verwaterde versie van deze verheven plannen af. ‘De landen willen niet’, luidde het commentaar van Geremek, de gepassioneerde maar realistische Europeaan, kort voordat hij in 2008 overleed.

De berg baarde dus opnieuw een muis. Het Verdrag van Lissabon, dat in 2009 van kracht werd, gaf meer bevoegdheden aan het rechtstreeks gekozen Europees Parlement. Maar het besluitvormingsproces in de hedendaagse EU bestaat nog steeds vooral uit nationale politici die in Brussel achter gesloten deuren deals sluiten. En de politieke omstandigheden en de media waarmee deze politici rekening houden zijn nationaal, niet Europees. Er zijn wel Europese politieke groeperingen, die zijn gebaseerd op de in het Europees Parlement vertegenwoordigde partijen, maar er is geen werkelijk Europese politiek. De gemiddelde opkomst bij verkiezingen voor het Europees Parlement is iedere keer gedaald sinds in 1979 rechtstreekse verkiezingen werden ingevoerd. Hoewel er wel een paar goede Europese media zijn, bekeken en gelezen door de happy few, bestaat er geen bredere Europese publieke opinie.

De Franse historicus Ernest Renan heeft gezegd dat een natie ‘een iedere dag gehouden plebisciet’ is. In de huidige EU worden vrijwel iedere dag verkiezingen gehouden, maar dit zijn nationale verkiezingen, gevoerd in verschillende talen en in de nationale media. In de verkiezings­campagnes duiken steeds meer partijen op die de problemen van hun land wijten aan andere Europese landen, of aan de EU zelf, of aan beide. Tegelijkertijd hebben de paniekerige mondiale markten onmiddellijk invloed op zowel het Europees beleid als de nationale politiek. Nu steeds meer landen merken dat hun kredietwaardigheid achteruitgaat en de leen­kosten de pan uit rijzen, beven de regeringen als rietjes en roepen ze steeds weer nieuwe topconferenties bijeen in Brussel. Terwijl die vergaderingen vaak voortduren tot in de kleine uurtjes voelen de uitgeputte nationale leiders zich verscheurd tussen hun angst voor wat de markten zullen doen als de handel de volgende morgen opengaat en hun angst voor wat hun nationale media, coalitiepartners, parlementen en kiezers met hen zullen doen als ze weer thuiskomen.

Zodra zo’n bijeenkomst ten einde is, stormt iedere afzonderlijke leider de vergaderzaal uit om zijn of haar eigen nationale media in te lichten, zodat er iedere keer niet slechts één versie is van een Europese top, maar 27 verschillende – plus een 28ste, het onwaarschijnlijk op verzoening gerichte conclaaf dat ons wordt voorgespiegeld door de institutionele hoofden van de EU zelf. Dit is Europa’s politieke Rashomon, met 28 tegengestelde versies van steeds weer dezelfde gebeurtenis, in 23 talen. Dit is een merkwaardige manier om een continent te besturen.

De ontbrekende ingrediënten

De Europese monetaire unie was een brug te ver – niet in de zin van een brug die nooit had mogen worden overgestoken, maar van een brug waarbij dat te snel is gebeurd, nog voordat Europa strategisch in staat was om hem te verdedigen. Zeker, het zou ook een lastige klus zijn geweest nog een decennium of twee door te modderen met een systeem van vaste marges waarbinnen de wisselkoersen mochten fluctueren – het zogenoemde ‘Exchange Rate Mechanism’ of esm. Maar het is moeilijk het niet eens te zijn met het retrospectieve oordeel van economisch commentator Martin Wolf: ‘Bedenk eens hoeveel beter af Europa geweest zou zijn als dat wisselkoerssysteem nog had bestaan, met ruime marges.’

