De PvdA en haar principes

Droeftoeterij versus hosannagejuich

Het op 1 mei gepresenteerde ontwerp-beginselmanifest van de Partij van de Arbeid bevat, anders dan zijn voorgangers, geen uitvoerige maatschappij-analyse en geeft niet aan welke politieke hervormingen worden nagestreefd. Een reeks prominente sociaal-democraten geeft commentaar op de nieuwe beginselen van de PvdA.

Op 9 oktober 2002 gebeurde er iets wat niemand meer had verwacht: Bart Tromp promoveerde. Naast zijn werk als universitair docent, bijzonder hoogleraar, essayist, redacteur van tal van bladen en columnist, en naast zijn rusteloze activiteiten als luis in de pels van de PvdA had hij toch tijd gevonden om zijn reeds decennia geleden aangekondigde proefschrift over de beginselen van de sociaal-democratie te voltooien. In deze vuistdikke dissertatie beschreef en analyseerde hij niet alleen de sociaal-democratische beginselprogramma’s van 1878 tot 1977, maar toonde hij zich ook zeer betrokken bij de ontwikkelingen die de beweging in de laatste dertig jaar heeft doorgemaakt.

In 1977 veegde Tromp de vloer aan met het in zijn ogen te modieuze, ondoordachte en verbaal radicalistische programma dat de dromen en ambities van de Nieuw Links-generatie verwoordde op een moment dat de economische en politieke wind al uit een andere hoek begon te waaien. In de jaren tachtig nam de kritiek op het programma van 1977 toe. Het daarin geprononceerde anti kapitalisme leek zozeer uit de tijd dat steeds meer leden meenden dat de beginselen van de partij aan herziening toe waren. Aanzetten hiertoe vormden de rapporten Schuivende panelen en Bewogen beweging. Maar toen de PvdA in 1989 weer in de regering was gekomen, verstomde het debat. Na het totstandkomen van het eerste paarse kabinet leek bij de partijtop de animo om serieus te discussiëren over de beginselen en grondslagen helemaal verdwenen. Critici als Tromp en Paul Kalma, directeur van de Wiardi Beckman Stichting, die eerder de radicaal-linkse aandriften binnen de partij aan de kaak stelden, keerden zich nu tegen de verkwanseling van het sociaal-democratische erfgoed. Zonder zich noemenswaard te hebben bewogen, waren ze van de rechter- op de linkervleugel van de partij beland.

De discussie over noodzaak en opzet van een nieuw beginselprogramma sleepte zich gedurende de jaren negentig voort. In 2000 kwam een commissie onder leiding van senator en hoogleraar rechtsfilosofie Willem Witteveen met een conceptbeginselprogramma getiteld Tussen droom en daad. Daarvoor was de commissie al uiteengevallen, omdat Paul Kalma en Maarten Hajer zich niet konden verenigen met de in hun ogen te vrijblijvende concepttekst. Volgens hen werd er te weinig aandacht besteed aan de rol van de overheid, democratische beïnvloeding van de technologische ontwikkeling en de ontwikkelingen met betrekking tot de markteconomie. Ook Bart Tromp brandde Tussen droom en daad af, omdat het programma brak met de kerntaak van de sociaal-democratie: het functioneren als tegenkracht van het kapitalisme. Een eeuw lang had de sociaal-democratie, zij het op verschillende manieren, getracht het kapitalisme te breidelen. Die ambitie werd nu helemaal opgegeven.

De tekst van de commissie-Witteveen werd ook door het partijcongres afgewezen, met als voornaamste argument dat hij te vaag en te flets was. Daarna werd een tijdlang niets meer van de sociaal-democratische beginselen vernomen. Nadat hij in 2002 partijleider was geworden, leek ook Wouter Bos niet erg geneigd energie in een nieuw programma te steken. Vorig jaar bleek hij echter van mening veranderd en ging hij samen met voorzitter Ruud Koole leiding geven aan een kleine beginselcommissie, die gesprekken voerde met een aantal prominente partijleden. In een interview met De Groene Amsterdammer (20 december 2003) verklaarde Bos zelfs dat een goed doordacht, beknopt en helder beginselprogramma van grotere waarde was dan de veel uitgebreidere en meer concrete verkiezingsprogramma’s, die doorgaans snel achterhaald zijn. Aanvankelijk dacht hij bij zo’n beginselverklaring nog aan een half A4’tje. Later mochten het er zelfs twee worden. Het werden er uiteindelijk zes.

Anders dan zijn voorgangers bevat het op 1 mei gepresenteerde ontwerp-beginselmanifest geen uitvoerige maatschappij-analyse en geeft het evenmin aan welke politieke hervormingen worden nagestreefd. Dat Bart Tromp het stuk in zijn Parool-column afserveerde als «een smakeloos en krachteloos document, vol dooddoeners in reclametaal», dus in één woord als «Paars», kwam voor niemand als een verrassing. De meeste commentaren hadden als teneur dat dit manifest zo vaag en flets is dat het gewraakte programma van Witteveen met terugwerkende kracht een bezielend en meeslepend traktaat lijkt te zijn.

