Essay Pleidooi voor de utopie

Dromen is niet eng

John Gray ontkent dat er zoiets bestaat als vooruitgang en volgens Arnon Grunberg zijn idealisten de ergste cynici. Dromen van een betere wereld is uit de tijd. Maar zijn de fundamenten van wat we nu ‘beschaving’ noemen niet ooit bedacht door wereldvreemde utopisten?

Een nationale canon, zwart of wit, hoeft van mij niet zo. Maar als er toch één ding is dat we onze kinderen zouden moeten leren over het verleden, dat in iedere inburgeringscursus aan bod zou moeten komen en dat we ’s ochtends bij het wakker worden zouden moeten uitroepen, dan is het dit: vroeger, dat was één bak ellende.

Gedurende meer dan 99 procent van de wereldgeschiedenis was meer dan 99 procent van de mensheid arm, hongerig, bang, vies, dom, lelijk, ziek en ongelukkig – al moet ik bekennen dat de hele notie van ‘geluk’ überhaupt pas tijdens de Verlichting is uitgevonden. Niet zo gek dus dat er vroeger nog wel werd gedroomd van betere tijden. Neem de middeleeuwse droom van Luilekkerland. Gebraden ganzen vliegen rechtstreeks je mond in, pannenkoeken groeien aan de bomen en de rivieren zitten vol met wijn en limonade. Boer, ambachtsman en klerk – iedereen is gelijk aan elkaar en ligt heerlijk te luieren in het gras. De wildste erotische dromen komen uit, als zelfs de nonnen hun rokken omhoog tillen.

Zouden we een middeleeuwer vragen wat hij vindt van het moderne Nederland – waar de honger is omgeslagen in overgewicht, iedereen gelijk is voor de wet en porno onbeperkt voorradig – hij zou ongetwijfeld aan Luilekkerland moeten denken. Wij zijn immers de wereldhistorische uitzondering: rijk, veilig én gezond. Er is bijna geen ranglijstje of Nederland staat bovenin – veiligste verkeer, beste gezondheidszorg, volste pensioenpotten – alleen Australië, Noorwegen en Zweden zijn nog marginaal betere landen om in geboren te worden.

In ons Luilekkerland aan de Noordzee valt dan ook weinig meer te dromen. Een procentje extra koopkracht, wat minder co2-uitstoot en misschien een nieuwe gadget – veel verder reiken onze visioenen niet meer. De politicoloog en filosoof Francis Fukuyama voorspelde het al in 1989: we zijn in het tijdperk beland waarin alleen de ‘economische berekening, het eindeloze oplossen van technische problemen, bezorgdheid om het milieu, en de bevrediging van de steeds verfijndere wensen van de consument’ nog resten. En hoewel dit een rijk en overvloedig tijdperk is, is het ook wel een beetje ‘treurig’. Er is immers ‘kunst noch filosofie’, afgezien van de zorg voor ‘het museum van de menselijke geschiedenis’.

Dit is, in een notendop, de geestelijke armoede die heerst aan het einde van de geschiedenis. We zwelgen er nu al ruim twintig jaar in. Ironisch is het wel: juist op het moment dat we voor de kolossale en wereldhistorische taak staan om zin te geven aan ons rijke, veilige en gezonde leven (je zou zeggen: het moment suprême voor alle intellectuelen, dominees en overige visionairs) hebben we de utopie doodverklaard. Een nieuwe droom van Luilekkerland is er niet, simpelweg omdat we ons geen betere wereld meer kunnen voorstellen. Dat is de echte crisis van deze tijd: niet dat we het niet goed hebben, maar dat we niet weten hoe het beter moet.

