Interview: Arjen Boerstra

Dromen in een jachthut

De wereld van Arjen Boerstra is een onschuldige wereld. Polemiek is niets voor hem: «Laat mij de schoonheid maar bezingen.»

Jaloers is hij niet snel. Hoewel… «Hier in de buurt woont een jongen uit een rijke, adellijke familie. Die hoeft niet te werken, maar bouwt alles wat hij wil. Als hij een tafel of een deur maakt, gaat hij niet naar de houthandel, dan gaat hij naar het bos en kapt een boom om. Een tijdje terug heeft hij een boomhut gebouwd; hóóg, zéker twintig meter.» Een boomhut op twintig meter hoogte, daar heeft Arjen Boerstra (1967) wel ontzag voor. Hij houdt van overmoedige plannen, vooral als ze consequent worden uitgevoerd. Hij liet ooit een ufo in een weiland landen, serveerde in een zelfgebouwde frietkraam patatjes mayo aan de aardappelboeren bij Veendam («ik maakte de voedselkring gewoon wat korter») en stak verkleed als negentiende-eeuwse avonturier in een bootje het IJ over.

De wereld van Arjen Boerstra is een onschuldige wereld. Ze wordt bevolkt door einzelgängers: mannen die op zolder modeltreinlandschappen houden, voor vliegers uit hollen of uren aan de rand van een sloot naar waterkevers kunnen zoeken. Je verwacht dat het evenbeelden van de kunstenaar zijn, maar nee: «Zodra ik in zo’n wereld beland, weet ik direct dat ik er niet wil blijven. Wanneer alle codes en conventies duidelijk zijn, wordt het voor mij saai. Dat had ik vroeger al met mijn modelbouwbootjes. Bij de hobbyclub zag je mannen met grote miniatuurschepen: heel perfect en iedereen maar zeggen hoe knap dat was. Maar het aspect ‹knap›, daar heb ik niet zo veel mee. Dat stadium ben ik voorbij.»

Zijn laatste kunstwerk, onderdeel van het project Jongensdromen, ligt even buiten Groningen. Aan de bosrand bij het plaatsje Veenhuizen bouwde Boerstra een authentieke jachthut, compleet met veranda en uitkijktoren. Het idee ontstond toen er vlak bij het terrein een ree werd aangereden: «Ik heb me toen in jachtkostuum met een buks in de ene hand en die dode ree in de andere laten fotograferen. Mensen in mijn omgeving reageerden geschokt. In de stad heerst de opinie dat jagen fout is. Buiten is dat anders. Jagers zien zichzelf als tuinmannen van de natuur. De vogels en de vossen zijn hun concurrenten. Een echte jager ziet ook direct dat ik die ree niet zelf geschoten heb. Met een windbuks leg je zo’n dier niet om.»

De locatie riep allerlei jeugdherinneringen op. Hoe hij en zijn vrienden in de bossen van Oranjewoud bij Heerenveen de geneugten van het «eenvoudige leven» predikten. Hoe ze door de boswachter achterna werden gezeten. Hoe hij met een buks op een vogeltje schoot en het beestje, dat stuiptrekkend op de grond lag, in paniek de nek omdraaide. Zijn belevenissen schreef hij op in een brief aan een echte jager, maar toen het moment daar was om de brief op de bus te doen, wist hij niet waar hij hem heen moest sturen. Arjen Boerstra: «Ik heb er toen nog aan gedacht om hem naar een paar boeren te sturen die ook jagen; uiteindelijk heb ik hem maar naar mezelf gestuurd.»

Begin maart begon de bouw. Een kleine, kale man op bergschoenen, die in de sneeuw stond te timmeren: het wekte enige argwaan bij de Drentse boeren: «Wat een rare kerel ben jij, zag je ze denken.» Maar naarmate de hut vorderde nam het vertrouwen toe: «Iedere dag kwamen ze op hun tractor aangetuft om een praatje te maken. Waar dat over ging? Over de vijfentwintig vossen die ze de afgelopen week hadden geschoten, of hoe je van een reeënpoot een mooie deurbel kunt maken.»