Witteveen zelf, die geen deel uitmaakte van de commissie maar wel door haar is gehoord, vindt het ook geen bijzonder verrassende tekst: «Het is geen inspirerend verhaal waarmee je de barricaden op gaat. Vergeleken met ons concept uit 2000 zie ik overigens meer overeenkomsten dan verschillen. Sommige onderdelen zijn inderdaad wat vaag, het verhaal over Europa was in ons stuk veel duidelijker, maar er zitten ook goede stukken in. Vooral de paragraaf over het ‹investeren in mensen› vind ik heel knap.»

Dat deze tekst binnen de partij minder weerstanden lijkt op te roepen dan het concept uit 2000 komt volgens Witteveen door de drastisch gewijzigde omstandigheden: «In 2000 was er na de eindeloze reeks paarse compromissen behoefte aan discussie. Maar als je regeringsverantwoordelijkheid draagt is de kans op onenigheid en conflicten heel groot, dus kwam er weinig van terecht. Nu zitten we in de oppositie. Dan is het veel gemakkelijker om het met elkaar eens te zijn. Overigens vind ik dat je met betrekking tot je beginselen ook niet veel concreter moet worden dan wat er in dit document staat. Als je dat wél doet, is de kans groot dat het stuk verouderd is voordat je er erg in hebt. In 2000 kreeg ik met deze opvatting nog de gehele partij over me heen, en nu lijkt men het hierover eens.»

Ook Wiardi Beckman Stichting-medewerker René Cuperus is deze mening toegedaan. Als commissielid wil hij het niet over de inhoud van het manifest hebben, maar hij wil wel kwijt dat hij de kritiek veel te gemakzuchtig vindt: «Aan de hooggespannen verwachtingen van critici als Tromp kan geen enkele tekst voldoen. Blijkbaar wordt vergeten dat we niet meer in de negentiende eeuw leven. De wereld bevindt zich in alle opzichten in een zodanige flux dat het helemaal geen goed moment is om je nu met de heroriëntatie van je beginselen bezig te houden. Alle begrippen die in het verleden zijn gebruikt zijn problematisch geworden. Ik heb grote bezwaren tegen de markt, maar ben niet zonder meer een voorstander van een sterkere staat. Bovendien gaan de wetenschappelijke ontwikkelingen te snel.»

Hoogleraar sociale filosofie Jos de Beus, die eveneens door de commissie werd geraadpleegd, is ook van mening dat loodzware partijprogramma’s zoals die in de tijd van Vorrink en Banning werden geformuleerd achterhaald zijn: «Het is de verdienste van Bos en Koole dat ze binnen de partij de patstelling hebben doorbroken. Sinds 1986 heeft dit doorgezeurd. Nu ligt er tenminste iets. Ik vind het wel een fris stuk, maar intellectueel prikkelend is het natuurlijk niet. Toch denk ik dat die manifestvorm goed is.»

Deze mening wordt gedeeld door Tweede-Kamerlid Jet Bussemaker en voormalig Niet-Nix-kopstuk Erik van Bruggen. De laatste is überhaupt cynisch over beginselprogramma’s: «Het zijn teksten die van nul en generlei waarde zijn. Het gaat om de problemen die nu spelen, om standpunten die je nu moet innemen. Beginselprogramma’s zijn altijd de afsluiting van het verleden, terwijl we behoefte hebben aan perspectieven voor de toekomst. Dit is een vrij geslaagd exemplaar. Felix Rottenberg sprak van ‹hiphopsocialis me›, dat spreekt mij wel aan.»

Ook Tweede-Kamerlid Aleid Wolfsen is positief: «Ik vind het een mooi stuk, vol frisse taal en heel begrijpelijk geschreven. Als je het leest krijg je bijna zin om onmiddellijk het verkiezingsprogramma te schrijven. Ik ben politiek actief geworden in de tijd van Den Uyl, die zich vooral richtte op het wensbare. Daarna werd ik een fan van Kok, omdat bij hem het haalbare voorop stond. Dit manifest biedt eigenlijk een prachtige synthese van het wensbare en het haalbare.»