De dromen van een betere wereld worden er al op jonge leeftijd uitgehamerd. Want leiden utopieën niet per definitie tot dwang, geweld en genocide? Dat is in ieder geval wat er op de middelbare school, met behulp van romans als Brave New World en Nineteen Eighty-Four, wordt ingehamerd. Dromen veranderen altijd in nachtmerries. Een utopie wordt een dystopie, of sterker nog, een utopie is een dystopie. Een dyslecticus helpen we met lezen, maar de dystoop kan zijn utopie beter vergeten. ‘Idealisten zijn de ergste cynici’, leren we van Volkskrant-huisintellectueel Arnon Grunberg. Het ‘naoorlogse humanisme is dood’, noteert zijn NRC-collega Bas Heijne om de zoveel tijd. Grunberg noch Heijne voelt zich verantwoordelijk om er iets voor in de plaats te stellen. Ooit zagen intellectuelen het als hun plicht om na te denken over een betere wereld, tegenwoordig zwelgen ze liever in ironie. ‘De wereld is niet maakbaar’, klinkt het dan.

De Groene publiceerde onlangs een versie van het essay dat de Britse intellectueel John Gray al jaren schrijft. Gray is het prototype van wat anno 2013 als een ‘denker’ wordt beschouwd. Het enige wat hij daarvoor hoeft te doen is glashard ontkennen dat er zoiets als ‘vooruitgang’ bestaat, tegen al het bewijs van toenemende rijkdom, veiligheid en gezondheid in.

Ironisch genoeg verscheen in dezelfde week het nieuwe Human Development Report, waarin wordt geconstateerd dat de mondiale vooruitgang sneller verloopt dan ooit. Want of het nu in de intellectuele mode is of niet, we leven nu eenmaal in een tijdperk van immense vooruitgang. Sinds 1946 is het aantal oorlogsslachtoffers met negentig procent afgenomen. Sinds 1910 is het aantal slachtoffers van natuurrampen met 93 procent afgenomen. In de komende dertig jaar volgen meer mensen formeel onderwijs dan in de hele voorgaande wereldgeschiedenis; tachtig procent van de mondiale welvaart is in de afgelopen dertig jaar geproduceerd.

Vooral in Afrika gaat het hard. Kinderarbeid, kindersterfte, honger en extreme armoede zijn op hun retour en kunnen deze eeuw nog de deur uit. Geen enkel continent groeit zo hard als Afrika, zowel in rijkdom als in levensverwachting. Zelfs The Economist heeft het licht gezien en bood onlangs nog een hoofdredactioneel excuus aan voor het afschrijven van het continent in de jaren negentig. Maar vooruitgang bestaat niet hoor, herhaalt Gray nog maar eens.

Ergens heeft hij ook wel gelijk: de vooruitgang bestaat voor ons, inwoners van Luilekkerland, niet meer, want in Luilekkerland wordt niet langer gedroomd. ‘Optimisme is een morele plicht’, schreef de filosoof Karl Popper nog. Maar hij was ook degene die zei dat dwangmatige utopieën geen hemel in de lucht maar de hel op aarde vestigen. Die wijsheid is tot cliché verwerkt en vervolgens tot dogma verheven. Iedereen met idealen loopt nu het risico als gevaarlijke utopist te worden weggezet. Aldous Huxley en George Orwell, de schrijvers van Brave New World en Nineteen Eighty-Four, draaien zich om in hun graf. Zij richtten hun pijlen immers niet op het dromerige utopisme, maar op dictaturen, het consumentisme en het blinde vertrouwen in de wetten van de markt.

Niet toevallig was het laatste boek dat Huxley schreef, Island (1962), een onvervalste utopie. Het is een verhaal over een gelukkige samenleving die is gebaseerd op het boeddhisme en eerlijk delen. ‘Zijn jullie kapitalisten of communisten?’ vraagt een bezoeker aan de eilandbewoners. ‘Geen van beide’, luidt het antwoord. ‘Wij werken samen.’ De eilandgids vertelt: ‘Wij zijn niet geïnteresseerd in het opvoeden van goede partijleden, we zijn alleen geïnteresseerd in het opvoeden van goede mensen.’ >

Want hoe zit het eigenlijk: hebben de utopisten echt zo veel bloed aan hun handen? Als ik de geschriften lees van negentiende-eeuwse dromers als Charles Fourier en Robert Owen begrijp ik werkelijk niet hoe die mythe ooit de wereld in is gekomen. Hoe kan het verlangen naar een wereld van geluk, overvloed en verdraagzaamheid verantwoordelijk zijn voor de gruwelen van de twintigste eeuw? Fourier wilde alle oorlogen vervangen door – geen grap – internationale kookwedstrijden.

