Dromen en nachtmerries

PHILIPP BLOM
DE DUIZELINGWEKKENDE JAREN: EUROPA 1900-1914
Vertaald door Toon Dohmen
De Bezige Bij, 560 blz., € 34,90

Er zijn auteurs wier boeken bij voorbaat, voordat lezers een oordeel hebben kunnen vellen, worden beschreven als groots, belangwekkend en origineel. Meestal gaat het dan om auteurs met een indrukwekkende palmares, maar soms treft dit lot ook schrijvers die zich nog grotendeels moeten bewijzen. Over welke kwaliteiten zij precies beschikken weet ik helaas niet, maar de in Duitsland geboren en in Wenen en Oxford opgeleide Philipp Blom, die ook Nederlands leest, is duidelijk een van hen. Toegegeven, hij heeft twee romans geschreven, vertaalde Geert Maks Amsterdam in het Duits en levert bijdragen aan een indrukwekkende reeks bladen als The Times Literary Supplement, The Independent, de Frankfurter Allgemeine, Die Zeit en Vrij Nederland, waarin hij vorig jaar een volstrekt stupide en kwaadwillende recensie schreef van Floris Cohens boek over de wetenschappelijke revolutie.
Als historicus gaf Blom eerder twee boeken uit, waarvan ik het eerste, over verzamelaars, niet heb gelezen. In 2004 werd met veel tamtam zijn Encyclopédie gelanceerd, een geschiedenis van de Verlichting aan de hand van de Encyclopedie van Diderot en D’Alembert. Een vlot leesbaar boek, maar het was ook het standaardverhaal over de Verlichting, dat volstrekt voorbij ging aan de historische debatten die daar in de afgelopen decennia over zijn gevoerd.
Helemaal onbevooroordeeld begon deze recensent dus niet aan de vertaling van Bloms nieuwste boek, The Vertigo Years: Change and Culture in the West 1900-1914. Een vertaling overigens die op wat kleinigheden na – het Duitsland van Wilhelm II noemen we ‘wilhelminisch’ en niet ‘wilhelmistisch’ en het Engelse Jacobite moet niet worden vertaald als ‘jacobijns’ – vrij behoorlijk is. Maar hoe goed of slecht is eigenlijk het boek van Blom, dat op het omslag door Geert Mak wordt aangeprezen als ‘een unieke geschiedenis’?
Omdat de ontwikkelingen gedurende de eerste veertien jaar van de twintigste eeuw nogal eens worden beschreven alsof ze noodzakelijkerwijs moesten leiden tot de Eerste Wereldoorlog wil Blom dit tijdvak onbevangen bestuderen, zonder de slagschaduw van de jaren 1914-1918 en de verschrikkingen die daarna kwamen. Dat is een lovenswaardig streven, en natuurlijk heeft hij gelijk als hij stelt dat de moderne wereld niet is ontstaan door de Eerste Wereldoorlog, maar in hoeverre komt hij echt met iets nieuws?
Hoewel elk hoofdstuk een jaar als titel heeft, zijn het stuk voor stuk essays waarin een bepaald thema aan de orde komt. Hierin gaat Blom in op verschijnselen als het imperialisme, de afkalvende positie van de adel, het nationalisme, de razendsnelle en fundamentele wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen, de geestelijke crisis van veel mensen en de opkomst van allerlei sektes en occulte stromingen, de bewapeningswedloop en de diverse artistieke revoluties. Kortom, al die zaken die in vrijwel alle boeken over deze periode aan de orde komen. Alleen spreekt Blom zich nooit uit over de vraag of bepaalde ontwikkelingen invloed hadden op het uitbreken en het verloop van de Eerste Wereldoorlog.
Bloms boek is veel beter geschreven en gecomponeerd dan Jan Romeins Op het breukvlak van twee eeuwen (1967), maar ook veel oppervlakkiger. Bovendien besteedt Blom aan sommige zaken, zoals de enorme opkomst van de arbeidersbeweging en de sterk toenemende bureaucratisering, nauwelijks aandacht. En als hij bijvoorbeeld de opmars van een extreem-rechtse ideologie in Frankrijk beschrijft, noemt hij alleen de romanschrijver Barrès en niet auteurs als Charles Maurras en Georges Sorel, die een veel directere politieke invloed hebben uitgeoefend. Af en toe is zijn kennis ook wel erg tweedehands, zodat hij van mening is dat Joseph de Maistre (1753-1821) een historicus was, die zich bovendien nog in 1870 in het publieke debat mengde. Voor iemand die een boek over de Verlichting heeft geschreven is het toch wel merkwaardig dat hij een van de meest formidabele bestrijders van diezelfde Verlichting niet kent. En hoe iemand erbij komt dat bewegingen als het fascisme en het communisme al vóór 1914 ‘diepe indruk’ hadden gemaakt, is mij absoluut een raadsel.
Doordat Blom alle nadruk legt op de moderne aspecten van die vooroorlogse jaren gaat zijn boek voor het overgrote deel over de elite en de middenklassen. Over de overgrote meerderheid van de bevolking, die nog op traditionele wijze leefde, hoor je hem niet. Hoe bijvoorbeeld een boer in de Provence, een visser op Urk of een pionier in het Amerikaanse Westen de modernisering ervoer, kom je niet te weten. Dat geldt ook voor mensen die rechtstreeks betrokken waren bij dit enorme veranderingsproces, zoals mijnwerkers in de Engelse Black Country of staalarbeiders in het Ruhrgebied. Dit werkt niet alleen vertekenend, maar doet Blom ook een merkwaardige conclusie trekken: ‘In veel opzichten kwamen in de twintigste eeuw alleen maar de dromen en de nachtmerries uit, die voortkwamen uit de creatieve onrust van de jaren 1900-1914.’ Dit riekt naar het determinisme dat hij juist had willen vermijden.
De duizelingwekkende jaren is een lekker leesboek vol interessante weetjes en curieuze details. Maar om nu te zeggen dat we hier te maken hebben met een bijzonder, baanbrekend boek, nou nee.