Een jachtkostuum mocht natuurlijk niet ontbreken: «Je vraagt je af: wat draagt een jager? Sommige hebben van die heel oubollige kostuums, met zo’n hoed met een veertje. Toen ik een keer meeging op telling ontdekte ik dat er een soort Wehkamp-catalogus voor jagers bestaat, met kleding, geweren en hoogzitters. Dan zie je twee knappe jongens in een mooie groene broek en een dood wild zwijn in de hand.»

«Het valt me mee dat hij er nog staat», zegt Boerstra als we bij de hut aankomen, «ik had verwacht dat hij al lang in de fik was gestoken.» Het interieur ziet eruit zoals je verwacht dat het interieur van een jachthut eruitziet: houten banken, een tafel, een open haard, een reeënvel. Aan de deur: een jachttrofee. In de hoek: planken met proviand. «Ik wilde de illusie geven dat hij hier echt woont.» Franse mosterd, bruine bonen, snelkookrijst, doperwten, gekruide augurken: «Ja ja, de moderne jager komt ook bij de Aldi.»

Bij het bouwen stond hem een archetypische jachthut voor ogen: de belichaming van ieder jachtcliché. «De hut moet je zien als een decor, zoals in een film. Het is zeker geen gebruiksvoorwerp.» Vol afgrijzen vertelt hij hoe de organisatie bij de afsluiting van het project een pan soep op het vuur zette en hapjes op tafel, precies daar waar de brief hoort te liggen. De hele hut stond vol bezoekers. Sommige mensen klommen zelfs in de uitkijktoren: «Voor mij is dat hetzelfde als wanneer iemand in je schilderij gaat staan krassen.»

Over het eindresultaat is hij kritisch: «De hut is vrij ruig gebouwd. In mijn hoofd was de uitvoering veel consequenter, met dwarsbalken en zo.» Ook het materiaal klopt niet helemaal: «Ik heb gebeitste steigerplanken gebruikt. Die heeft een jager in het bos natuurlijk niet: die kapt een boom om. Eigenlijk had de hut van ronde balken moeten zijn, maar dat was praktisch en financieel niet mogelijk.» De gelijkenis met Panamarenko en Joep van Lieshout, twee kunstenaars die Boerstra bewondert, gaat niet op: «Zij maken echt nieuwe, gekke dingen. Ik niet. Ik kan dat niet. Nu had ik ook weer het plan een nieuw, gek ding te maken: een soort gatenkaashut. Maar uiteindelijk werd het toch een gewone hut.»

Een hang naar romantiek heeft Boerstra altijd al gehad. De olieverfschilderijen die hij als jongen maakte, toonden ongerepte landschappen onder een bleke maan. Van het kunstenaarschap, als iets waaraan je je identiteit kon ontlenen, had hij geen weet. Hij schilderde om het plezier van het schilderen. Een laagje wit, een streek grijs, even poetsen en er ontstond water: «Een magische sensatie.»

Het toelatingsexamen op kunstacademie Minerva in Groningen was een ontnuchterende ervaring. Kitsch, noemde de commissie zijn schilderijen; ze lachten hem zelfs uit. Dat verbaasde hem. Ze waren toch knap gemaakt, die schilderijen? En leken ze niet net echt? «Vanaf toen begreep ik dat ‹knap› en ‹echt› niet de begrippen zijn waar het in de beeldende kunst om draait.»

Later heeft hij zo’n romantisch landschap nog eens op een conceptuele manier gebruikt: «Ik had er een modern vliegtuigje op aangebracht en het toen opgehangen op de afdeling Fijnschilderen. Als statement. Zo van: ik kan net zo realistisch schilderen als jullie, maar ik durf óók nog zo’n vliegtuigje aan te brengen.» Het zette kwaad bloed: «Riepen ze: ‹Dat schilderij heb je niet zelf geschilderd. Dat heb je op de markt gekocht.›»