Natuurlijk, er zijn ook gewelddadige vormen van utopisch denken – fascisme, communisme, nazisme – zoals ook iedere religie gewelddadige stromingen kent. Maar als één gelovige oproept tot geweld, dan brengt dat toch niet alle gelovigen in diskrediet? Waarom zou dat wel gelden voor de utopisten? Moeten we dan maar helemaal stoppen met nadenken over een betere wereld?

Zonder de utopie rest slechts de technocratie; politiek is dan weinig meer dan bedrijfsmanagement. Met de moord op de Grote Verhalen hebben juist de (linkse) intellectuelen de weg vrij gemaakt voor het laatste grote verhaal, dat van de Markt. Optimisme en pessimisme zijn synoniem geworden aan het consumentenvertrouwen, of meestal het gebrek daaraan. Een betere wereld kan alleen nog worden gerealiseerd door – zoals werkgeversvoorzitter Bernard Wientjes onlangs opperde – meer badkuipen te kopen.

Kiezers zweven niet omdat er zo veel te kiezen valt, maar omdat partijen zo op elkaar zijn gaan lijken. ‘De pvda zoekt de idealen niet links of rechts maar vérder dan in het regeerakkoord’, zei pvda-leider Diederik Samsom onlangs tegen de Volkskrant. Over de vvd merkte hij op: ‘De richting is niet wezenlijk anders. We willen vooruit.’ Met zulke teksten is het een kwestie van tijd voordat Rita Verdonk een glorieuze rentree maakt op het Binnenhof. Maar vooral dit zinnetje vond ik schokkend: ‘Daar waar de politisering de vooruitgang verlamt, wil ik hem opheffen.’ Alsof vooruitgang geen door en door gepolitiseerde en waardegeladen term is. Alsof je het politieke element er zomaar uit kunt persen. ‘Niet links of rechts, we willen gewoon de problemen oplossen’, zei Samsom een paar maanden geleden op de radio. Maar waarom besteden we zijn werk dan niet uit aan een consultant?

Samsom benadrukte in het interview dat Mark Rutte en hij met dezelfde opdracht bezig zijn. De premier is volgens hem ‘een gedreven uitvoerder van idealen’. Idealen die zo nu en dan totaal van karakter kunnen veranderen, dat wel. (Een jaar geleden in het Catshuis probeerde Rutte zijn ‘idealen’ nog aan Wilders te verkopen.) Rutte zelf zegt dat hij een ‘onverwoestbaar vooruitgangsgeloof’ deelt met Samsom. Het is een vooruitgangsgeloof dat van alle substantie is ontdaan.

Het enige wat intellectuelen dan nog hoeven te doen, is cynisch zijn, bij voorkeur in de kantlijnen van een krant. Radicale ideeën over een betere wereld zijn letterlijk ondenkbaar geworden. Het aloude maakbaarheidsgeloof is immers overgesprongen op het individu. Succes is nu een eigen keuze, mislukken trouwens ook. Baan verloren? Dan heb je vast niet genoeg human capital vergaard. Ziek? Dan heb je een ongezonde levensstijl. Ongelukkig? Tja, de overheid is geen geluksmachine. De samenleving is niet maakbaar, maar jij bent dat wel.

De bijbehorende ideologie durven ze bij de vvd nog ‘liberalisme’ te noemen: lekker jezelf zijn, gewoon je ding doen, dan zetten wij de poorten van het consumentisme wel open. Het is de ideologie die stelt dat we eindelijk van alle ideologieën af zijn. Inmiddels zouden we de zaken ‘realistisch’ onder ogen zien. De overheid hoeft alleen nog maar het heden te repareren – als de tuinman van Luilekkerland. En mocht je niet voldoen aan de blauwdruk van een echt succesvol leven, dan pakt de tuinman zijn heggenschaar er wel bij. Want als het om het bestrijden van onkruid gaat (controlestaat, surveillance, repressie) dan gelooft hij nog heilig in de maakbaarheid. Dat is de dystopie waar we nu in leven.