We moeten ook kijken naar andere wegen die niet zijn bewandeld. Wat zou er zijn gebeurd als Europa, in plaats van de euro in te voeren, zijn nog steeds niet volmaakte gemeenschappelijke markt had verdiept? Wat zou er zijn gebeurd als de hele EU zich had geconcentreerd op het verbeteren van haar concurrentiekracht, zoals Duitsland dat op zo’n indrukwekkende wijze had gedaan, en niet alleen maar lippendienst had bewezen aan dit doel, in een catalogus van goede bedoelingen, de ‘Lissabon-agenda’ genaamd? Wat zou er zijn gebeurd als het deze periode had benut om een effectiever buitenlands beleid te ontwikkelen? Maar berouw heeft weinig zin. In een oud en inmiddels politiek incorrect Engels grapje komt een Amerikaans echtpaar bij een kruispunt op het Ierse platteland, waar het een in tweed geklede boer de weg vraagt naar Tipperary. ‘Als ik u was’, zegt de Ier, ‘zou ik dit niet als startpunt nemen.’ Maar ‘dit’ is wel waar we nu zijn aangeland.

Medium 23 05 05 balkenende klr

Eind juni dit jaar hield de EU weer eens een topconferentie ‘om de euro te redden’ – zo ongeveer de negentiende van de crisis. Duitsland zei te zullen accepteren dat speciale Europese fondsen zouden worden ingezet om noodlijdende Spaanse banken te helpen, en de lidstaten van de eurozone besloten een gemeenschappelijke toezichthouder op het bankwezen in het leven te roepen, onder leiding van de Europese Centrale Bank. Hoewel niemand het heeft opgemerkt, bracht het communiqué van de topconferentie ook de nuttige zaken in herinnering die de EU blijft bewerkstelligen. De Europese leiders hebben bijvoorbeeld overeenstemming bereikt over een uniform Europees patentsysteem, waardoor de patentkosten van Europese ondernemingen naar verwachting met wel tachtig procent omlaag zullen gaan. Ze besloten ook toetredingsonderhandelingen te beginnen met Montenegro, een onafhankelijke staat die nog maar dertien jaar geleden verwikkeld was in de oorlog in het voormalige Joegoslavië.

Op het moment dat ik dit schrijf weet niemand hoe het verhaal van de euro zal aflopen. Tot de mogelijkheden behoren een volledige, wanordelijke ineenstorting van de eurozone, een aanhoudend voortmodderen, en – het meest optimistisch – een systematische consolidatie tot een echte begrotingsunie en een politieke unie. Maar zelfs als de eurozone erin slaagt naar een politieke unie toe te kruipen, zal zij nog steeds de solidariteit onder haar burgers moeten zien te verwezenlijken die nodig is als fundament hiervan – een mate van Europees patriottisme die nog niet bestaat. Een andere open vraag is hoe een dieper verenigde kern van de eurozone, die zowel crediteuren- als debiteurenlanden met zeer uiteenlopende perspectieven zou omvatten, zich institutioneel en politiek zou verhouden tot de lidstaten van de EU die niet tot de eurozone behoren, zoals het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Polen.

Volgens een analyse van onderzoekers van ing zou een volledige ineenstorting van de eurozone ertoe kunnen leiden dat het bbp van alle toonaangevende Europese economieën, inclusief Duitsland, in twee jaar met ruim tien procent zou dalen. Boven op de ontberingen die nu al zijn doorstaan zou dit kunnen leiden tot een gevaarlijke politieke radicalisering. (Anders dan in de jaren dertig is een dergelijke radicalisering, zowel naar extreem links als naar extreem rechts, opmerkelijk beperkt gebleven, zelfs in Griekenland – een lofzang op de veerkracht van de hedendaagse Europese democratieën.) Maar zelfs als de eurozone uiteenvalt, zal er nog steeds een plek zijn die Europa heet, en waarschijnlijk ook een reeks instellingen, genaamd de Europese Unie. De Europeanen zullen dan ook voor een nieuwe, zij het bekend historische uitdaging komen te staan: zichzelf uit het moeras trekken en de wederopbouw ter hand nemen.