In tegenstelling tot zijn collega’s Bussemaker en Wolfsen is Tweede-Kamerlid Adri Duivesteijn helemaal niet te spreken over het manifest: «Gisteren hadden we in de fractie een vergadering over het stuk, waar overigens bijna niemand was, maar dat lag wellicht aan het ongelukkig gekozen moment, en toen heb ik de anderen gevraagd wat ze was bijgebleven van dit manifest. Verder dan de kreet ‹een fatsoenlijk bestaan› kwam men niet. Het stuk is veel te sophisticated, je kunt het er nauwelijks mee oneens zijn, en je kunt je er nauwelijks mee onderscheiden van andere partijen. Zo’n beginselprogramma moet de basis leveren waarop je verder wetenschappelijk onderzoek doet, moet een inspiratiebron zijn voor wie de wereld wil veranderen. Eigenlijk zou het zelfs een leidraad voor je persoonlijk leven moeten bieden. Het feit dat andere kamerleden het prachtig vinden is diep treurig. Het betekent dat je dan alleen maar bezig bent met de dingen van de dag, dat je geen behoefte hebt aan vergezichten, aan een toekomstperspectief.»

De partijloze socioloog Dick Pels, met wie de commissie ook heeft gesproken, schreef in de Volkskrant van 8 mei een artikel waarin hij soortgelijke kritiek uitte. Op de verdediging dat je tegenwoordig geen klassiek programma meer kunt schrijven, reageert hij geërgerd: «Dat is een brevet van intellectueel onvermogen, een uiting van angst. Bovendien vind ik het laf om je neer te leggen bij zo’n slap compromis. De sociaal-democratie kon vroeger altijd beschikken over het beste van het intellect. Nu is het blijkbaar droevig gesteld. Bij GroenLinks steekt iemand als Femke Halsema tenminste nog haar nek uit, met haar pleidooi voor een ‹links liberalisme›. Het verbijsterende is dat bij de PvdA niemand zijn stempel op het programma heeft willen drukken.»

De intellectuele armoede van het manifest houdt volgens De Beus verband met «de geloofscrisis» waarin de PvdA zich bevindt: «Die is niet goed gediagnosticeerd. Er is geen gemeenschappelijke overtuiging meer. Na het revisionisme en het keynesianisme is er geen nieuw evenwicht gevonden. Wel is er een eeuwig streven naar ‹vernieuwing›, maar als je dat geen inhoud en richting geeft, blijft zoiets niets anders dan een slogan. De sociaal-democratie denkt bezig te zijn met verandering, maar kiezers zien haar als een gevestigde macht. Er wordt niet voor niets gesproken over de ‹linkse kerk›. Het is een zure club van kankerende carrièristen geworden.»

De Beus geeft toe dat je in een manifest als dit de crisis niet kunt oplossen, maar je kunt hem ten minste beschrijven: «We hebben een samenleving tot stand gebracht waar Rousseau en Diderot slechts van konden dromen. Als je kijkt naar onderwijs, levensstandaard, bestaanszekerheid, juridische gelijkheid enzovoort, dan hebben we enorm veel bereikt, en toch zijn er nog tal van problemen, vertonen mensen niet het gedrag dat je zou mogen verwachten. Daar moet je als sociaal-democratische partij een antwoord op geven. De neoconservatieven doen dat. Wij zouden daar op moeten reageren. Wij moeten ons veel duidelijker afgrenzen van de liberalen en de conservatieven.»

Van Bruggen doet de klachten van De Beus af als «droeftoeterij». Volgens Bussemaker huilt de hoogleraar mee met de rechtse wolven in het bos: «Het is onzin dat we niet herkenbaar zijn, dat we louter behoudend zijn. Dat verwijt werd afgelopen week ook gemaakt door D66, in het debat over het prepensioen en de loopbaanregeling. Als in het beginselmanifest staat dat we voor keuzevrijheid zijn, betekent dat wel dat we willen dat iedereen over die vrijheid kan beschikken. Dat er dus niet alleen goede regelingen voor de hogere inkomens en de hoog opgeleide mensen moeten komen, maar ook voor de bouwvakker of de verpleegkundige. Dat hoef je niet veel concreter in je beginselprogramma te zetten.»

Ondanks die tevredenheid valt er heel wat af te dingen op de stelling dat de plaatsbepaling van de PvdA helder is. Vanaf haar begin maakt de sociaal-democratie deel uit van het Verlichtingsproject. Dit streven naar een mondiale samenleving met individuele vrijheden, tolerantie, rechts- en bestaanszekerheid staat onder druk. Van binnenuit wordt de Verlichting aangevallen door conservatieven die terug willen naar een organische samenleving waarin het individu ondergeschikt is aan de gemeenschap waarvan hij deel uitmaakt. Van buitenaf is er de radicale islam, die de oorlog heeft verklaard aan de Verlichtingsidealen. Van een politieke partij mag verwacht worden dat ze aangeeft waar ze staat. Het manifest blijft echter steken in algemeenheden en de vrome wens dat in de internationale politiek «het recht sterker is dan macht». Maar recht valt alleen af te dwingen met macht. Als we willen dat iedereen zich houdt aan de spel regels die wij verkiezen, zullen we die macht moeten verwerven en consolideren. Dat vergt een analyse van de gevaren die onze democratische samenleving bedreigen.