Het is kortom de hoogste tijd dat we weer utopieën gaan schrijven. Dan doel ik niet op de haarscherpe blauwdrukken van de toekomst die in vijfjarenplannen moeten worden verwezenlijkt. Daarin worden mensen immers ondergeschikt gemaakt aan idealen. De socioloog Willem Schinkel spreekt liever van ‘het openhouden van een utopische horizon zonder de gevaarlijke claim te doen de utopie ooit te kunnen verwezenlijken’. Want bedenk: utopie betekent zowel ‘goede plaats’ als ‘nergens’.

Wat we nodig hebben zijn alternatieve vergezichten die ons weer aan het denken zetten. Dat is goed voor de democratie. Geen finale blauwdrukken dus, maar geestverruimende alternatieven voor een tijd waarin het te veel gaat over procenten en te weinig over ideeën. En ik spreek nadrukkelijk in meervoud: utopieën moeten met elkaar botsen om de motor van de democratie draaiende te houden.

De Amerikaanse historicus Russell Jacoby heeft een belangrijk onderscheid gemaakt tussen twee vormen van utopisch denken. De eerste is waar het meestal over gaat: het utopisme van de blauwdruk. Onze Denker des Vaderlands, Hans Achterhuis, heeft hier zelfs een heel boek aan gewijd: De erfenis van de utopie (1998). Daarin poogt hij eens en voor altijd af te rekenen met de utopische luchtkastelen. En met succes; als het om de utopie gaat heeft Achterhuis het laatste woord gehad.

De blauwdruk biedt geen abstracte idealen, maar keiharde richtlijnen waar in geen geval van mag worden afgeweken. De Zonnestad (1602) van Tommaso Campanella is er een goed voorbeeld van. In deze utopie, of eigenlijk dystopie, is particulier bezit ten strengste verboden, wordt iedereen verplicht van elkaar te houden en staat op ruzie de doodstraf. Het privé-leven wordt beheerst door de staat, inclusief de voortplanting. Zo mogen slimme mensen alleen met domme mensen naar bed, en dikke alleen met dunne. Alles wordt in het werk gesteld om een gunstig gemiddelde te krijgen. Iedereen wordt bovendien in de gaten gehouden door een enorm netwerk van informanten, dat weer wordt aangestuurd door een ongekozen god op aarde: de ‘Metafysicus’. Begaat iemand een misstap, dan wordt er net zo lang op deze zondaar ingepraat tot hij overtuigd raakt van zijn eigen verdorvenheid. Is het zo ver, dan laat hij zich stenigen door de rest.

Wie met de kennis van nu (fascisme, communisme, Nineteen Eighty-Four) het boek van Campanella leest, voelt de rillingen over de rug lopen.

Hemel zij dank is er een andere vorm van utopisch denken, een vorm die bij Achterhuis in het geheel niet aan bod komt. Jacoby noemt het de ‘iconoclastische utopie’. Als de blauwdruk een haarscherpe foto is, dan biedt deze utopie niet meer dan een vage schets. Ze is zoals profetische dromen behoren te zijn: geen precies beeld van de toekomst, maar wel een bron van inspiratie. ‘Iconoclastisch’ betekent immers: beeldenbestormend.

De iconoclastische utopie heeft zijn wortels in het jodendom. Denk aan het tweede gebod dat Mozes op de berg Sinaï van God kreeg: ‘Gij zult geen godenbeelden maken.’ Joden zoeken het goddelijke in zang, gebed en gedicht, niet door het rechtstreeks af te beelden. In tegenstelling tot de blauwdruk dwingt de iconoclastische utopie de toekomst niet in een benauwend keurslijf. Zo schreef de joodse denker Theodor Adorno in 1964: ‘De utopie bestaat in essentie uit de negatie van dat wat slecht is. Door zich voor te doen als iets wat niet waar is wijst het op hetzelfde moment naar dat wat zou moeten zijn.’