De crisis van vandaag is de grootste beproeving voor wat de ‘Monnet-methode’ van de eenwording wordt genoemd – naar Jean Monnet, een van de grondleggers van de Europese integratie. Monnet stelde voor telkens kleine stapjes voorwaarts te zetten, met technocratische maatregelen op het gebied van de economische integratie, in de hoop dat deze zouden leiden tot politieke eenwording – niet in de laatste plaats via momenten van crisis. ‘Crises zijn de grote éénmaker!’ riep hij ooit uit. Toch hebben crises in de eerste veertig jaar van de Europese integratie de Europese landen soms naar elkaar toe getrokken, maar soms ook niet. Als ze eerder de eenheid dan de verdeeldheid bevorderden, dan was dat grotendeels te danken aan de herinneringen aan de oorlog en de imperatieven van de Koude Oorlog. Wat is nu de drijvende kracht achter de integratie? Laten we nog eens door de lijst heen lopen.

Een gemeenschappelijke markt van vijfhonderd miljoen consumenten blijft een sterke economische aantrekkingskracht uitoefenen op de meeste Europese landen. Maar het is niet meer zo duidelijk als voorheen dat Europa haar burgers een gestaag toenemende voorspoed en welvaart bezorgt. Exporterende landen, vooral Duitsland, en mondiale dienstenleveranciers, zoals het Verenigd Koninkrijk, kijken steeds vaker naar de opkomende landen, waar de groei is.

Anders dan tijdens de Koude Oorlog bevindt zich geen duidelijke externe dreiging in de voortuin van Europa. Hoe graag hij het ook zou willen, Vladimir Poetin kan niet in de schaduw staan van Stalin, zelfs niet van Brezjnev. Zou China deze rol dan kunnen vervullen? Zonder China als vijand te willen stigmatiseren is het meest dwingende motief voor de Europese eenwording inderdaad de opkomst van niet-westerse grootmachten: vooral China, maar ook India, Brazilië en Zuid-Afrika.

Je kunt niet zomaar extrapoleren van huidige economische en demografische ontwikkelingen, maar in iedere waarschijnlijke wereld van 2030 zal zelfs Duitsland een kleine tot middelgrote macht geworden zijn. De enige effectieve manier om de vrijheden van de Europeanen te verdedigen en hun gemeenschappelijke belangen te bevorderen is samen optreden en met één stem spreken. In intellectueel opzicht is dit een overtuigend argument. Maar emotioneel – om een breder publiek mee te krijgen – kan het niet opboksen tegen de zichtbare aanwezigheid van het Rode Leger in het hart van Europa.

Als Rusland niet langer als externe dreiging kan worden opgevoerd, spelen de Verenigde Staten niet langer de rol van actieve externe steunpilaar. Al in 2001 kon de Amerikaanse president George W. Bush in een privé-gesprek vragen: ‘Willen we echt dat de Europese Unie een succes wordt?’ Een deel van zijn kabinet was, althans tijdens zijn eerste ambtstermijn, geneigd ‘nee’ te zeggen. President Barack Obama zou beslist ‘ja’ antwoorden, maar totdat de crisis in de eurozone de Amerikaanse economie – en daarmee zijn herverkiezingskansen – begon te bedreigen, was het nauwelijks een prioriteit. Zijn regering heeft Europa genomen zoals het was en is op pragmatische wijze met Brussel of met individuele landen omgegaan. De geopolitieke focus lag op China en Azië in het algemeen, en niet op Rusland en Europa.

Het is denkbaar dat de houding van de Verenigde Staten zal veranderen als China werkelijk zal worden gezien als de nieuwe Sovjet-Unie, een mondiale geopolitieke bedreiging voor het Westen. Eén van de opties voor Washington zou dan kunnen zijn een nauwer strategisch bondgenootschap na te streven met een meer verenigd Europa, inclusief – bijvoorbeeld – een transatlantische vrijhandelszone. Het oude Europa en haar neven aan gene zijde van de oceaan zouden dan toewerken naar wat de vroegere Franse premier Édouard Balladur zich had voorgesteld als een ‘Unie van het Westen’. Maar op dit moment zijn er weinigen die deze kant op denken. De Verenigde Staten en Europa proberen eerder ieder afzonderlijk tot een gespannen vergelijk met China te komen.

