Droge handel

In KliFi van Adriaan van Dis is Nederland in 2030 een repressieve republiek in de ban van klimaatverandering.

O jee, denk je als je de eerste pagina van KliFi ziet, met rode kapitalen, doorgestreepte woorden, zwart gemarkeerde zinnen en het icoontje van een schaar: Adriaan van Dis heeft functies ontdekt in Word. Het is niet ongepast om hier te openen met een grapje over schrijvers op leeftijd, in zijn nieuwe roman doet hij het zelf ook. De 84-jarige Jákob Hemmelbahn heeft net het typoscript van zijn eerste boek naar de uitgever gemaild en het grote twijfelen is begonnen. De bonte ingrepen in de tekst visualiseren het gesprek met zijn innerlijke censor, die op een pijnpunt drukt: ‘Ben je niet te oud voor dit avontuur?’

Met KliFi waagt Van Dis zich aan de speculatieve fictie. Het is 2030, een wereld die nog voelt als de onze, met mobiele telefoons, boekenbonnen en een Nobelprijs voor Arnon Grunberg, en toch heeft Nederland een Grote Verandering doorgemaakt. De monarchie is afgeschaft, aan het hoofd van de republiek staat een president die met retorisch geweld en zijn VaderlandseGarde, één woord, het volk onder de duim houdt. Ook zijn we de greep op het water verloren: de orkaan die over het land raast leidt tot overstromingen in het dorpje in de uiterwaarden waar klimaatvluchtelingen op elkaar gepakt wonen. De president probeert de humanitaire ramp aan het zicht van de media te onttrekken en dat leidt bij Hemmelbahn, die de slachtoffers letterlijk in zijn achtertuin krijgt, tot onstuitbare woede. Hij besluit om hun verhalen op te tekenen, hun een stem te geven.

In The Great Derangement, zijn essaybundel uit 2016, stelt de Indiase schrijver Amitav Ghosh dat de klimaatcrisis ook een crisis van de verbeelding is: zolang we ons niet kunnen voorstellen welke gevolgen klimaatverandering voor ons leven heeft, zijn we ook niet geneigd er iets aan te doen. In sciencefiction wordt er al decennialang nagedacht over klimaatproblematiek, de laatste jaren begint het thema ook in de Nederlandstalige literatuur door te dringen. In KliFi vervlecht Van Dis klimaatverandering met hedendaagse kwesties als populisme en nationalisme, migratieproblematiek, de gezondheid van de democratie.

Ondanks die ambitie wringt er veel aan deze tamelijk ongrijpbare roman. Dat begint al bij de vertelconstructie. Een korte proloog maakt duidelijk dat een naamloze schrijver een beeld zal schetsen ‘van gebeurtenissen die nog zullen plaatsvinden’ op basis van een pakketje documenten dat hij van de uitgever heeft ontvangen, waaronder Hemmelbahns typoscript. De roman leest inderdaad als een poging van een schrijver om meester te worden over het materiaal van een andere schrijver; de verteller krijgt de afstandelijkheid maar niet afgeschud. In een wederom korte epiloog verklaart de naamloze schrijver waarom hij deze exercitie heeft ondernomen: ‘Misschien kunnen we het noodlot samen nog een knietje geven, al trappelen de presidenten wel in de coulissen.’ Precies door dat plotse beroep op de lezer, en de mild-defaitistische waarschuwing, merk je dat de roman zwalkt en ook zomaar op een verzoening met eigen sterfelijkheid zou kunnen afstevenen.

Met KliFi waagt Van Dis zich aan de speculatieve fictie

Hemmelbahn wordt door het staatstoezicht van de president terug gekatapulteerd naar zijn jeugd als zoon van Hongaarse immigranten, die na de opstand in 1956 voor de Russen moesten vluchten. De historische parallel roept effectief de vraag op hoelang je zwijgend kunt afwachten voor je zoveel vrijheid hebt ingeleverd dat het niet meer terug te draaien valt. Aan het eind van zijn comfortabele leven voelt Hemmelbahn zich dan ook aan zijn afkomst verplicht om in verzet te komen: ook al leeft hij in een wereld waarin de literatuur haar rol als kritische tegenstem is verloren, zijn boek moet de macht van de president ondermijnen.

Zodra de slachtoffers aan het woord komen, krijgt het literaire spel met de vertelinstanties iets storends. In de notities van Hemmelbahn zijn het bordkartonnen typetjes, ze praten in korte zinnen, op rijm, of ronduit plat: ‘Flikker die boeken toch weg. We leggen er al dagen naast. Wat een droge handel… Goed slaapmiddel, daar niet van, maar waar heb je ze voor nodig?’ Als ongeletterden staan ze tegenover Hemmelbahn, door de verteller als een ware man of letters neergezet, een schematische tegenstelling die minstens zo pijnlijk clichématig weer wordt afgebroken. Boer Kees, zijn ‘knecht’, wijst Hemmelbahn er terecht op dat hij zich de verhalen van de slachtoffers uit eigenbelang toe-eigent: ‘Het gaat om hún leven.’

Steeds scherper laat de verteller doorschemeren dat Hemmelbahn een gigantische blinde vlek heeft voor zijn eigen motieven. Zijn boek lijkt vooral een manier om als elitaire boomer aan de goede kant van de geschiedenis terecht te komen, bang als hij is ‘om als totaal overbodig door een vijandige tijdgeest te worden geveld’. Ten aanzien van die tijdgeest lijkt de verteller ambivalent: enerzijds maakt hij ons duidelijk dat het Hemmelbahn is die wakker geschud moet worden, anderzijds lijkt hij er ook een beetje de draak mee te steken: ‘Maar spreekt u ook de taal van deze tijd?’ vraagt een jonge ambtenaar wanneer ze een kopie komt maken van Hemmelbahns laptop-inhoud. Het kan een antwoord zijn op de vraag of een pesterijtje van Van Dis dat de verteller ogenblikkelijk het doffe leer van haar rokje om haar kont laat spannen.

Het roept de vraag op of Van Dis die ambivalentie met zijn verteller deelt. Zou zijn innerlijke criticus hem ook toebijten dat hij de tijdgeest niet meer begrijpt en de koppen van de recensies net als Hemmelbahn al voor zich zien? ‘Ellendemagneet steelt levens. Schaapjes op het droge, elke dag lam.’ Als lezer voel je de betrokkenheid, in de tekst en in het nawoord – en in de vele interviews die Van Dis in de tussentijd gaf – maar ondertussen moet je je ook zien te verhouden tot het salonsocialisme dat de roman uitwasemt.

In Van Dis’ roman De wandelaar uit 2007 wil de welgestelde Mulder iets betekenen voor de Parijse vluchtelingen en zwervers met wie hij dankzij de wandelingen met zijn hond in aanraking komt. In een verhit gesprek met een pater verklaart Mulder dat hij gelooft in goed doen: ‘Omdat ik me daar beter bij voel.’ Wie bepaalt dan wat goed is, vraagt de pater streng. ‘Mijn geweten’, zegt Mulder. Het is alsof Van Dis in KliFi opnieuw wil laten zien dat mensen met name tot het goede in staat zijn als ze er zelf baat bij hebben: de mondiale uitdagingen van de 21ste eeuw vormen in KliFi vooral het achterdoek voor Hemmelbahns verlangen nog iets te betekenen in een wereld waarin hij is uitgespeeld. Maar om ons de klimaatcrisis voor te stellen teneinde onszelf ervan te redden, hebben we meer literaire verbeelding nodig dan dat.