Een opvallend aspect van het ontwerp manifest is dat het een vrij sterke republikeinse strekking heeft. Dat wil niet zeggen dat er, net als in 1977, een pleidooi voor afschaffing van de monarchie in staat, maar wel dat, in tegenstelling tot het liberalisme, de nadruk ligt op de betekenis van de politiek en actief burgerschap. «Politiek doet ertoe», zo opent het manifest. Op de website van de partij constateerde een lid tevreden dat de tekst «meer Machiavelli dan Marx» bevatte. Het probleem van republicanisme is dat het vaak overspannen verwachtingen koestert over de mate waarin mensen bereid zijn actief deel te nemen aan het politieke proces. De meeste mensen zijn meer geïnteresseerd in de lusten dan in de lasten van politiek. Vandaar dat een partij die kiest voor een republikeinse vorm van politiek zal moeten aangeven hoe ze die betrokkenheid van de burgers wil organiseren.

Zo wordt met enige bezorgdheid gesproken over de middenklasse: «Zij is de voornaamste betaler van de solidariteit maar is zelf ook heel gevoelig voor tegenspoed.» Behalve dat onduidelijk blijft wie er wél of niet tot die middenklasse behoren, wordt niet aangegeven of, en zo ja hoe men de kwetsbaarheid van deze groep zou willen verminderen. In de Volkskrant wees Dick Pels erop dat het manifest sociale ongelijkheid wil bestrijden, maar dan wel voornamelijk aan de onderkant. Van het bestaan van een bovenklasse wordt helemaal niet gerept, hoewel de inkomensverschillen volkomen zijn doorgeslagen. De oude Tinbergen-norm (het hoogste inkomen mag vijf keer het laagste inkomen zijn) was misschien erg ascetisch, maar de verhouding is nu zoek. Bij de geprivatiseerde overheidsdiensten is die 1:30, en bij Nederlandse multinationals 1:100. In een periode dat Elsevier daar schande van spreekt, doet de sociaal-democratie er het zwijgen toe.

Zodoende ademt het document de geest van «Paars» en «Derde Weg» en worden fundamentele keuzes zo veel mogelijk vermeden. Nu behoort het tot de kenmerken van de moderne sociaal-democratie dat er niet wordt gekozen tussen vrijheid óf gelijkheid — ze streeft naar beide — maar ontkenning van het spanningsveld tussen beide doelen resulteert in stuurloos pragmatisme.

«Je moet niet vergeten dat de kritiek van het populisme in de eerste plaats cultuurkritiek was», aldus De Beus. «Het oude gelijkheidsdenken spreekt niet meer aan. Het fabelachtige succes van het consumentisme, kind van het kapitalisme en van het hervormingsstreven van sociaal-democraten en christen-democraten, heeft onderhand elk cultureel idee verdacht gemaakt. En tegelijkertijd smachten de mensen ernaar.» Volgens Pels — die overigens meer verwacht van een herverkaveling van de linkse politieke partijen — zou de PvdA een dergelijk cultureel idee kunnen ontlenen aan het werk van Jacques de Kadt: «Die keerde zich tegen het gemeenschapsdenken zoals dat in zijn tijd door Banning werd verwoord, en dat je nu vooral nog bij het CDA en de SP vindt, en koos volledig voor het individualisme. Maar om dat voor iedereen te kunnen verwezenlijken is juist herverdeling essentieel. Die combinatie van individualisme en herverdeling zou je kunnen betitelen als sociaal-liberalisme. Bos heeft zich vroeger hiervoor uitgesproken, tegenwoordig schrikt hij ervoor terug.»

Voorlopig lijkt het alsof binnen de PvdA niemand een doortimmerde en stimulerende visie wil of kan formuleren. Bos voelt er heel weinig voor. Volgens Witteveen zijn critici als Tromp en Kalma ernstig in gebreke gebleven: «Overigens is het volgens mij helemaal niet de bedoeling dat er diepgaand over dit stuk wordt gediscussieerd. Het is vooral een afsluiting van de debatten van de afgelopen jaren.» Ook Duivesteijn verwacht dat het stuk snel in de bureaulade verdwijnt: «Zeker onder kamerleden is er geen substantiële behoefte aan een fundamenteel debat. De machtsvraag staat voorop. Iedereen is erg blij dat we het in de peilingen zo goed doen. En waarom zou je dan een moeilijk debat gaan voeren?»

Kwade tongen beweren dat de keuze om het manifest op 1 mei te presenteren niet was ingegeven door Bos’ verknochtheid aan de tradities der arbeidersbeweging, maar door de hoop dat de toetreding van tien nieuwe lidstaten tot de Europese Unie de aandacht zou afleiden. Die strategie lijkt succesvol te zijn geweest.