Een andere vroegere motor van de integratie, de verlangens van de Oost-Europeanen, heeft ook vandaag nog wel wat kracht. De herinneringen van de Oost-Europeanen aan dictatuur, ontberingen en oorlog zijn van recentere aard dan die van de meeste andere Europeanen. Velen waarderen de nieuwe vrijheden die zij in de EU genieten; voor sommigen is het feit dat ze nu tot dezelfde club behoren als de West-Europeanen de verwezenlijking van een eeuwenoude droom. Een Poolse econoom legt op de volgende manier uit waarom Polen zich nog steeds graag bij de eurozone wil aansluiten: ‘We willen aan boord van het schip zijn, zelfs als het zinkt!’ Uiteraard zouden ze liever zien dat het schip blijft drijven. Vorig jaar merkte de Poolse minister van Buitenlandse Zaken, Radoslaw Sikorski, in een toespraak in Berlijn op: ‘Ik zal waarschijnlijk de eerste Poolse minister van Buitenlandse Zaken in de geschiedenis zijn die dit zegt, maar hier is het dan: ik ben minder bang voor de Duitse macht dan dat ik bang ben voor de Duitse inactiviteit.’

Europees Duitsland, Duits Europa

Duitsland is de sleutel tot de toekomst van Europa, zoals het dat op een of andere manier al minstens een eeuw lang is geweest. Op dit punt is de ironie van de onbedoelde gevolgen bijzonder acuut. Als Kohl de eerste bondskanselier van een verenigd Duitsland was sinds Hitler is François Hollande de eerste socialistische president van Frankrijk sinds Mitterrand – en het is de erfenis van Mitterrand waarmee hij te kampen heeft. De monetaire unie, de methode waarmee Mitterrand een verenigd Duitsland op zijn geëigende plek wilde houden – als medebestuurder met Frankrijk, maar nog steeds ondergeschikt – is geëindigd met Duitsland aan het stuur en Frankrijk als een geïrriteerde echtgenoot die in de bijrijdersstoel heen en weer schuift.

Ten tijde van de Duitse hereniging werden Duitse politici niet moe hun doel te omschrijven in de nauwkeurig gekozen woorden van de schrijver Thomas Mann: ‘Niet een Duits Europa, maar een Europees Duitsland!’ Wat we vandaag echter zien is een Europees Duitsland ín een Duits Europa. Dit Duitsland is een voorbeeldig Europees land: beschaafd, democratisch, humaan, zich aan de wet houdend en (hoewel Mann dit niet zal hebben bedoeld) heel goed in voetbal. Maar de ‘Berlijnse Republiek’ bevindt zich eveneens in het centrum van een Duits Europa. Als het op de politieke economie aankomt, trekt Duitsland aan de touwtjes (hoewel niet op het terrein van de buitenlandse politiek en het defensiebeleid, waar Frankrijk en Engeland belangrijker zijn.) Dit is niet een rol die Duitsland bewust heeft opgezocht; het leiderschap is het land opgedrongen.

Bovendien, als de noodzaak om steun te verwerven voor de Duitse hereniging Kohl ertoe heeft gedreven een Europese monetaire unie met een strak tijdschema te aanvaarden, en zonder de politieke unie waarvan hij dacht dat die nodig was ter ondersteuning daarvan, dan heeft de Duitse hereniging de Duitse houding tegenover het Europese project veranderd. Dezelfde reeks nauw met elkaar verbonden historische ontwikkelingen die nu, twintig jaar later, de noodzaak heeft voortgebracht van een bijzondere Duitse bijdrage aan Europa heeft in de tussentijd zowel het idealistische verlangen van het land veranderd als de instrumentele behoefte om die bijdrage te verlenen.