Ook de bedenker van het woord ‘utopia’, de Engelsman Thomas More, bedoelde zijn utopie uit 1516 als een aanklacht tegen de werkelijkheid (de zelfverrijking van de adel en de schrijnende armoede van de bevolking). Hij zag zijn utopie zeker niet als een blauwdruk die direct moest worden doorgevoerd. Achterhuis maakt dan ook een klassieke historische denkfout als hij More langs de maatstaven van vandaag legt. Hij schrijft verontwaardigd dat vrouwen zich in diens utopie onder mannen moeten schikken. Alsof dromen zich ooit helemaal kunnen losworstelen van de eigen tijd.

Na Popper, Isaiah Berlin, Hannah Arendt, het postmodernisme en in ons land ook nog eens Achterhuis, overheerst de angst voor alles wat abstract en dromerig is. In het minst erge geval zijn de utopieën niet ‘empirisch bewezen’ of slechts ‘taalspelen’. Maar in het ergste geval leiden ze tot massamoord, aldus de standaardriedel.

Hoe kan het toch dat we hier massaal zijn ingetrapt? Dat een idee abstract en dromerig is, betekent toch nog niet dat ze de werkelijkheid niets te zeggen heeft? Er zijn heel wat abstracties – vrijheid, gelijkheid, broederschap – die op grote schaal gerealiseerd zijn en nog steeds worden. De grootste helden van de vorige eeuw, van Mahatma Gandhi tot Martin Luther King, lieten zich door zulke dromen inspireren. Sterker nog, de fundamenten van wat we nu ‘beschaving’ noemen, zijn ooit bedacht door wereldvreemde utopisten. De Franse dromer Abbé de Saint-Pierre (1658-1743) filosofeerde als eerste over de mogelijkheid van ‘Eeuwige Vrede’ door een ‘Europese Unie’. De zweverige Nicolas de Condorcet (1743-1794) droomde over een universele gelijkheid van blank en zwart en was de voorzitter van de eerste Franse antislavernij-organisatie. De wereldvreemde John Stuart Mill (1806-1873) vond dat zelfs vrouwen en mannen aan elkaar gelijk zijn.

Zonder alle wereldvreemde wetenschappers, politici en intellectuelen die de geschiedenis rijk is, zouden we nu nog steeds arm, hongerig, bang, vies, dom, lelijk, ziek en ongelukkig zijn.

Een van de eerste denkers die het einde van de geschiedenis en de komst van Luilekkerland signaleerden was Daniel Bell, in zijn boek The End of Ideology (1960). Volgens Bell mocht de dood van de blauwdruk niet het einde van de utopie betekenen. Hij schreef dat er ‘meer dan ooit behoefte is aan een utopie, in de zin dat mensen behoefte hebben – zoals zij dat altijd hebben gehad – aan een bepaalde visie op hun kunnen, aan een manier om hun passie en hun intelligentie met elkaar te versmelten’. Juist in deze tijd, waarin de beelden van morgen steeds weer uit de blauwdruk van vandaag komen, is er behoefte aan nieuwe dromen.

Dus nu concreet – er valt immers nog heel wat te sleutelen aan wat ons Luilekkerland had moeten zijn. Toegegeven, dat ‘lekker’ zit wel snor. De meesten van ons realiseren zich niet hoe uitzonderlijk het is dat we ons de hele dag kunnen volproppen. Maar wat het ‘luie’ betreft is er werk aan de winkel. Mill schreef al in 1848 dat rijkdom op den duur het beste kan worden omgezet in meer vrije tijd. Keynes voorspelde in 1930 een vijftienurige werkweek in 2030. En tot voor kort was minder werken ook een politiek ideaal. In het jaar dat Keynes zijn voorspelling deed, nam de Amerikaanse Senaat een wet aan voor een dertigurige werkweek (de wet strandde in het Huis van Afgevaardigden). Een adviseur van president Roosevelt schreef een paar jaar later dat een vierurige werkdag inmiddels tot de mogelijkheden behoorde. In 1965 voorspelde een commissie van de Senaat dat de werkweek in 2000 nog maar twintig uur zou duren. Sociologen spraken inmiddels van het aanstaande ‘einde van het werken’. In 1991 schreef Juliet Schor, een sociologe van Harvard, dat de vierurige werkdag nu echt eenvoudig gerealiseerd zou kunnen worden.