Naarmate zijn studietijd vorderde, begon het schilderen hem tegen te staan: «Ik maakte alleen nog maar schilderijen over het schilderen zelf. Had het idee: dit heeft niets met mij te maken.» Een verhevigd zelfbewustzijn zat hem in de weg. Bij iedere streek vroeg hij zich af: waarom doe ik dit? Vinden ze dit wel goed? Wat een verschil met vroeger! Toen hield hij zich nooit bezig met wat anderen ervan vonden. Toen deed hij gewoon: «Ik begon me af te vragen wat ik had gemaakt wanneer ik niet naar de kunstacademie was gegaan.» Vanuit een verlangen naar onbevangenheid besloot hij zijn oude jongenskamer na te bouwen: «Erg spannend. Ik had geen flauw idee hoe het over zou komen.» Sommige toeschouwers vonden het werk «een gemiste kans». Maar bij anderen riep het tal van associaties op: «Dan waren ze de kamer nog niet binnen of de verhalen over muizen en onderduikers kwamen al los.» De eerste kamer die hij bouwde was helemaal leeg, latere versies richtte hij in: «Met een cassetterecorder die Dolly Parton speelde en het tijdschrift Wooden Boat op tafel.» Wanneer hij het werk niet exposeerde, stond het in zijn woonkamer. «Ik woonde toen nogal groot.» Hij sliep ook in het bed in de jongenskamer: «Dat had wel iets te maken met nostalgie, ja.»

Uit de jongenskamer ontsprongen nieuwe projecten: de vliegers met camera, de ufo, de performances als frietbakker en het personage «de jonge onderzoeker». Die performances, vertelt Boerstra, stuiten nogal eens op onbegrip. Vooral tijdens zijn «jonge onderzoeker»-act, waarbij hij gekleed in een padvindersoutfit en met een olielamp door de zaal loopt en mensen onbeschaamd in het gezicht staart, krijgt hij vervelende opmerkingen naar zijn hoofd: «‹Is dit kunst of zo?› roepen ze dan.» Anderen hebben niet door dat het om een performance gaat: «Laatst trad ik op een feestje van de kunstacademie op als frietbakker. Daar liepen mensen boos weg, omdat ze te lang op hun patat moesten wachten.»

Geen actualiteit, geen sterke statements; het is veilig werk dat Boerstra maakt. Zelf twijfelt hij ook wel eens: zou hij zich niet meer moeten uitspreken, polemischer moeten zijn? Bronnen van ergernis genoeg: lelijke graffiti op de zijkant van zijn huis, Oranjegekte, jongens met een dubbele uitlaat onder hun Opel Kadett: «Ik heb er wel eens aan gedacht om irritatiestickers te ontwerpen: stickers met een tekst die je op je bron van ergernis kunt plakken. Iets van: ‹Mijn uitlaat is nog dikker dan mijn eigen prikker.›» Waarschijnlijk zal hij ze nooit maken: «Die polemische taal is niet mijn taal. Laat mij de schoonheid maar bezingen. De kinderlijke verbazing. Vandaar ook mijn hang naar de negentiende eeuw: een tijd dat men zich nog verbaasde, vooruit keek en durfde te dromen.»

De verpersoonlijking van dit vooruitgangsgevoel is zijn alter ego «Cody». Boerstra: «Eigenlijk zijn er twee Cody’s, met mij erbij drie. De eerste Cody is beter bekend als Buffalo Bill. De tweede Cody was een vliegerbouwer, een ijdele man die heel goed kon pistoolschieten en paardrijden. Beiden kwamen uit Amerika, maar de tweede emigreerde naar Engeland, waar hij zich uitgaf voor de eerste. Hij aapte zijn uiterlijk na, zijn lange haar, zijn hoed, zijn puntsnor. Wat mij zo fascineerde was het enorme ego van die man; zelf ben ik namelijk helemaal niet iemand die met een dikke pik in de kunstwereld rondloopt. Ik heb een foto van Cody waarop hij omringd wordt door zijn vliegers. Een klein mannetje tussen al die grote objecten: ik vind dat ontroerend. Voor mij staat het symbool voor de menselijke hoogmoed, maar ook voor het lef om je dromen te realiseren.»