Als hij nog steeds bondskanselier zou zijn, zou Kohl er beslist op hebben gestaan dat de euro zou moeten worden gered door beslissende stappen in de richting van een politieke unie. Merkel en haar omgeving hebben heel anders gereageerd en met tegenzin het minste gedaan wat nodig was om een ineenstorting te voorkomen. De bescheiden en zich in heldere bewoordingen uitende Merkel is in veel opzichten de personificatie van de burgerlijke, moderne Europese deugden van dit nieuwe Duitsland. Ze is ook een briljante en meedogenloze binnenlands-politieke tacticus. Wat haar persoonlijke overtuigingen ook mogen zijn, ze weet dat ze te maken heeft met wat de vier B’s genoemd kunnen worden: de Bondsdag (het lagerhuis van het Duitse parlement, waaruit de meest pro-Europese politici voor het merendeel naar het Europees Parlement zijn overgestapt – nog een onbedoeld gevolg van die goedbedoelde instelling), het Bundesverfassungsgericht (het grondwettelijk hof van het land, dat na 1945 bewust werd opgericht om een op Amerikaanse leest geschoeide extra controle op de macht van de leider te kunnen uitoefenen), de Bundesbank (nog steeds zeer invloedrijk in de Duitse discussie), en de populistische tabloid Bild.

Veel Duitsers haten het idee de Grieken en Spanjaarden te hulp te moeten schieten. Ze brengen in herinnering dat ze niets te zeggen hadden over het besluit van Kohl om de D-mark op te geven. Bij een opiniepeiling in mei 2012 gaf niet minder dan 49 procent van de respondenten te kennen dat het een vergissing was geweest om de euro in te voeren. Tot nu toe zijn de voordelen die de euro heeft opgeleverd niet goed uitgelegd. Toch is dit Europese Duitsland een vrij land, dat open staat voor argumenten. Sommigen proberen daar nu ook op in te spelen.

Herinnering, angst en hoop

De grootste drijvende kracht achter het Europese project sinds 1945, de persoonlijke herinnering aan de oorlog, is verdwenen. Waar de individuele herinnering vervaagt, moet de collectieve herinnering haar intrede doen, indachtig de oproep van Edelman: ‘Wij, die niet zijn omgekomen, laten het aan jullie om de herinnering aan hen levend te houden – voor altijd.’ Toch is onder de meeste jonge Europeanen het bewustzijn van de gekwelde geschiedenis van hun continent mager. Hun vormende ­ervaringen hebben zij ondergaan in een Europa van vrede, vrijheid en voorspoed. Zelfs jongere Oost-Europeanen uit een land als Estland, dat 22 jaar geleden nog niet eens op de kaart stond, beschouwen deze zwaarbevochten verworvenheden als vanzelfsprekend. In deze zin is het diepste onderliggende probleem van het Europese project het probleem van het succes.

De afgelopen tien jaar hebben Europese volkeren, die vroeger altijd dachten dat ze naar de periferie van Europa verwezen werden, het gevoel gehad dat ze eindelijk tot de kern waren toegelaten. Oost-Europeanen sloten zich aan bij de EU. Zuid-Europeanen dachten dat ze het eindelijk goed kregen in de eurozone. In Athene, Lissabon en Madrid bestond het gevoel dat de Europese samenlevingen werkelijk op een gelijkwaardig niveau waren uitgekomen.

Die illusie is nu met de grond gelijk gemaakt. In Griekenland staan de daklozen in de rij voor de gaarkeukens, plegen ouden van dagen zelfmoord, kunnen de zieken niet aan voorgeschreven medicijnen komen, worden winkels dichtgetimmerd en scharrelen zwervers door het afval – omstandigheden die bijna aan de jaren veertig doen denken. In Spanje is de helft van de jongeren onder de 25 werkloos; in de hele eurozone ligt het gemiddelde bijna één op vier. Maar de pijn is niet eerlijk verdeeld. In Duitsland staat de jeugdwerkloosheid op nog geen tien procent. Er is een nieuwe scheidslijn in Europa verschenen – niet tussen oost en west, maar tussen noord en zuid. Nu, en waarschijnlijk nog voor vele jaren, is het een heel andere ervaring om een jonge Duitser te zijn of een jonge Spanjaard, Pool of Griek.

