Cinemaztlán Mexicaanse filmfestival

Drink, zodat je dingen kunt zien

Opmerkelijke en wonderschone films uit Mexico, uit uiteenlopende genres.

In het programmaboekje van het Mexicaanse filmfestival staat dat er bij een bepaald onderdeel een ‘tequilahoek’ zal zijn. Een ‘mescalhoek’ was nog mooier geweest, want juist daar dorst je naar – en naar Malcolm Lowry’s roman Under the Volcano – bij het zien van de speelfilm Mezcal (2005) van Ignacio Ortiz. Ortiz onderkent de relatie tussen zijn film en Lowry’s boek. Hij omschrijft de connectie in een interview met de Los Angeles Times als volgt: ‘Under the Volcano is een Engelse roman, maar het betreft de grote, moderne Mexicaanse tragedie.’

Om duidelijk te zijn: Lowry en de film Mezcal hebben formeel niets gemeen, behalve de drank mescal en het feit dat Ortiz zich door de roman liet inspireren bij het schrijven en draaien van zijn film. Mezcal is een hallucinerende, magisch-realistische vertelling waarin het stadje Parian een mythische tussenstop is voor mensen die de weg kwijt zijn geraakt. Een tussenstop, zo blijkt, op de weg naar de hel. Net als bij Lowry’s hoofdpersonage, de consul, is het lijden van Ortiz’ personages allesverzengend: een man die zijn leven lang wacht op wraak, een kinderloos echtpaar, een schrijver die zijn dagen vruchteloos slijt, die zonder doel door de donkere straten doolt.

Religie, seks en de dood zijn even fatalistische als zinloze manieren om de werkelijkheid te ontvluchten. Het enige wat helpt, echt helpt, is mescal. ‘Ik ben hier’, zegt een personage in de kroeg, de mythische kroeg waaruit ontsnapping onmogelijk is, ‘omdat iemand mij aan het dromen is. En hij in slaap is gevallen.’ Is dat fatalistisch? Is er geen hoop. Nee, die is er wel – voor de kunstenaar. ‘Drink’, zegt een klein meisje tegen haar vader (een schrijver?), ‘zodat je dingen kunt zien en ze aan mij kunt vertellen…’

Meer nuchter is de benadering in El violín (2006), een van de mooiste films op het festival, geregisseerd door Francisco Vargas. Na een warrige, mislukte eerste twintig minuten komt de vertelling in een stroomversnelling terecht wanneer het hoofdpersonage, de hoogbejaarde vioolspeler Don Plutarco, naar zijn dorpje in de bergen terugkeert – en daar een chaos aantreft, aangericht door moordende en verkrachtende soldaten. Plutarco, die wapens en munitie uit het dorpje naar rebellen wil sluizen die in de bergen schuilen, knoopt een relatie aan met de commandant van de soldaten, slechts bekend als Capitán. Capitán wil dat Plutarco hem leert viool spelen. Dat doet de oude man, maar alleen opdat hij zijn smokkelactiviteiten ongezien kan voortzetten.

Het knappe aan de film, geschoten in korrelig zwart-wit, zit ’m in de structuur van de vertelling. Tergend langzaam bouwt de regisseur de spanning op. En de beloning is groot: het laatste half uur is een intense kijkervaring. Je bent het verhaal ingezogen, onherroepelijk, zodat het lot van de personages volledig geloofwaardig is.

El violín maakt deel uit van het Cinemaztlán-programmaonderdeel Dystopia, waarin het accent op het politieke leven in Mexico ligt. Deze verschillende onderdelen zijn uitstekend gekozen. Zo komt niet alleen het brede, maatschappelijke spectrum naar voren, maar ook allerlei verschillende cinematografische stromingen. Naast Dystopia is er bijvoorbeeld Microuniversum, met aandacht voor magisch-realistische elementen als die in Ortiz’ Mezcal, On the Move, waarbij de relatie tussen moderniteit en traditie voor het voetlicht komt, Mexican Family, over de rol van de familie, en Fantasy, waarin regisseurs met verschillende filmtechnieken experimenteren. Hieraan gerelateerd is het programmaonderdeel Madmex, over de Mexicaanse sciencefiction.

Een troef is dat er in elk onderdeel plaats is ingeruimd voor een aparte korte-filmprogrammering. Dit deel van het programma levert verscheidene parels op. Naast Elisa Millers briljante Ver llover is er La palomilla salvaje (2006) van Gustavo Gamou, een werk waar je nauwelijks woorden voor kunt vinden. Letterlijk. Want het betreft een vertelling zo puur en krachtig dat er geen regisseur voor nodig is om het na te vertellen, of op de een of andere manier te ‘verdraaien’ om er een kunstwerk van te maken. Het verhaal zelf, ongemoeid gelaten, is genoeg ‘kunst’. De hoofdfiguren – Reinaldo Cruz en Alfredo Jiménez – zijn zulke briljante personages dat ze onmogelijk verzonnen zouden kunnen zijn: twee alledaagse jongens in hun late tienerjaren, afkomstig uit arme families, die dromen over rijkdom en beroemdheid. En, in het geval van Reinaldo, over een leven waarin hij net als de Lone Ranger op een wit paard alleen in de natuur rijdt, de ‘schone lucht inademend’, zoals hij het stelt. Om dit te bereiken, gaat Reinaldo samen met zijn vriend Alfredo de plaatselijke rodeowereld veroveren. Ze noemen zichzelf ‘la palomilla salvaje’, oftewel the wild gang, ogenschijnlijk naar analogie van Sam Peckinpahs Mexicaanse western The Wild Bunch. Het is een simpele, hilarische film, zeker wanneer Reinaldo – met zijn dikke buik en korte benen de complete antithese van een cowboyheld – nog eens vertelt hoe hij de oude rotten in het vak een poepie zal laten ruiken. Er is een keerzijde. Onder de oppervlakte schuilen pijn, verloren onschuld en het besef dat de Lone Ranger en Silver onhaalbare droombeelden zullen blijven. Hoewel, er blijkt tegen het einde iets te zijn van een op mysterieuze wijze verdwenen, grote som geld. Zou het toch…?