Maar wat is er werkelijk gebeurd in de afgelopen dertig jaar? In het hele Westen zijn mensen harder gaan werken. We besteden minder tijd aan hobby’s, vrienden en familie. Het aantal burn-outs stijgt in rap tempo. Op papier hebben Nederlanders misschien een korte werkweek, maar dankzij overwerk hebben we het alleen maar drukker gekregen (aldus het Sociaal en Cultureel Planbureau). Al dertig jaar zetten we onze welvaart om in meer consumptie, in plaats van meer vrije tijd.

En dat terwijl er zo veel is te zeggen voor een kortere werkweek. Toen Engeland in 1974 twee maanden overging op de driedaagse werkweek nam de industriële productie slechts zes procent af. Toen Frankrijk tussen 2000 en 2008 de 35-urige werkweek had (onder het devies: ‘Werk minder, leef meer’), zei de overgrote meerderheid dat hun leven zo beter in balans was. Toen de Amerikaanse staat Utah tussen 2008 en 2009 de vierdaagse werkweek kende, zei driekwart gelukkiger te zijn, nam het ziekteverzuim af en werden er forse besparingen gerealiseerd op brandstof. En het mooiste was: Utah werd in één klap nationaal kampioen vrijwilligerswerk.

Zo wereldvreemd is de utopie van minder werken dan ook niet. Uit allerlei peilingen (Synovate, nationalevacaturebank.nl, Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden) blijkt dat Nederlanders naar een kortere werkweek verlangen. Daar willen ze ook best wat koopkracht voor inleveren, als ze hun baanzekerheid maar behouden. Als we onbetaald werk meetelden in het bbp, zou het nu al een derde uitmaken van alles wat we produceren.

Een werkweek van ongeveer 25 uur per week is een mooi streven. Niet in één klap, als een blauwdruk die door een tijdspolitie wordt doorgevoerd, maar stapje voor stapje. Wetenschappers, politici en burgers zullen samen moeten werken én denken om alle valkuilen – want die zijn er – te ontwijken. Een armoedeval voor laagbetaalden en werklozen zou wellicht kunnen worden voorkomen met een basisinkomen voor iedereen. Werken kan aantrekkelijk blijven door de belasting op arbeid radicaal te verlagen, en die op consumptie te verhogen.

Minder werken zou een oplossing kunnen zijn voor vele problemen: stress, overconsumptie, werkloosheid en ongelijkheid. De emancipatie van vrouwen en ouderen wordt ermee voltooid. Vrouwen kunnen immers evenveel gaan werken als mannen, en ouderen kunnen zo lang doorgaan als ze willen. Een pensioenleeftijd van zo’n tachtig jaar zou met de 25-urige werkweek en de stijgende levens­verwachting geen probleem moeten zijn.

Natuurlijk, het is ook maar een utopie. Het gaat me niet eens om die kortere werkweek, dat basisinkomen of die omvorming van ons belastingregime an sich. Waar het me om gaat is dat zulke ideeën bijna ondenkbaar zijn geworden aan het ‘einde van de geschiedenis’. De democratie lijdt daaronder. Intellectuelen lanceren nauwelijks nieuwe ideeën meer, ze zijn veel te druk met het afschieten van de bestaande. Fukuyama had gelijk: zonder nieuwe droom van Luilekkerland verwordt politiek tot technocratie, tot gerommel in de marge.

We hebben de utopie levend begraven. Zolang dat zo blijft, kunnen we slechts het heden repareren. Niet dat dit heden slecht is, integendeel. Maar treurig is het wel, omdat het niet meer beter wordt. De Britse filosoof Bertrand Russell schreef jaren geleden: ‘De mens heeft voor zijn geluk niet alleen het plezier van de dingen nodig, maar ook hoop, verandering en vooruitgang. (…) Het is geen afgerond Utopia waar we naar moeten verlangen, maar een wereld waarin de verbeeldingskracht en de hoop levend en actief zijn.’


Rutger Bregman (1988) is historicus en schrijver. Hij debuteerde vorig jaar met Met de kennis van toen: Actuele problemen in het licht van de geschiedenis. Onlangs publiceerde hij De geschiedenis van de vooruitgang (beide uitgegeven door De Bezige Bij)