Medium 29 04 10 griekse crisis klr

Denk nog eens terug aan die twee meidagen in Warschau. Iemand wiens vormende ervaringen in de gruwelen van 1943 lagen zou de huidige crisis ook schokkend vinden, maar nog steeds niet half zo slecht als wat hij of zij zich zou herinneren – en hij zou bepleiten dat Europa nooit meer zou mogen terugvallen naar dat peil. De tiener van 2003 beziet dit alles door een andere mentale lens: dit is verschrikkelijk, denkt hij, en al helemaal niet wat hem was voorgespiegeld.

Europeanen als Geremek en Kohl zijn er getuige van geweest dat Europa zichzelf uiteen scheurde, en hebben hun leven er vervolgens aan gewijd een beter Europa te bouwen. De generatie van de Spaanse ‘indignados’, de jonge demonstranten die sinds mei 2011 in het hele land bijeenkomen, is opgegroeid in dat betere Europa, en voelt zich nu teruggeworpen. Het levenspad van degenen die in 1945 vijftien jaar oud waren ging van oorlog naar vrede, van armoede naar welvaart, en van angst naar hoop. Het levenspad van degenen die vijftien waren in 2003, vooral in de delen van het continent die nu het meest te lijden hebben onder de crisis, buigt zich in tegenovergestelde richting: van voorspoed naar werkloosheid, van het convergeren van nationale ervaringen naar het uiteenvallen daarvan, van hoop naar angst.

Kan deze ontevredenheid de psychologische basis vormen voor een campagne om Europa te redden? De tekenen zijn niet veelbelovend. Tijdens de crisis zijn er wel bewegingen opgekomen, maar die waren gericht op andere doelen. Een van de grootste was de beweging tegen het acta-verdrag (Anti-Counterfeiting Trade Agreement, het anti-piraterijverdrag), dat veel jonge Europeanen als een bedreiging van hun internetvrijheid zagen. De indignados uit alle landen, de Europese tegenhangers van de Occupy Wall Street-beweging, gaan tekeer tegen de bankiers, politici en babyboomers, die hun toekomst gestolen zouden hebben. Uit een onderzoek onder activisten van deze uiteenlopende bewegingen, uitgevoerd door Mary Kaldor en Sabine Selchow van de London School of Economics, blijkt dat de EU voor hen nauwelijks een rol speelt of met enige argwaan wordt bekeken.

De angst mag niet worden onderschat als een drijvende kracht in de politiek. Toen de Grieken in een tweede verkiezingsronde in juni dit jaar met een kleine meerderheid kozen voor partijen die het land in de eurozone wilden houden, tekende de Zwitserse cartoonist Patrick Chappatte een vermoeid uit zijn ogen kijkende man naast een stembus, in de schaduw van de Acropolis, die uitriep: ‘Goed nieuws! De angst heeft het van de wanhoop gewonnen!’ Als we een beroemde uitspraak van de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt mogen parafraseren, zou je bijna kunnen zeggen dat Europa vandaag de dag niets anders meer heeft dan de angst om zijn hoop op te baseren.

De angst voor een ineenstorting, de Monnet-achtige logica van de noodzakelijkheid, de macht van de inertie: deze factoren zouden het zaakje op de weg kunnen houden, maar zullen niet leiden tot een dynamische, naar buiten gerichte Europese Unie die zich mag verheugen in de actieve steun van haar burgers. Zonder een paar nieuwe drijvende krachten, zonder een positieve mobilisatie van haar elites en volkeren zal de EU waarschijnlijk overleven als een soort origami-paleis van verdragen en instellingen, en geleidelijk aan belang inboeten, zoals het Heilige Roomse Rijk van vroeger. Toekomstige historici zullen dan de tijd rond 2005 identificeren als het hoogtepunt van de meest verstrekkende, constructieve en vreedzame poging om het continent te verenigen die de geschiedenis ooit heeft gezien.


Timothy Garton Ash is historicus en schrijver. Hij is hoogleraar Europese studies aan de Universiteit van Oxford en verbonden aan het Hoover Instituut van de Universiteit van Stanford. Hij is gespecialiseerd in de moderne en laat-moderne geschiedenis van Oost- en Centraal-Europa.

© Timothy Garton Ash
© 2012 Council on Foreign Relations, publisher of Foreign Affairs

Vertaling Menno Grootveld